Herinneringen uit de mobilisatie 1939 en de oorlogsdagen van 1940 door Jan Gerretsen.

De twee foto's in militair tenue zijn afkomstig uit het Mobilisatiealbum van J. van Ingen. Deze foto's zijn via www.beeldbankwo2.nl in te zien onder de beeldnummers 200426 en 200427. Ruurd Kok bracht mij op de hoogte van het bestaan van deze foto's, waar ik hem zeer erkentelijk voor ben ! (d.d: 9 november 2017)

Definitieve versie d.d: op 9-2-2008 gedigitaliseerd uit de diversie schriftjes van zijn nalatenschap. Deze originele schrifjes waarin het dagboek is bijgehouden zijn geschonken aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

Wanneer het 's zomers zeer warm is en de lucht gaat betrekken wat kan de atmosfeer dan geladen zijn. Geen wonder als men dan zegt "er is onweer op komst". Gelijk dit in de natuur soms het geval kan zijn was de politieke hemel in den nazomer van 1939 zeer zwaar geladen door het geschil tusschen Duitschland en Polen enerzijds, tusschen Duitschland, Frankrijk en Engeland anderzijds welke immers aan Polen garanties hadden toegezegd ingeval een inval in Polen mocht komen. Tusschen Duitschland en Engeland welke uit dien hoofde op zeer gespannen voet stonden lag ons brave vredelievende Holland.
Menigeen sloeg de schrik om het hart bij deze alarmerende gebeurtenissen, want ook in het najaar van 1938 had het al gerommeld, doch door de besprekingen met H.H. diplomaten was het onweer weer afgezakt. Het betrof toen de Sudeten-kwestie. Nu echter was het van veel ernstiger aard en men zijde: "zou het weer worden zooals in 1914, een wereldoorlog ?"

Inderdaad, het zag er zeer dreigend uit. Onze regeering zag zich dan ook genoodzaakt om op 24 Augustus 1939 een z.g. voormobilisatie af te kondigen. Er werden reeds verschillende lichtingen onder de wapenen geroepen. Dit geschiedde door middel van de radio en groote roode aanplakbiljetten. Ik zie op dien bewusten schoonen zomeravond nog het talrijke publiek samengedromd rond de publicatieborden welken aanplakbiljetten de sombere mare den volke kond deden. Het was zeer druk in ons doorgaans kalme Bussum en de spanning en nervositeit was op ieders aangezicht af te lezen.

De volgende dag kregen wij een invasie van militairen welke alle openbare gebouwen betrokken en de wacht ervoor hielden. Op Zaterdagavond 26 Augustus was ik nog getuige dat de wacht voor het G.E.B. werd afgelost door een korporaal. Had ik toen kunnen vermoeden dat wanneer het weer Zaterdag zou zijn ik dat zelfde zaakje in Leiden zou moeten opknappen ? Ik liep weliswaar al met een angstig voorgevoel rond dat het wel eens spoedig algemene mobilisatie zou kunnen worden en ik dan misschien ook zou worden opgeroepen en zoo maar pardoes uit het werk te worden gehaald, huis en haard verlaten en het vaderland gaan dienen. Maar anderzijds dacht ik dan al weer:"Ik ben al 35 jaar en van een zeer oude lichting (1924), het zal zoo'n vaart wel niet loopen".
Zoo leefde ik dan tusschen hoop en vrees totdat eindelijk die fatale Maandag 28 Augustus 1939 aanbrak. Wat er in dien tusschentijd in de politiek was voorgevallen was weinig moedgevend. De verhoudingen spitsen zich steeds meer en meer toe.

Het werd tenslotte zoo erg, dat de regering zich thans geplaatst zag voor het feit de algemene mobilisatie op dien dag af te kondigen. Zeer somber zag alles er dien dag uit. Het weer was somber en zwoel en er dreigde onweer, de menschen waren niet minder pessimistisch gestemd, waarbij dan ook nog komt dat er heel toevallig in ons dorp de klagende janktoon der sirenes werd gehoord bij wijze van proef ingeval er eens ooit vliegtuigen zouden komen om te bombarderen. Om half twee barstte eindelijk de bom. Per radio werd de algemene mobilisatie afgekondigd. Ter opluistering barstte er bovendien nog een zwaar onweer los dat aan de geheele situatie een passende omlijsting vormde. Van eenige menschen die aan de haven tegenover het kantoor waar ik arbeidde druk aan het stenen bikken waren vernam ik het sombere nieuws. Mijn vrees werd nog sterker en ik dacht opnieuw: "Zou ik er soms ook bij zijn "?

Om ongeveer 3 uur kwam een Hilversumsche vrachtrijder mij vertellen dat er 15 lichtingen waren opgeroepen, hetgeen weer op aanplakbiljetten was te lezen. Ik vroeg met begrijpelijke spanning of hier ook de lichting 1924 bij was. Hij zeide toen "Ja, nog net. Het loopt van 1924 t/m 1939". Daar had je dus het lieve leven gaande, ik was wat men noemt "de sigaar".Daar de arbeidstijden in ons bedrijf zeer lang zijn heb ik altijd toestemming tegen 4 uur er even uit te breken en thuis een kwartiertje thee te drinken. Ik ging dus ook nu zoals gewoonlijk om 4 uur even naar huis doch moest natuurlijk tevens het heugelijke nieuws gaan vertellen. Maar onze groenteman had mijn moeder inmiddels al over den stand van zaken ingelicht. Ze was natuurlijk evenals ik onaangenaam verrast. Wat had mijn moeder het opeens druk. Daar ik niet alleen uit mijn werk werd gehaald, doch tevens 's Konings lijfrok moest aantrekken, moest ik mijn lage sierlijke burgerschoenen voor minder fraaie hooge schoenen verwisselen.

Maar hoe ter wereld aan hooge en oude schoenen te komen ! Bijna niemand is er te vinden die ze meer draagt. Gelukkig had mijn oom nog een paar stevige exemplaren over van mijn neef die een betrekking in Amerika heeft. Ik was dus opeens gered en het zwaarwichtige probleem was opgelost. Verder moest er voor een heele uitzet gezorgd worden t.w. waschgoed, koek enz. enz. Toen ik tegen half vijf weer naar mijn kantoor ging was mijn eerste werk eerst eens even naar het bureau van militaire zaken te gaan teneinde eens mijn licht op te steken hoe laat ik moest vertrekken. Er werd mij heel duidelijk te kennen gegeven dat dit per eerste gelegenheid moest geschieden. Ik wist dus waar ik mij aan had te houden. Om 7 uur was mijn dagtaak teneinde, althans op het kantoor, maar men zal wel levendig begrijpen dat er nog heel wat zaken te regelen waren voor en alleen ik de plaat poetste, want er zoo maar opeen het bijltje bij neer te leggen gaat toch ook maar niet.

Ik had nog heel wat zaken af te handelen zoals de kas opmaken, diverse bescheiden inboeken en de noodige instructies achterlaten, opdat mijn opvolgster (de dochter van mijn patroon) op hetzelfde stramien kon door boorduren als ik in dienst was. Ik nam dus maar mijn boeken mee naar huis om bij te werken. In mijn huiskamer beluisterde ik om 8 uur per radio een toespraak van H.M. de Koningin om te zeggen dat de toestand weliswaar zeer ernstig was, doch dat er geen direct gevaar voor ons land bestond, doch paraatheid was thans plicht geworden. Toen mijn huiswerk af was ging ik ter ruste, maar van slapen kwam niet veel. Mijn geest was door deze ongewone situatie geheel uit het lood geslagen. Telkens dacht ik maar: "Wat heb ik nu nog allemaal te zeggen op het kantoor en laat ik toch niets vergeten, kortom, 1001 zaken flitsten door mijn verwarde brein.

Zoo brak dan de gedenkwaardige Dinsdag 29 Augustus aan. Ik was reeds zeer vroeg op en moest bij uitzondering een uur vroeger op mijn kantoor zijn om zooveel mogelijk de hangende kwesties af te wikkelen. Om 11 uur sloeg eindelijk het uur van scheiding en met een hartelijken handdruk van mijn patroon, welke geste van eenige sigaren vergezeld ging toog ik huiswaarts om mij om te kleeden tot korporaal. Na eerst nog koffie te hebben gedronken schoot ik mijn militaire costuum aan, hing vervolgens om, zoals de militaire term luidt en vertrokken mijn moeder die mij uitgeleide zou doen tot het station zwaar gepakt en gezakt zijnde. Onderweg liepen we nog even bij mijn oom en tante aan om afscheid te nemen. Mijn oom voegde zich als derde bij ons en zo togen wij naar het station. Onderweg kwamen wij diverse colonnes militairen van het 18e R.I. uit Amsterdam tegen die zoo juist aan het station waren gearriveerd en aan de bezetting der scholen tijdelijk werden toegevoegd om over enige dagen naar elders te worden gedirigeerd. De publieke belangstelling was groot bij dit ongewone schouwspel.

Toen wij aan het station arriveerden rolde de ene militaire trein voor en de andere na binnen, want het spoorwegverkeer was door de militaire autoriteiten opgevorderd voor deze enorme troepenverplaatsingen tot 's middags 3 uur. Eindelijk brak dan het uur van afscheid voor mij aan en voor hoe lang zou dit zijn, want zoo ongewis als de toestand thans was, was het met geen mogelijkheid te zeggen wanneer wij verlof zouden krijgen. Na een roerend afscheid ging ik de trappen van het station op naar het perron in afwachting van de volgende trein waarmede ik naar Leiden zou gaan, want volgens het formulier dat achter in mijn zakboekje was geplakt zou ik daarheen moeten in geval van opkomst met spoed. Daar stoomde de trein binnen tjokvol soldaten en matrozen. Ik stapte dus in en werd meteen al verwelkomd met "zoo luitenant, kom maar binnen". In de coupé was het een combinatie van land- en zeemacht. De geest was aan één kant weliswaar hartelijk maar ook gedrukt.Er werden betrekkelijk weinig woorden gewisseld. Wat was het in den trein gloeiend heet. Toen de trein zich in beweging zette werd het wat koeler.

Zoo bereikten we als eerste etappe Amsterdam. Het krioelde op het Centraalstation van militairen die uit alle hoeken des lands waren aangekomen en elk hun kant uit moesten. Het was een ware mierenhoop. In Amsterdam moest ik uitstappen en overstappen in den electrischen trein die naar Rotterdam ging. Wat duurde het ontzaggelijk lang, zeker wel een uur voordat deze trein vertrok, en onderwijl had ik mijn twaalfuurtje genuttigd, hoewel ik weinig trek had, maar men moet toch bikken. Hoe zal men anders in staat zijn het land te verdedigen ! Eindelijk werd de tweede étappe aangesneden en de trein zette zich in beweging. Wat ging dat geweldig hard, heel wat sneller dan in een stoomtrein. Na 10 minuten stopte de trein reeds te Haarlem. Ook daar was de militaire drukte groot, doch aanzienlijk minder dan te Amsterdam. Voort ging het weer en nu ras op het einddoel aan. De trein vloog met razende snelheid langs Vogelenzang, Hillegom, Lisse, Warmond en Noordwijkerhout en toen kwam Leiden in zicht. Daar stopte de trein en duizenden wapenbroeders stapten uit. Het was niet wat men noemt een "joyeuse éntree" of op zijn Hollandsch gezegd "blijde inkomste".

Op het stationsplein stonden diverse sergeants met bordjes in de hand, waarop b.v. vermeld stond: 10 RI, 22RI enz. zoodat men precies kon zien waarbij men zich moest voegen. Het duurde geruimen tijd voordat de indeeling compleet was. We stonden te bakken op het gloeiend heete plein en dan in zoo'n dik wollen costuum. Het was bijna niet om te harden, doch aan alles komt een eind en ook aan het wachten. De stoet zette zich in beweging en voort ging het langs Leiden's straten. Vanaf het station doet de stad nogal pompeus aan met haar groote gebouwen en verkeersdrukte, maar hoe verder men gaat hoe minder het wordt. Het is eerlijk gezegd een oude vieze en armoedige stad, waar geen kraak of smaak aan is. Doch ter zake ! Onze tocht ging naar de Hooglandsche Kerkgracht, waar wij in een weeshuis zouden worden ondergebracht. Wij arriveerden daar na een halfuur door de brandende heete straten te hebben gemarcheerd. Alweer een stil, dood en smakeloos plein.Alleen de Hooglandsche Kerk, een gebouw uit den Spaanschen tijd is schoon van architectuur van binnen en buiten, maar tamelijk verwaarloosd.

Alras bleek dat niet allen in het weeshuis konden worden overgebracht, zoodat een gedeelte waaronder ook ik weer elders intrek moest nemen. Wij marcheerden toen naar de Haarlemmerstraat, een drukke straat die veel op de Nieuwendijk in Amsterdam gelijkt en werden daar in een school gelegerd. Als we nu maar wat te doen hadden gehad zou ons dit al heel wat geholpen hebben in onze naargeestigheid, maar helaas wij verveelden ons stierlijk en lagen maar te luieren op onze stroozak. Dat is voor mij die het in het burgerleven zeer druk heb al heel onaangenaam. Daar kwam dan nog bij dat een 1e luitenant ons heel leuk verkondigde dat wij er in het geheel niet uit mochten. Aan de voorzijde kon men niet op straat zien en de achterzijde zag uit op een allerakeligst plein met hooge muren. Wij gevoelden ons als in een gevangenis. "Ja menschen" zei die luitenant om onze geest op te vrolijken " Wij leven bij het uur" dus m.a.w. iedere keer zou er wat kunnen gebeuren. De logica hiervan ontging ons want er was toch in feite in ons land nog niets loos. 's Avonds kwam er echter een lichtstraal in de duisternis. Wij mochten na half zes, dus na het eten de stad in. Nu dat smaakte ons wel.

Wij behoefden pas om tien uur weer binnen te zijn. Het was een schoone zomeravond die geheel invloekte tegen het oorlogsrumoer van de verdwaasde menschheid. Ik ging met eenige nieuw opgedane kameraden door de Haarlemmerstraat en verder Leiden in. Onderweg sprak ik een mij bekende plaatsgenoot die ook evenals ik in deze stad was ondergebracht, doch op het Schuttersveld dichtbij het station. Zoo liepen we maar te zwalken van de eene straat in de andere totdat we op de Lommerschans buiten de stad terecht kwamen. Het was al vrij laat geworden en wij besloten om den terugtocht te aanvaarden, doch wij staken eerst nog even op in een groot café. De radio ging dat het een lieve lust was. Wij bestelden een portie ijs en limonade. Het was goed spul, maar peperduur. Dat is eens en niet weer dacht ik bij mijzelven. Wij zochten onze kooi op en zochten vergetelheid in den slaap. Ik was knap zat na zulk een emotievollen dag !De volgende dag zouden wij gekeurd worden, want men kon in zijn burgerleven soms eens een kwaal hebben opgedaan die het dienen als militair bemoeilijken zou. Deze keuring zou plaats hebben aan de Hooglandsche Kerkgracht in een gebouw naast het weeshuis.

Wij gingen er met z'n allen in marschformatie heen. Toen de keuring was afgelopen stond ik nog even met iemand te praten en in dien tusschentijd waren al mijn andere kameraden al weer weggegaan op de Haarlemmerstraat aan. Ik had er tijdens dit gesprek in het geheel geen erg in gehad en bleef dus alleen over. Na lang dwalen en zoeken vond ik eindelijk de school weer terug en dacht "daar zal wel wat voor mij op zitten" als ik zoo alleen kom aanstappen, maar niemand schijnt van mijn afwezigheid nota genomen te hebben en alles liep dus op een sisser los. 's Avonds ging ik voor het eerst naar het Christelijk Militair Tehuis a/d Morschweg, een half uur loopen. Onderweg hadden wij nog al eens de gewoonte om zoolang het weer zoo warm bleef groote ijswafels of een portie ijs te koopen bij de fa Voortman a/d Haarlemmerstraat. Gedurende enige weken waren wij daar vaste stamgasten, maar gelijk het weer tenslotte afkoelde, zoo koelde ook de klandizie af en ze zagen ons niet meer. Het militaire tehuis is daar echt gezellig en heel oud, zeker wel 40 jaar. Onze eerste kennismaking met den huisvader en huismoeder waren heel hartelijk. Het liep er dan ook storm en er werden goede zaken gedaan.

Achter dit tehuis was een groote tuin met eenige boomen, waaronder wij 's avonds gingen zitten. Voor ons stroomde het z.g. "Galgenwater", terwijl wij een ruim uitzicht op de stad hadden. Gelijk ik reeds in den aanvang betoogde zag het er voor een vreemdeling ook van die zijde zeer pompeus uit en zou men zich wanen in Amsterdam te zijn, maar een nadere kennismaking stelt zeer teleur. Links lag een groot deel van den stad met zijn fraaie kerken en rechts lag een spoorbrug waarvan de treinen naar en van Utrecht gingen. Voor ons aan de overzijde van het Galgenwater bevond zich een groot gebouw, de kweekschool voor de zeevaart. Om ongeveer 8 uur zagen we een onafzienbare stoet ruiters, stukrijders, kanonnen, wagens enz. enz. door de stad gaan welke zeker wel een uur duurde en zich klaarblijkelijk naar het Westen bewoog om de Noordzeekust te verdedigen, want ook van die zijde moest met een inval worden gerekend. Het maakte een onheilspellenden indruk en nog grepen we ons aan een strohalm vast en dachten: "De toestand is wel precair doch niet hopeloos, misschien wordt de zaak nog bijgespijkerd, want tot een openlijke oorlog was het nog steeds niet gekomen.

Het was zoo zoetjes aan al weer vrij laat geworden en aan ons gezellig zitje kwam ook een eind. Wij sleepten de stoelen naar binnen en de huisvader las een stuk uit den Bijbel om met dankzegging den dag te beëindigen. Zoo was er al weer een dag om. Ik zal nu proberen van de meeste dagen mijn ervaringen weer te geven, doch de dagen welke ik oversla kan men gerust als kleurloze data beschouwen waarin niets bijzonders is te vermelden.

31 Augustus 1939. Koninginnedag. Ja menschen, in normale omstandigheden zou men de bloemetjes hebben buitengezet, maar nu was er geen spoor van feestvreugde te bekennen. Alle feestelijkheden waren afgelast met het oog op den ernstigen toestand. Aan twee dingen kon men slechts zien dat het Koninginnedag was. Ten eerste waren de beugels van de electrischen trams voorzien van rood, wit, blauwe vlaggetjes en ten tweede werd het "Wilhelmus" in het militair tehuis gezongen, dat was het hoopje al, kan het waarlijk nog schraler ? De natuur toonde ook al weinig lust om aan feestelijkheden mee te doen. In den laten avond spoelde een stortregen den Koninginnedag weg.

1 September 1939. De bom barst ! Daar verkondigt ons op den nuchteren maag zeer om onze appetit te verhoogen het A.N.P. dat Danzig was veroverd, hetgeen tevens vergezeld ging van een snorkende redevoering van den Heer H zullen we maar zeggen Hitler en dat de Duitschers Polen binnengerukt waren en Warschau was gebombardeerd. De oorlog was dus een feit geworden. Spoedig verkondigden tallooze bulletins voor de winkelruiten het sombere nieuws. Wij wisten nu wel dat wij hier waren gekomen, maar niet wanneer wij weer zouden afzwaaien. Het werd ons nu wel opeens hardhandig aan het verstand gebracht. Wat zullen nu Frankrijk en Engeland doen, de zaak toch zeker niet op zijn beloop laten. Het kon nog hoogstens een paar dagen duren en dan zouden wij er wel weer nader van hooren. Om 10 uur maakten wij onder leiding van een vaandrig een marschje door de stad om onze zinnen te verzetten, doch voor het overige kenmerkte zich deze dag weer door een "dolce fa niente", een zalig niets doen, behalve dan dat wij zoo nu en dan bij den fourier schoeisel, wapenen enz. moesten halen.

2 September. Een prachtige maar heete dag. Het was Zaterdag en om 4 uur waren we al vrij. Ik wandelde dus nog eens een straatje rond en koos toen weer een ander gedeelte der stad. Er was een gezellige bedrijvigheid. Dat schijnt zowat overal Zaterdags de gewoonte te zijn. De menschen leggen de arbeid neer en de vrouwen gaan inkoopen doen voor den Zondag. Ik liep onder de Zijlpoort door, een grootsch monument dat nog dateert uit den Spaanschen tijd. Vervolgens kwam ik bij een klein stationnetje uit, waar echter sinds lang geen trein meer aankomt. Het is thans afgedankt. Het lijntje ging eertijds naar de Haarlemmermeer. Het lag daar blik en bloot en ik stond in mijn costuum weer te verbroeien. Ik besloot maar weer den terugtocht te aanvaarden doch alvorens ik in de school terugkeerde nam ik eerst eens een fijn bad in het badhuis aan de v.d. Werffstraat, een onooglijke slurf welke aan den beroemden burgervader onzer Sleutelstad allerminst eer aandeed.

Ook het predicaat "burgemeester"ontbrak. Als de goede man deze dingen zou weten zou hij zich in zijn kist hebben omgedraaid. Toen ik in de school was teruggekeerd, vernam ik dat ik 24 uur op wacht moest als korporaal van aflossing. Nu moest ik dus een van mijn bevoegdheid gebruik maken. Nu, het was wel om te doen hoor, natuurlijk wel erg model "zet af geweer, presenteert geweer", "consignes" en wanneer ik dan mijn mannetjes op post had gezet konden zij twee uur loopen schilderen en kon ik fijn bij den sergeant- wachtcommandant gaan zitten. Het was een beste kerel, een Utrechtenaar die chocolade en peren uitdeelde. Als ze zoiets doen zijn het bij tenminste altijd beste kerels. Er was ook genoeg te lezen, dus de nacht was gauwer om dan wij dachten.

3 September. Zondag. Een aller ellendigste dag voor de geheele wereld en voor mij. Mijn wacht was natuurlijk nog niet om, deze eindigde eerst om 6 uur 's avonds. Ik kreeg echter wel permissie om naar de ochtend godsdienst oefening te gaan. Ik ging naar de Hooglandsche Kerk. Zoals ik reeds zeide was het een pracht gebouw met gothische gewelven en prachtige lichtkronen. Zooals in meerdere oude kerken in ons land het geval is waren er grafzerken aanwezig waarover men heenging. De opkomst was groot, misschien ook wel in verband met de bange tijdsomstandigheden. Een predikant uit het naburige Zevenhoven hield een ontroerende prediking over de profetieën van Joël. Hoewel ik met aandacht den dienst volgde kon ik toch somtijds een gevoel van slaperigheid en moeheid niet onderdrukken, want vergeet niet, al zat ik in de kerk, ik had nog steeds de wacht. Toen de dienst om was ging ik weer naar de school, doch o schrik ! Onderweg verkondigde nieuwe bulletins voor de winkels dat … Engeland in oorlog was met Duitschland. Ik kan u niet zeggen wat er in mij omging, zoo landerig en akelig ik me daaronder voelde. Wat een dag, wat een dag !

We konden nu met ons verlof ook wel inpakken. Hoe zou men er bij mij thuis op reageren ? Sinds dagen had ik taal nog teeken van thuis ontvangen, daar de veldpost hopeloos in de knoop zat. Zoals gewoonlijk zorgde moeder natuur weer voor een keurige stoffage. Het begon te regenen en het verdere van den dag bleef het naargeestig weer. Last not least brak er tegen 6 uur een onweer los dat met een geweldige stortvloed gepaard ging. Inmiddels was ook mijn wachtdienst om en besloot het militaire tehuis maar weer eens op te zoeken. Onderwijl kwam nog het tweede fraais door de radio. "Frankrijk is in oorlog met Duitschland". Proost, dacht ik, maar enfin, het feit is er nu eenmaal en de gruwelijke menschenslachting zal wel spoedig een aanvang nemen, er is toch niks meer aan te doen. Ik ging dus maar de stad in, hoewel het nog niet geheel droog was. Toen ik in den laten avond uit het militair tehuis terugkeerde was ik al weer aardig opgemonterd, ook al door het vele boomen opzetten met kameraden, lezen enz. hetgeen de nodige afleiding geeft.

4 September. Ook heden beleefde ik een minder aangenaam evenement. We zaten buiten allerlei bakken te vertellen, hetgeen natuurlijk geoorloofd is, alleen zei de luitenant mij dat ik moest toezien dat er niet gekaart werd. Waarom dit niet mocht mag Joost weten, want men kan zich toch den heelen lieven dag niet aan lediggang overgeven. Op een gegeven moment waren er toch ondanks deze waarschuwing enkele gaan kaarten, hetgeen mijn aandacht was ontgaan. Tot overmaat van ramp kwam onze luitenant aandraven. Daar had je het lieve leven gaande. Ik kreeg een reprimande en moest om 5 uur 's avonds op het bureau komen, maar ik moet nog komen, want hoe het ook zij, ik voelde er weinig voor om op het matje te komen voor zo'n gering vergrijp. Ik dacht "Ik zal het maar vergeten" en onze jongens zeiden eveneens "ben je mal, jij gaat er niet heen" en inderdaad geraakte de hele affaire in het vergeetboek. Ik heb er tenminste geen boe of ba meer over gehoord.

's Middags gingen we eindelijk eens wat doen n.l. "exerceeren in een nauwe slurf". Onder leiding van een sergeant, een sarcastisch en eigenwijs personage ging het als volgt: "Voorwaarts marsch","sectie halt","links om, rechts om","geeft acht" enz. Dat grapje duurde wel een uur en was zoo onbeschrijfelijk saai en geestdoodend, dat ik er wel van kon kokhalzen. Na diensttijd besloot ik eindelijk eens contact met mijn huis te gaan zoeken, want nog steeds hoorde ik niets. Ik besloot nu maar eens te gaan telefoneeren, maar dat ging nog niet zo eenvoudig in zijn werk. Mijn moeder was bij mijn oom en tante, dat wist ik, maar zij hielden er geen telefoon op na, wel de buren, een houthandel. Maar als deze nu eens niet thuis waren dan wist ik nog niets en mijn centen waren foetsie. Ik probeerde het dus maar en o vreugde ik had succes. Eerst kreeg ik de buurvrouw, vervolgens mijn oom en toen mijn moeder. Ze maakte het best en ik was er zichtbaar van opgelucht. Ik hoorde tevens de dorpsklok 6 uur slaan.

5 September. Vanaf heden is het alsmaar exerceren en theorie over rangen en graden, gasmasker, geweer enz., waarbij men in slaap valt. Onze luitenant was inmiddels overgeplaatst en wij kregen toen een kapitein, een model-kerel die er zeer streng en barsch uitzag. Nu, hij kon dan ook heel wat bonnetjes uitdelen.

7 September. Een kleine afwisseling in ons eentonig bestaan. 's Middags gingen we voetballen op het Schuttersveld. Het was prachtig weer maar knap warm. Er waren menschen die er niets voor voelden om in die hitte tegen een bal te schoppen en ook ik niet. We gingen lekker languit in het gras liggen en een pierement zorgde voor de noodige muziek. Uit de huizen kwamen kinderen aandraven die ons thee brachten. Nu, dat wilde er met die warmte wel in.

9 September. Alweer Zaterdag. Na 4 uur ging ik weer eens de stad in en besloot een kennis van mijn moeder eens op te zoeken, een dame die mij ter oore was gekomen op de Rijnsingel moest wonen. Ik stapte er dus heen. Het was wel 3 kwartier loopen.Het weer was snikheet (83 graden Fahrenheit), en ik vloog bijna in de brand in zoo'n pakje. Daar was ik dan eindelijk, maar … het adres was onjuist. De bewuste dame woonde in Oestgeest. Ik moest dus onverricht ter zake terugkeeren, maar ik had gelukkig den tijd. Na 6 uur ben ik naar Oestgeest gewandeld; een mooie weg was het welke mij naar het doel voerde. De dame in kwestie woonde in een mooie doch zeer stille straat waarin per dag geen 2 menschen passeerden. In den aanvang herkende ze mij niet in mijn militaire costuum, doch later wel. De ontvangst was heel hartelijk. Na anderhalf uur aanvaardde ik op mijn "dooie akkertje" weer den terugtocht en bracht het verdere van dezen avond in het militair tehuis door.

10 September. Zondag. Nu eens geen wacht. Ik kon dus weer ter kerke gaan, doch nu niet in half- slaperigen toestand, zooals de vorige week. Het weer was vrij somber, zwoel en drukkend. Ik besloot nu een de Pieterskerk te bezoeken, eveneens een fraai kerkgebouw, doch minder groot dan de Hooglandsche kerk. Mijn weg voerde over het Rapenburg met zijn typische bruggetjes. Het was echter een vrij eentonige wandeling en ik kwam zoowat geen sterveling tegen. In den walkant was een steen gemetseld, waarop staat te lezen: "Hier vloog op 21 Januari 1807 het kruitschip in de lucht". Of het aan mij lag weet ik niet, maar de preek pakte me ditmaal niet erg. De voorganger was Ds. Boissevain. Later hoorde ik dat genoemde predikant principes huldigde, waarvoor ieder rechtgeaarde Hollander geen sympathie kan hebben (NSB er).

's Middags wandelde ik maar weer in mijn eentje de stad in en ging in een groot plantsoen aan de v/d Werffsingel op een bank zitten. Ik was weer in een zeer neerslachtige stemming en dacht "daar zit ik nu, wanneer zou er nu eens eindelijk verlof komen ?" Er was alweer een week verlopen sinds de oorlog uitbrak, doch tegen alle verwachting in was er nog weinig bijzonders gebeurd, dan alleen dat de oorlog in Polen in al zijn felheid woedde. Overigens was het alleen gebleven bij de torpedeering van de "Athenia" en een pamfletjesregen (strooibiljetten) in Duitschland vanuit Engelsche vliegtuigen. Vervolgens rees ik na al die meditaties maar weer van mijn zetel op en wandelde het park in. Er zwommen eenden, ganzen en zwanen, terwijl er ook nog een volière aanwezig was met allerlei soorten exotische vogels. Vol aandacht bekeek ik al deze dieren.

In het midden van het park staat een groot standbeeld van burgemeester Pieter Adriaansz. v.d. Werff, terwijl op het voetstuk allerlei inscripties zijn gebeiteld en afbeeldingen te zien zijn van binnenrukkende Spanjaarden enz. Daarna ging ik maar weer naar mijn "home" terug echt wat men noemt "met mijn ziel onder mijn arm", want de Zondagen zijn in dienst buitengewoon taai. 's Avonds liep ik nog eens een straatje rond en sloeg vervolgens maar weer de richting van den Morschweg in. Het weer was nog steeds zwoel en ik ging weer zoals gewoonlijk in den mooien tuin zitten met tientallen kameraden. De wilde eenden scheerden over het water en alles ademde rust en vrede, behalve in de politiek. Het zou de laatste avond zijn dat wij in de tuin zouden zitten, want de zomer kwam niet meer terug. Wel volgden er nog mooie dagen, doch het was veel te kil geworden om buiten te zitten. Alzoo behoorde ook deze dag weer tot het verleden.

13 September. Een dag van regen en wind, echt herfstweer. 's Avonds kregen wij een extraatje. De commissie van O&O had een declamatie- en concertavond voor het gehele Leidsche garnizoen georganiseerd in de Stadsgehoorzaal. Wij gingen er in marschformatie heen. Er waren meer dan 1500 militairen aanwezig en een orkest speelde pittige marschen en een enkele wals. Ook enige harmonicaspelers kamen op de proppen en vertolkten meesterlijk hun kunst. Daarna driegen de Heer en Mevrouw Clinge Doorenbos eenige gedichten voor, waarop men levendig applaudisseerde. Deze kregen dan ook van den garnizoenscommandant majoor Alofs een fraai bloemstuk. Het was een zeer geslaagde avond en het was over 12 eer wij te ruste gingen.

14 September. Deze dag dient aan de vergetelheid te worden ontrukt, want hoewel wij op zichzelf weinig bijzonders beleefden gebeurde er 's avonds iets dat ons groote stof tot blijdschap gaf. Toen wij n.l. in het militaire tehuis zaten kwam om 8 uur opeens het bericht over de radio dat de periodieke verloven waren ingegaan. Er volgde een daverend hoera. Ik wist zelf wel niet wanneer ik aan de beurt zou zijn, maar het was al heel mooi dat aan al die onzekerheid een einde was gekomen.

15 September. Voor mij persoonlijk weer een blijde dag. Ten eerste was mijn moeder jarig, doch helaas kon ik niet bij het huiselijke feest tegenwoordig zijn, doch ten tweede vernam ik op Zaterdag 16 dezer, dus den volgenden dag met verlof zou gaan tot Maandagavond toe. Om de 14 dagen kregen wij nu 2 dagen verlof. Toen wij 's morgens weer aan het exerceeren waren hielden wij opeens stil voor een brievenbus en de sergeant zeide leukweg "halt, brief posten". Het was n.l. een brief van mij welke ik naar huis had geschreven ter gelegenheid van moeders verjaardag en een kaart waarop een mooie bloem was geteekend door mijn kameraad, een Tilburger met de woorden "Hartelijk gefeliciteerd." De kaart was tevens van een groot aantal handtekeningen van de jongens van mijn kamer voorzien. Een hartelijke geste, nietwaar ?

16 September. Een fraaie, vrij warme en tevens zeer blijde dag. Ik zou met verlof gaan. 's Middags om half vier kreeg ik mijn pasje op het bureau van den kapitein en daar gingen we met tientallen op moeder de vrouw aan. De reis ging aanvankelijk naar wensch, doch te Lisse kreeg de trein pech. Er was n.l. in een der motorwagens een kabel doorgebrand en er ontwikkelde zich een heftige rook. Het euvel bleek niet meer te herstellen en op een sukkelgang ging het op Haarlem aan. Na zeer lang wachten werd de defecte wagen al daar eruit gerangeerd en door een andere vervangen, doch toen was de zaak dan ook oke en ging het met bekwamen spoed op Amsterdam aan. Het Centraalstation was op sommige punten versierd ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan der Ned. Spoorwegen. Hoe gaarne had ik dit feest bijgewoond, doch dit viel nu in het water, want ik mocht er nog zooveel voor gevoeld hebben, doch om er een halve dag van mijn verlof aan te geven voelde ik niets voor.

In Amsterdam behoefde ik niet zoo heel lang te wachten op den stoomtrein naar Bussum. Terloops zij vermeld dat het thans op het Centraalstation een enorme drukte was van verlofgangers. Daar kwam de trein binnen. Ik stapte in en na 20 minuten was Bussum bereikt. Wat deed die plaats mij weer weldadig aan na lange afwezigheid. Ik liep eerst nog even bij mijn oom en tante aan, waar ik een kort bezoek bracht en toen ging ik naar huis. Wat was dat een blijde ontmoeting. Een andere tante uit Amsterdam was ook bij mijn moeder aanwezig en ik had natuurlijk heel wat te vertellen. Na het avondeten ging ik Bussum nog even in, want Zaterdagsavonds is het in het dorp heel druk en gezellig. Daarna keerde ik weer huiswaarts en na nog even over koetjes en kalfjes te hebben gepraat begaf ik mij te ruste, nu in mijn eigen huis en niet op een harde stroozak.

17 September. Een prachtige Zondag en tevens een dag in huiselijken kring. Als alles nu maar zo mooi was als het weer, doch helaas, de oorlog kreeg steeds een uitgebreider karakter. Om 10 u ging ik ter kerke en toen vertelde de dominee dat hedenmorgen om 8 u per radio de tijding was doorgekomen dat de Russische troepen de andere helft van Polen waren binnengedrongen n.l. de Oostelijke en in de Westelijke woedde de oorlog met Duitschland in volle heftigheid. Naast veel blijdschap was er toch ook weer veel wat tot bezorgdheid aanleiding gaf. Na kerktijd hebben wij temidden van familieleden moeders verjaardag nog eens dunnetjes overgedaan. Het was heel gezellig. 's Middags heb ik met mijn oom en tante nog een flinke wandeling naar Naarden gemaakt, natuurlijk in mijn korporaalstenue, want in burger loopen was verboden. Het werd toen zoetjesaan avond en de eerste verlofdag was al weer om.

18 September. Opnieuw een schitterende nazomerdag. 's Morgens ben ik even bij mijn baas aangestapt en heb natuurlijk over het een en ander een boom opgezet. Het verdere gedeelte van den dag werd door mij besteed aan fietstochten door het schoone Bussum, dat er heel wat …der uitziet dan het rommelige Leiden. Toen liep het weer ras op den avond aan en tevens schoof het uur van scheiding al nader en nader. Eindelijk was het helaas weer zoo ver. Moeder pakte mijn mandje en samen gingen we weer naar het station. Ik had behoorlijk het land, dat is te begrijpen. In de stationshal namen we afscheid met een "tot weerziens bij leven en welzijn over 14 dagen". De trein rolde binnen en zat propvol verlofgangers die nu weer naar hun standplaatsen terugkeerden. Het was in den trein weer erg warm.

Te Amsterdam stapte ik weer over in de electrische en evenals de vorige keer duurde het weer enorm lang voordat deze vertrok. In deze trein was het nog warmer dan in den stoomtrein welke ik zoeven had verlaten. Toen de trein zich eindelijk in beweging had gezet ging ik even voor het raampje staan om wat frisse lucht te happen. Ik deed daar heel verkeerd aan, want de volgende dag bemerkte ik dat ik een knappe verkoudheid te pakken had, doch ziek was ik gelukkig niet, hoogstens een beetje aan de hoest en wat er zooal verder bij een verkoudheid behoort. Spoedig was Leiden bereikt. Ik was nogal dorstig en ik kocht een flesch limonade. Daarna kochten we in een klein zaakje een paar warme worstjes en die gingen nog fijn naar binnen. Toen gingen we maar weer op de kooi aan. De straten der stad waren vrijwel uitgestorven, daar het al naar het nachtelijk uur liep.

20 September. Vandaag hebben we een flinke marsch gemaakt bij mooi, zonnig en niet al te warm weer. Onze route was als volgt ! Van Leiden naar Oestgeest, Den Deil (gem. Wassenaar) waar men druk bezig was met het maken van stellingen, Voorschoten (waar een half uur werd gerust) en toen terug over de Vink weer naar Leiden. In Voorschoten kwamen we veel militairen tegen en een ervan riep: "hallo, Bussum" en zoowaar ontmoette ik daar een mij bekende plaatsgenoot. De weg naar De Vink is heel mooi en nogal lommerrijk. Bij De Vink werd weer even gerust en daarna marcheerden wij weer naar ons punt van uitgang terug. Wij waren knap zat, want zulk marschen waren we niet meer gewend en hadden zoiets haast in geen 10 jaar meer gedaan.

23 September. Heden ben ik z.g. korporaal van de week geworden, zooals de dienstterm luidt, evenals er ook een sergeant van de week bestaat. Het is een zeer druk baantje. Als onderscheidingsteeken dragen zowel de sergeant als de korporaal een koppel en bajonet. De gehele week behoeven ze niet met den dienst mee te doen, maar er zijn tal van andere zaken te behartigen. Dit baantje is erfelijk want het wordt Zaterdags van de voorgaande sergeants en korporaals overgenomen met de nodige instructies. De korporaal of liever gezegd korporaals, want wij waren met z'n tweeën beginnen om 5 uur 's morgens al op te staan, hetwelk de sergeant van de week ook moet doen, terwijl het om 6 uur pas reveille is. Het wachten is dan op de broodwagen. Wanneer deze is gearriveerd moeten wij aan de menagemeester welke deze broodwagen convoyeert een z.g. "sterktestaat" afgeven. Dat is een lijst waarop hij kan nagaan hoeveel menschen er brood, kaas, koek enz. nodig hebben. Dit is lang niet alle dagen gelijk. De ene dag zijn er weer meer en dan weer minder mensen met verlof, dan weer zieken enz.

Wij waren tenminste elke avond enige uren zoet met het in elkaar draaien van zoo'n staat. Om half zes wordt het brood verdeeld en om 6 uur moesten wij op 14 kamers de menschen wekken en appèl houden. Dan waren we weer enige uren vrij, doch stonden voortdurend onder contrôle van de sergeant die dan dit en dan dat zaakje voor ons heeft op te knappen. Om 9 uur moeten wij het ziekenrapport halen, d.w.z. niet voor echte zieken, maar voor degenen die zich licht ongesteld voelen. Onder geleide van mij of mijn collega gingen zij dan naar het keuringsgebouw aan de Hooglandsche Kerkgracht waar 2 dokters zitting hielden. Het register werd dan afgegeven aan een "hospik" (hospitaalsoldaat) die het op zijn beurt aan den dokter geeft. Achter de namen der patiënten wordt dan vermeld wat voor dienst ze moeten doen en wat zij mankeeren. Deze affaire duurde tusschenbeide zeer lang, wel anderhalf uur. Als we dan weer in de school terug waren waren de andere jongens al uitgerukt en gingen wij op ons gemak bikken.

Daarna gingen we naar de cantine en kochten een bakkie koffie of thee al dan niet opgeluisterd door een koek. 's Middags moesten we nog wel eens brieven wegbrengen naar het bataljonsbureau hetwelk in hôtel "de Burcht" dichtbij het stadhuis was gevestigd. Bij één dier gelegenheden ontmoette ik een luitenant die ik in 1927 te Ede tijdens de herhalingsoefeningen heb gekend, maar hij herkende mij op zijn beurt niet meer. Het is ook geen wonder, daar zulke officieren duizenden gezichten zien en dan na 12 jaar iemand nog te herkennen, valt ook niet mee. Hij was er dan ook ten zeerste door verrast en was heel amicaal. Tenslotte gaf hij mij een hand met een "tot weerziens, maar liefst niet in de loopgraaf". Dit laatste is helaas wel in vervulling gegaan, doch onze luitenant was er toen niet bij. Het was dan ook heel ergens anders in ons land waar deze tragedie plaatsgreep. Doch om op onze weekdienst terug te komen. 's Avonds moesten we toezicht houden bij het eten uitdelen, opdat alles zo eerlijk mogelijk werd verdeeld.

Na het eten was sterktestaten schrijven. Dit deden wij niet op de kamer maar in de cantine. Wij maakten het ons zoo gezellig mogelijk en aan nattigheid (koffie, thee of limonade) ontbrak het ons niet. Om 10 uur moesten wij met den sergeant weer alle kamers 14 in getal aflopen om appèl te houden. Wee degene die dan zonder geldige reden ontbrak. Zulk een delinquent werd dan onherroepelijk op de bon geslingerd en werd er rapport van opgemaakt. Den volgenden dag moest dan de zondaar bij den kapitein "op het matje komen" om zijn vonnis te vernemen voor zijn euveldaad. Op dezen dag moest ik 's morgens iemand naar het Academisch Ziekenhuis brengen. Wat is dat een geweldig groote inrichting en wat een paviljoens. Deze instelling kan glansrijk de gasthuizen te Amsterdam evenaren wat haar grootte betreft.

25 September. 's Middags om 1 u was het tijd voor middageten. Dit is alleen op Zondag de gewoonte, en wordt er tevens op de binnenplaats appèl gehouden. Er ontbraken er maar liefst 45 ! De sergeant van de week noemde alle namen op en ik moest ze alle noteren. Alle 45 moesten op het bureau komen. Het liep ditmaal nog met een waarschuwing en een flinke uitbrander los. Minder goed verging het echter een sergeant. Wat hij precies had uitgespookt weet ik niet, maar zijn verlof werd ingetrokken en bovendien kreeg hij nog 6 dagen "verzwaard" arrest. Hij kreeg het zo geweldig op zijn zenuwen dat zijn collega's de zaak nog enigszins bij den kapitein hebben bijgeplakt. Het slot van 't liedje was dat de straf aanmerkelijk werd verzacht. Het verlof ging weer door en de straf veranderde in zes dagen licht.

27 September. Heden heb ik 2 foto's laten maken door een plaatsgenoot (Bussum). Ze zijn zeer goed geslaagd. Ik sta erop in het tenue van korporaal van de week (met koppel dus).

30 September. Een zeer fraaie herfstdag na eenige koude en regenachtige dagen. Wij hadden zooals altijd weer een vrijen Zaterdagmiddag en 's avonds ben ik weer eens naar Oestgeest gewandeld en dezelfde dame opgezocht waar ik 3 weken geleden was geweest. Ik werd er weer even vriendelijk ontvangen als de vorige maal. Echter kon ik niet vermoeden dat het de laatste keer zou zijn. 's Avonds beleefde ik een eigenaardige sensatie. Toen ik vlak voor den ingang van de school druk aan de praat was hoorden we opeens:"Komen jullie een hier, kunnen jullie niet groeten ?". Naderbij komend zagen we zowaar dat wij de onvergeefelijke misdaad hadden begaan zoomaar geen acht te slaan op een fourier. Het was echter tamelijk donker en wij konden niet zien of het een man met strepen of een gewoon soldaat was. Hij ging tegen ons tekeer alsof het de kolonel was. Hij zou ons in de gaten houden en als het weer voorkwam kregen wij van hoogstderzelver een stevige "drukkert".

1 October 1939. Een sombere en zeer gure najaarszondag. 's Morgens ben ik naar de Marekerk geweest en heb daar de godsdienstoefening bijgewoond. Het is een fraaie koepelkerk doch niet zoo erg groot. 's Middags heb ik een flink eind gewandeld en tevens de Openbare Leeszaal bezocht. Ik las in de dagbladen echter zulke pessimistische beschouwingen over de politiek dat ik niet beter wist te doen dan maar weer naar buiten te gaan en daar alle opgedane beschouwingen te laten verwaaien en mijn wandeling voort te zetten. Ik stak tevens een lekkere sigaar op en weg waren alle zorgen gelijk met de rookwolken van mijn "saffiaan". 's Avonds heb ik maar weer een flinke wandeling door de stad gemaakt om de dag af te krijgen en ben toen maar weer op het militaire tehuis afgezakt.

2 October. Een mooie herfstdag met frisse wind. Tevens was het voor mij weer een blijde dag. Ik was n.l. weer aan de beurt om met verlof te gaan. 's Morgens hebben we eerst een groote marsch gemaakt. De route ging als volgt: Van Leiden naar Oestgeest, Rijnsburg, Katwijk a/d Rijn naar Katwijk a/d Zee. Onderweg zagen we bij Rijnsburg heel wat luchtdoelartillerie in een weiland staan om als het noodig is vreemde vliegtuigen naar beneden te halen. Katwijk a/d Zee is een aardig dorp met hooge duinen. In de duinen beoefenden wij de velddienst (liggen, kruipen, hollen enz.) een zeer vermoeiend baantje in dit heuvelachtig terrein. Om 11 u zou Z.K.H. Prins Bernhard ons komen bezoeken. Wij hebben echter wel zijn auto gezien maar hem zelf niet. Om 12 u was de dienst voor de verlofgangers ten einde en kon ook ik dus inrukken. Na het schaftuur ging voor de anderen de velddienst weer door. Nu ik gun ze de lol ! Wij wandelden terug naar Katwijk a/d Rijn en pakten daar de electrischen tram die ons naar Leiden bracht. Wij hadden knap dorst en staken nog eens op. Niet bij "Zomerzorg", dat is ons te deftig maar in een café vlak in de buurt dichtbij het station. Wij bestelden limonade en toen wandelden wij naar de school. Feitelijk mochten wij pas om drie uur binnen zijn en het was pas kwart over twee. Om niet al te veel in de gaten te lopen gingen we niet langs de koninklijken weg maar liepen door allerlei sloppen en slurven, totdat wij aan de school kwamen, natuurlijk veel te vroeg, maar de kapitein zat nog in Katwijk dus hadden wij een mazzeltje. Om half vier hadden wij ons verlofpasje te pakken en gingen wij onder geleide van een sergeant naar het station. De trein was mooi op tijd en weldra ging het full-speed op Haarlem aan. In den trein zagen we een zeer zware bui welke wij met groote snelheid tegemoet reden. Toen wij te Haarlem arriveerden ontlastte deze zich in een kort onweer met een geweldige plasregen en hagelslag. Daarna ging het snel op Amsterdam aan. In de z.g. "Rietlanden" stonden lange Roode Kruis treinen, hetgeen een trieste aanblik bood. Te Amsterdam pakte ik een dieseltrein en ik was een uur vroeger aan het station dan de vorige keer. Thuis gekomen omhelsde mijn moeder me weer hartelijk en zoo zat ik dan weer rustig en wel achter de radio in mijn huiskamer.

3 October. Een prachtige herfstdag maar met een snijdende Oostenwind abnormaal koud voor de tijd zelfs. 's Morgens ben ik weer naar mijn baas gestevend en heb daar eenige uren gewerkt om de zaken een beetje op peil te houden.

4 October. Alweer de laatste verlofdag. Ook deze dag heb ik nog eenige uren gewerkt en nog een zakcentje verdiend. Nu die kan men in dienst best gebruiken. 's Avonds deed mijn moeder mij weer uitgeleide tot in de stationshal en na het gebruikelijke afscheid ging ik weer het perron op in afwachting van den trein welke mij weer naar mijn standplaats zou brengen. Ik had natuurlijk weer de smoor in, dat het verlof zoo gauw om was. De trein stoomde binnen en spoedig zaten we alweer in Amsterdam. Het treinverkeer was weer knap in de war. Het duurde weer meer dan een uur voordat de electrische vertrok en toen we dan ook in Leiden aankwamen was het 1 uur. Om half twee waren we pas op de kamer en om half zes was het reveille, zoodat ik 's morgens half geradbraakt opstond als ware ik aan de boemel geweest.

7 October. Alweer een Zaterdagsche wacht kloppen evenals de vorige maal. Het weer was thans guur en regenachtig en ik voelde mij ook niet bepaald prettig. Ik had wat koude gevat en had nogal last van rugpijn, maar enfin de wacht heb ik toch maar waargenomen zoo goed en zoo kwaad als het ging. Nog eenmaal ontmoette ik denzelfden luitenant die ik in "De Burcht" had gesproken. Hij was nu z.g. "officier van piket" en kwam de wacht inspecteren.

8 October. 's Middags had ik een mooi baantje van den kapitein gekregen. Ik moest n.l. met den wachtcommandant van de Morschpoortkazerne een plaatsje voor iemand bespreken in de "petoet". Deze zondaar had het bestaan om van zijn post aan de Hooglandsche Kerkgracht weg te loopen en de wacht aan een ander over te doen zonder daar den wachtcommandant hiervan in kennis te stellen. Een zeer strafbaar feit !

9 October. Vanmorgen ben ik op ziekenrapport geweest. De dokter gaf me een paar poeders voor de rugpijn die dan ook goed geholpen hebben. Ik moest echter toch met den dienst meedoen d.w.z. naar Katwijk wandelen, vlak naast de deur. De andere troep was al vooruitgemarcheerd. Er liep ook een met mij mee die beweerde veel last van zijn voet te hebben. Of het smoesjes waren weet ik niet, maar hij keerde halverwege alleen weer terug, meldde zich ziek ten tweeden male bij den dokter en kreeg een recept waarop geen Latijn maar klinkklaar zuiver Hollandsch stond "goed voor … dagen streng arrest". De dokter had hem wat men noemt "door".

10 October. Een intens gure en aanvankelijk regenachtige dag. Weer moesten wij naar Katwijk marcheren voor het houden van schietoefeningen in de duinen. Buiten Oestgeest werd het gelukkig droog, maar het bleef koud, doch onder het loopen merkte men daar weinig van. Toen we echter eenmaal in Katwijk waren vonden wij het echter zeer koud, ook al doordat wij opeens stil stonden. Ik maakte geen slechte beurt met het schieten. Ik had in totaal 44 punten en 50 is het hoogste. Daarna gingen we voor de aardigheid maar weer eens exerceren om warm te blijven. Vervolgens werd weer den terugtocht aanvaard. Het was tevens de laatste keer dat wij Katwijk zagen. Wij kwamen er niet meer. Onder Leiden voegde het muziekkorps van het 10e zich bij ons, maar daar ik nogal achteraan liep hoorde ik maar weinig van de muziek. Wel weet ik dat er o.a. 2 bekende marschen bij waren n.l. "de huldigingsmarsch van Walter Boer" en de "Stadionmarsch" van Schootenmeijer.

13 October. Deze dag moest ik een half wachtje kloppen, omdat ik Zondag j.l. de wacht wegens licht ongesteldheid niet geheel had afgemaakt. Ik had vooraf den geheelen middag vrijaf van 12 – 6 uur. In deze gunst deelen alleen de korporaals. De andere gewone soldaten moeten ook al gaan zij op wacht met den dienst meedoen. Het was prachtig weer en ik ben toen in mijn eentje de stad nog eens ingewandeld en o.a. een pond druiven gekocht. Verder bezocht ik o.a. nog de "Hema" een groot warenhuis, waar ik een ons chocolaatjes kocht alsmede een paar riempjes voor mijn mandje.

14 October. Een stormachtige en regenachtige dag. De bladeren vliegen van de boomen en de winter nadert met rassche schreden. Wij vernamen tevens het nieuws dat wij den langsten tijd in Leiden hadden gezeten. Nu, daar kon ik slechts over treuren. Ik was het meer dan zat. Er gingen geruchten dat wij van het depôt naar het veldleger zouden worden overgeplaatst en wel ergens in de provincie Utrecht. Men spreekt van Maarn, doch zekerheid hieromtrent konden wij niet verkrijgen.

15 October. De laatste Zondag welke wij in Leiden zouden doorbrengen. Ik zat met de vraag: "Wat moet er nu van mijn verlof terechtkomen als we worden overgeplaatst". Op 16 dezer, dus morgen, zou het mijn beurt weer zijn, maar dat zou in dit geval niet gaan. Ik zou nog eenmaal in Leiden ter kerke gaan. Ik had maar weer het plan opgevat om naar de Hooglandsche Kerk te gaan. Daar het nog veel te vroeg was heb ik eerst nog eens een ochtendwandeling door de stad gemaakt. De storm was geheel bedaard en het weer was vrij goed en zacht. Na kerktijd begon het weer zeer te verslechteren. Het regende geducht zoodat ik heelemaal niet meer van de kamer af kon. Wij doodden onze tijd maar met lezen. 's Avonds was het droog en ging toen naar het militaire tehuis voor het laatst.

Ik was net onderweg toen een geweldige stortbui losbrak, maar mijn militaire goed kon er tegen. Bij het militaire tehuis gekomen zag ik dat de zaak nog dicht zat. Daar stond ik nu in den regen, maar gelukkig vond ik een schuilplaats onder een soort viaduct. In de verte weerlichtte het, zoodat er ook al kans op onweer bestond. Er stonden ook nog eenige kameraden te schuilen. Eindelijk werd het weer droog en hebben nog een straatje omgeloopen, totdat het half uur om was. Toen was het tehuis open en heb ik er nog een gezellige avond doorgebracht. Ik heb nog een lange brief naar huis geschreven over de a.s. verhuizing. Tegen het einde heb ik nog een hartelijk afscheid van den vader en moeder genomen en bedankt voor de gezellige avonden die ik gedurenden al die weken heb gehad. Toen ik weer buiten was begon het opnieuw te gieten en er barstte tevens een onweer los.

16 October. Een gewichtige dag voor ons allen. Wij moesten 's middags naar het Schuttersveld marcheeren om z.g. te worden afgepresenteerd voor den bataljonscommandant, majoor Alofs. Tevens werden wij op het schoolplein grondig geïnspecteerd. Wij hadden een geweldige vracht op onzen rug te sjouwen o.a. ook een deken op den ransel. Wij kregen 3 blikjes noodrantsoen, bestaande uit harde kaken (scheepsbeschuit) en gehakt, een verbandpakje en oorlogszakboekje. Alles bij elkaar woog het zaakje 45 KG. De riemen knepen geweldig en ik had knap pijn in mijn schouder. De parade duurde op het Schuttersveld zeer lang en ondertusschen stonden wij maar stil met dat zware vrachtje. Toen kregen wij een klein toespraakje van den majoor en hiermede was de plechtigheid afgeloopen. Toen wij weer op het schoolplein terug waren zeide de kapitein ons dat wij reeds om half vier moesten opstaan, daar de trein zeer vroeg vertrok ! Deze laatste avond kenmerkte zich door een geweldige herrie op alle kamers. Er werd gezongen, geschreeuwd, gehost enz. Er waren er vanzelfsprekend ook bij die een flink stuk in hun kraag hadden. Van slapen kwam zodoende heel weinig.

17 October. Daar sloeg het tijdstip van reveille, half vier. Ik voelde mij vanzelfsprekend weinig frisch. Om 5 uur verzamelden wij ons voor het laatst op het plein, zwaar gepakt en gezakt. Het was nog stikdonker en ijskoud. Het had trouwens vrij stevig gevroren en alles wees opeen fraaie dag. Nu dat konden wij hebben. Eindelijk trokken wij dan om ca 6 uur gelijktijdig met grootste gedeelte van Leiden's depôttroepen op het station aan. Het was inmiddels dag geworden. Nog eenmaal zagen wij de stad, maar er was nog weinig publiek op de been. De meeste menschen lagen nog te pitten. Toen wij bij het station aankwamen was het een geweldige drukte. Wij slingerden onze centenaarslast af en wachtten op de dingen die komen zouden. Het duurde meer dan 3 kwartier voordat wij eindelijk op het perron waren. De trein stond al kant en klaar en wij namen er meteen plaats in. Het duurde toch nog een half uur voordat de trein zich in beweging zette. De reis ging langs Alfen a/d Rijn, Bodegraven, Woerden op Utrecht aan. De weilanden zagen geheel wit van de nachtvorst. Af en toe stopte de trein nog al eens voor een onveilig signaal daar het een extra ingelegde trein was. Eindelijk stoomden wij Utrecht binnen.

Na een kort oponthoud ging het langs Bunnik, Driebergen en toen stopte onze trein zoowaar in Maarn. We moesten allen uitstappen. Eenige officieren en onderofficieren hadden ons tot hiertoe begeleid vanaf Leiden. Nu, het was een hele rit hoor ! Wat zagen de bosschen er schitterend uit vlak bij het station. Het was één en al herfstgoud. Het verschil tusschen de aankomst in Leiden en Maarn was wel enorm. Eerstgenoemde een drukke en rommelige stad en laatstgenoemde een stil dorp, maar rijk aan natuurschoon. Dat zou nu onze standplaats worden. Wij marcheerden met onze geweldig zware uitrusting door de lanen met statige boomen en zagen opeens een lange file van militaire vrachtauto's aan de kant van den weg staan. Hier hielden wij halt. Wat zullen we nu beleven dacht ik. Gaat het verderop ? Wij moesten althans in deze auto's plaatsnemen. Het geleek wel of het naar het front moest. De heele zaak werd ingeladen en daar ging het op een vaartje in Oostelijke richting. Het weer was hoewel zeer fris in een woord prachtig. Wat een natuurschoon. Het ging door Woudenberg en verder naar de richting Ede toe.

Plotseling stopten eenige wagens in het dorp Scherpenzeel vlak voor een hôtel "de Horlenvoet" geheeten. Het dorp is een onaanzienlijk gat, een echte negerij, maar het stille en landelijke deed mij niet onaardig aan. Het was eens weer wat anders. De rest van de autotrein vertrok naar Veenendaal waar het restant der manschappen bleef. Een sergeant gaf mij opdracht om met een groep af te marcheeren naar een slagerij van de Heer Eikelhof. Daar was n.l. het militaire bureau van 3-II-15 R 1 gevestigd. Wij waren dus bij het 15e reg. Infanterie ingedeeld, hoewel wij toch tot het 10e behoorden. Klaarblijkelijk was er een abuis in het spel, zoals de majoor Gerlach zeide, maar enfin zeide hij laat het maar zoo. Van hoe een ontzaggelijke beteekenis deze oogenschijnlijk kleine vergissing is geweest, daarover later. Het heeft ons leven gered. Wij zaten nu te midden van de z.g. "Grebbelinie", een waterlinie welke zich uitstrekt van Woudenberg tot en met Rhenen.

Toen wij bij de slagerij waren aangekomen gingen wij een steeg in en bleven uren lang fijn in de zon zitten. Wij kregen heerlijke versche kuch en koffie, hetgeen ons best smaakte na zulk een lange reis. Wij konden tevens nog eens echt uitrusten van de vermoeiende reis. Onderwijl werden wij een voor een op het bureau geroepen bij een sergeant. Het eerste wat hij vroeg was:"Wanneer ben je met verlof geweest ?" Ik dacht "dat gaat goed" en antwoordde prompt: "2 October". Nu hij vond het hoog tijd dat ik weer aan de beurt kwam en ik moest de beslissing van den kapitein afwachten. Nu moest er voor ons nog een plaats worden uitgezocht waar wij konden slapen. Wij moesten in een kleine boerderij boven op zolder.
Toen ik goed en wel was geïnstalleerd kwam een sergeant mij vertellen dat ik weer moest opbreken naar een andere boerderij, een halve kilometer verder. Daar liep ik dus weer met die geweldig zware vracht van de eene kant van het dorp naar de andere. Ik was hierover niet bijster te spreken, maar het moest nu eenmaal. Ik kwam nu op een heel groote zolder terecht. Wat een ongewone gewaarwording voor mij. Zooiets ben ik helemaal niet gewend. Beneden stonden koeien en paarden. Vooral de paarden maakten nogal wat leven, zoodat ik iedere keer wakker werd. Ik liep 's nachts naar een kameraad toe, maakte hem wakker en vroeg "Er is beneden toch geen brand uitgebroken, omdat die paarden zoo'n herrie maakten ?" "Welnee" zeide hij, dat doen ze altijd. Het was dus blijkbaar iets heel gewoons maar niettemin knap lastig.

18 October. Een zeer sombere en gure dag met af en toe een miezerig motregentje. Na het ontbijt was het appèl voor het bureau. Een sergeant leest alle namen op en brengt dan rapport uit of alle manschappen al dan niet aanwezig zijn aan den kapitein of luitenant. Toen moesten wij een half uur marcheeren naar Woudenberg. Wij gingen naar een weiland vlak achter het station. Men is daar druk bezig met het maken van stellingen. Dit zijn een soort kleine fortificaties, waarin een z.g. "mitrailleurnest" wordt gemaakt, alsmede openingen om de geweren in te leggen. Verder lignissen om in tijd van oorlog in te slapen. Onderstaand doe ik ter verduidelijking een teekening hierbij:

Onder dezen dijken bevinden zich dus de lignissen. De dijken zijn natuurlijk versterkt door houten schotten. Wij hadden toen ook een stelling voor onze rekening genomen.

Deze was bij mijn aankomst in de nieuwe standplaats half voltooid. Wij gingen druk aan het zand kruien, plaggensteken om de dijk van graszoden te voorzien, opdat deze zooveel mogelijk aan het oog van den vijand zou worden onttrokken.

Onderwijl kwam een ordonnans aan eenige nieuw aangekomen kameraden, waaronder ook ik, het heugelijke nieuws brengen dat wij hedenmiddag met verlof konden gaan.

Wat een vreugde ! Om 12 uur was het schafttijd. Wij gingen naar een boerenschuur vlak in de buurt en aten daar onze boterhammen op. Om half een kon ik naar Scherpenzeel gaan om mij te wasschen en op te knappen. Wij voelden er weinig voor om drie kwartier te loopen. Wij hielden een militaire vrachtauto aan en spoedig waren wij weer op de kamer. Om 3 uur zijn wij, een kameraad en ik op ons gemak naar het station gewandeld. Het is een lange eentonige weg.

Na eenig wachtten stoomde de trein binnen en daar ging het over Amersfoort, Baarn, Hilversum en toen was Bussum al bereikt, een heel wat kortere reis dan vanaf Leiden. Thuisgekomen ontmoette ik bij mijn moeder een ander familielid welke ik sinds de mobilisatietijd nog niet had ontmoet, n.l. een tante uit Vreeland. Ik had natuurlijk vanzelfsprekend heel wat te vertellen.

19 en 20 October. Beide dagen weer bij mijn baas gewerkt en nog wat verdiend. De volgende dagen gaven steeds dezelfde werkzaamheden aan de stelling, hetgeen op den duur wel erg eentonig begon te worden. Alleen was er een kleine variatie. Op Zaterdag werd er n.l. niet aan de stelling gewerkt, doch werd deze dag besteed om te marschen. Nu, dat mocht ik wel. Bovendien was het dan tevens baden in Ede, daar hier geen badhuis bestond.

21 October. Een prachtige herfstdag. Eerst zijn wij met vrachtwagens naar Ede vervoerd. Hier was ik in geen 10 jaar geweest sinds de laatste herhalingoefeningen. Er is veel aan huizen en barakken bijgebouwd, doch ook veel hetzelfde gebleven. Na het baden mochten wij een halfuur naar de cantine, een groot ruim gebouw. Er was geen een soldaat in de kazernes te zien, allen waren naar het Veldleger gedirigeerd. Daarna hebben wij de terugtocht aanvaard te voet langs den Stationsweg, mij meer dan overbekend en verder over de Klomp naar Renswoude en weer naar Scherpenzeel. Het was een heele marsch, 16KM, maar enfin, het weer was fraai en de stemming uitstekend onder de troepen. De kapitein had ik leeren kennen als een bezadigd en amicaal persoon, heel wat anders dan die uit Leiden. Onderweg werd in een café nog even gepauzeerd om ons brood te nuttigen, en daarna ging het weer voorwaarts. Toen we eindelijk de marsch hadden volbracht waren we knap moe, maar wij waren tevens vrij en behoefden niets meer te doen.

's Avonds ben ik naar het Chr. Militair tehuis geweest. Het gebouwtje bevindt zich achter de Ned. Herv. Kerk, een groot gebouw en daterend uit 1200. Ik maakte opnieuw kennis met den eigenaar en spoedig zaten wij er gezellig bijeen. Het gebouw kan echter bij lange na niet wedijveren met het groote en mooie militaire tehuis te Leiden. Er was ook geen mooie tuin en ook geen water of zoiets van dien aard, maar het neemt toch niet weg dat ik er den geheelen diensttijd zeer aangenaam heb doorgebracht.

22 October. 's Morgen en 's avonds ben ik ter kerke geweest, doch niet in het kerkgebouw zelf, maar in de z.g. "nieuwe eierhal", daar men nog bezig was het kerkgebouw te restaureeren. Overigens valt hier weinig te beleven en ben ik maar meest op de kamer gebleven.

25 October. Weer een kleine variatie in ons eentonig bestaan. Toen wij 's middags druk bezig waren met het werken aan de stelling zagen wij opeens brand op ongeveer 300M afstand. Wij staakten onmiddellijk ons werk en gingen er heen. Naderbij gekomen zagen wij dat er 2 hooischuren in de brand stonden, doch de brandweer was reeds druk in actie en behoefden wij geen assistentie te verleenen.

26 October. Een kleine variatie n.l. 's morgens een voetbalwedstrijd gehad, doch 's middags weer werken aan de stelling.

28 October. Zaterdag. Weer marschdag ! Helaas lokte het weer weinig uit. Het was zeer koud en regenachtig en bovendien stond er een stijve N.O. bries. Evenwel ging de marsch toch door. Ditmaal ging de tocht over Woudenberg, Maarn en Maarsbergen en weer langs een anderen weg terug. Het was allesbehalve aangenaam in dit slechte weer te loopen. Te Maarsbergen hadden wij "de groote rust". Wij gingen naar het Chr. Militair Tehuis en bestelden daar koffie, koek enz. Ondanks het minder fraaie weer was de kapitein toch best te spreken, hetgeen zich manifesteerde in het feit dat hij ons allen op sigaren tracteerde. In Woudenberg werd in ons schaftlokaaltje (boerenschuur) nog weer even gepauzeerd, doch toen ging het maar weer verder in den regen op Scherpenzeel aan.

29 October. Een prachtige Zondag, maar knap koud. Op de kamer begonnen wij dit al terdege te merken, want er brandde nog geen kachel. Bovendien deden wij 's nachts de zeer onaangename ervaring op van een ratteninvasie. Daar moest een stokje voor gestoken worden. Wij schaften een groote val aan, deden er een stuk spek in en meer dan eens zat er dan 's morgens zoo'n knaap gevangen. Ik zal U maar een verdere beschrijving besparen over hetgeen de jongens verder met dit dier deden. Niet veel goeds dat verzeker ik U. 's Middags heb ik een groote wandeling gemaakt in de richting Barneveld, maar er kwam aan dien weg die uiterst monotoon was geen einde en ben toen maar weer teruggekeerd. Ja geachte lezer de Zondagen zijn in dienst zeer taai en zij kruipen om.

30 October. Bij uitzondering nu eens geen werken aan de stelling, maar velddienst. Onder begunstiging van fraai, maar zeer koud weer, het had n.l. hard gevroren, hebben wij een marsch gemaakt naar Achterveld, een gehucht in de buurt van Barneveld en daar den Velddienst beoefend bestaande in het uitzetten op de hoeken van landwegen en patrouilles vooruitsturen om het terrein te verkennen. Om 12 u was de oefening afgelopen en hebben wij langs den kant van den weg gegeten. Daarna zijn we weer op huis aangestevend. De bosschen prijkten nog steeds in schoone herfsttooi.

31 October. Weer een fraaie dag, doch tevens voor mij weer een goede dag bovendien. Ik zou weer met verlof gaan. Om half twee waren voor mij de werkzaamheden aan de stelling al weer ten einde en kon ik dus weer inrukken. Ditmaal moest ik loopen, daar ik er niet in geslaagd was een vrachtwagen op de kop te tikken, maar toen ik weer naar het station ging trof ik het beter. Een met paarden bespannen wagen nam eenige menschen, waaronder ook ik mee en zoo waren wij er gauw.

1 en 2 November 1939. Beide dagen te Bussum bij mijn patroon gewerkt.

4 November. Deze dag werd er weliswaar gebaad, maar niet gemarscht. Het weer was opnieuw kil en regenachtig. Wij zijn nu naar en van Ede per vrachtauto gegaan. 's Middags hebben wij nog wat geexerceerd en daarna was het uit. Ik was hier tevens aan de beurt gekomen als korporaal van de week, doch de drukte hieraan verbonden was lang niet zoo groot als te Leiden het gaval was geweest. Ik moest hier wel met den dienst meedoen, maar mocht reeds om half drie eindigen, daar ik met het ziekenrapport om half vijf aan het kantonnementsziekenhuis op den weg naar Scherpenzeel moest zijn. Verder waren bijna alle avonden bezet. Ik moest op elk kwartier stamkaarten inzamelen want die had de sergeant-majoor om een of andere reden noodig, terwijl ik 's avonds om 10 uur overal appèl moest houden en dan rapport uitbrengen aan den sergeant van de week.

5 November. Een sombere, maar niet bepaald koude Zondag. 's Morgens en 's avonds ben ik op de gewone wijze te kerke gegaan. 's Middags heb ik met een andere korporaal, een Rotterdammer een flinke wandeling gemaakt naar Renswoude. Er was overigens in de natuur van weinig schoons meer te genieten. De boomen waren bijna kaal. Op den terugweg begon opeens de wind op te steken en viel er eenige regen.

9 November. Er is iets heel ernstigs gebeurd waarvan wij allen diep onder de indruk zijn gekomen. Zoomaar ineens overkwam het ons. Toen wij zouden aantreden voor het appèl werd er bekend gemaakt dat ……… het verlof voor onbepaalden tijd was ingetrokken. Dat is geen zuivere koffie dachten wij. Er was n.l. iets aan de hand, iets heel lelijks. Wat het was laat zich wel raden. Wat was ik erg verdrietig. Wij gingen echter gewoon aan ons werk aan de stelling, doch het was opvallend dat de werkzaamheden met een uur werden verlengd. 's Avonds moest ik overal informeeren of ieder een mitrailleurtrommel en patronen had. Wat wij verder te zien kregen was weinig geschikt om er den moed in te houden. Den ganschen avond en nacht daverden de militaire vrachtauto's door het dorp. De wacht die gewoonlijk naar de Potbrug nabij het station elken avond uitrukte met 8 a 9 man onder leiding van een sergeant, rukte nu uit met 40 man onder leiding van een luitenant, welke officier tevens nog een revolver droeg. Het afweergeschut werd eveneens geplaatst, kortom het was een sterk verhoogde paraatheid en de situatie was zeer alarmeerend.

10 November. Een extra zware dienst doch niet zoozeer voor mijzelf, daar ik zooals gezegd in de weekdienst zat en om half drie kon eindigen. Wij moesten 's morgens omhangen met een vrachtje van 45KG, dus met den deken op den ransel evenals toen wij uit Leiden kwamen. Ditmaal moest de deken echter hoogstwaarschijnlijk dienst doen om als het moest in de stelling te slapen. Een precaire situatie, nietwaar lezer ? Bij het station Woudenberg kwam een extra trein met werklooze burgers aan om ons te helpen aan de stellingen. Wat een toestand. Wat had ik het slecht en meerderen onder ons tot zelfs een luitenant toe. Er gebeurde echter die dag weer niets bijzonders en alles verliep kalm.

11 November. Zaterdag, maar geen marschdag hoor, o neen ! Werken aan de stelling, en ook ik moest thans met de anderen den dag volmaken. De spanning neemt toe. Een ordonnans komt ons vertellen dat wij alle particuliere bezittingen moesten inpakken en dat deze misschien per vrachtauto naar de stellingen zouden worden gebracht. Weer moesten wij met het zware vrachtje op onzen nek sjouwen. De vaandrig deed ons teven de troostvolle mededeling dat wij misschien niet weer te Scherpenzeel zouden terugkeren want, en daar kwam het hooge woord…het zou wel eens oorlog kunnen worden. Ik was kapot. Wat dacht ik aan huis en aan mijn moeder, misschien zou ik haar niet meer terugzien. Echter ging ook deze dag om zonder wederwaardigheden. Tot onze verwondering keerden wij naar Scherpenzeel terug. Het begon wel flink te regenen, maar wat kon het ons schelen, wij waren al blij dat wij er tenminste deze dag weer zonder kleerscheuren hadden afgebracht. 's Avonds ben ik maar weer op de gewone wijze naar het militair tehuis gegaan.

12 November. Een dag van groote droefheid die echter later in blijdschap verkeerde. 's Morgens komen er nieuwe instructies binnen: "particuliere bezittingen worden met de vrachtwagens weggehaald". Wij zouden niet meer terugkomen. In Woudenberg zou een kwartier voor ons in orde worden gemaakt, daar de stellingen nog niet klaar waren. 's Nachts was ik al geschrokken, daar de kettingen waaraan het vee in de stal vastzaten zoo rammelden. Ik dacht "Wat gaat die boer doen, zijn vee losmaken opdat de dieren geëvacueerd worden ?" Dit zou n.l. het geval moeten zijn wanneer de waterlinie in werking zou komen en al het land zou overstroomd worden, maar het vee was er 's morgens nog. Het bleek dus loos alarm te zijn, doch het vervelendste was nu dat wij op Zondag moesten werken. Wat waren er alarmerende berichten in omloop. Men was n.l. op het punt om in Arhem en Nijmegen de bruggen op te blazen en om 12 uur zou over het geheele land het verkeer worden stopgezet. Wat was de stand van de waterlinie nu opeens hoog geworden. Alles was naargeestig. Wij zeiden geen woord. Ook het weer was zeer somber zooals dit in November het geval kan zijn.

Zoo verliep aldus een groot deel van de morgen, terwijl mijn verdriet het toppunt had bereikt. Daar komt om kwart voor 12 opeens het bericht: "Werkzaamheden staken, omhangen en Zondag houden". Wij wisten gewoon niet hoe wij het hadden. Wat een ontspanning ! Zooiets kon ik niet verwerken en kreeg het opeens te kwaad met mijzelf. Wij gingen dus terug naar de kamer. Bij het station ging de kapitein en de luitenant even familiair met ons om alsof zij zelf doodgewone soldaten waren. Wij gingen echter zingend met onze vracht van 45KG en ingetrokken verlof op Scherpenzeel aan. Toen wij op de kamer waren vernamen wij de blijde tijding dat wij al onze spullen weer konden terughalen bij de kerk. 's Middags ben ik rustig op de kamer gebleven en 's avonds ben ik na kerktijd naar het militair tehuis gegaan. De majoor-veldprediker hield een ontroerende predicatie over "Deze vermelden van wagenen en gene van paarden, maar wij zullen vermelden den Naam des Heeren onzes Gods." Vervolgens werd nog Psalm 93 voorgelezen, waarin o.a. staat "de rivieren bruisen". Nu dat is dan ook wel bewaarheid, doch de wateren zijn ook weer tot stilstand gekomen.

Als God het niet wil zal ons geen kwaad genaken, beseften wij dit maar meer. Tenslotte zij nog vermeld dat ik 's middags direct mijn moeder had gebeld om haar het blijde nieuws te vertellen, maar o, wonder de burgerij bleek weinig van den stand van zaken op den hoogte te zijn geweest. De volgende dagen werd ons tenue steeds lichter, totdat wij weer alleen zoals altijd met koppel en broodzak uitrukten, doch de verloven lieten nog steeds op zich wachten.

16 November. Een regenachtige dag. 's Avonds moest ik mijn eerste wachtje kloppen als korporaal van aflossing aan de Potbrug bij de Grebbelinie. Wij hadden een aardige wachtcommandant en hebben die 24 uur gezellig doorgebracht.

17 November. Een fraaie herfstdag en niet al te koud. 's Morgens kwam een heel leger burgers zich bij de wacht melden om hun kaartjes te laten knippen. Dit waren menschen die aan de stellingen werkten. De vaandrig belastte zich met deze knippartij en had er druk werk mee. Overdag hebben we gezongen dat het een lust was. 's Avonds beleefden we nog iets minder fraais. Er werden n.l. aan de stellingen diverse zaken vermist zooals hout, spijkers, zagen enz. Deze moesten dus "achterovergedrukt" (gestolen) zijn. 's Avonds moesten deze burgers zich opnieuw aanmelden, doch de militaire politie had eveneens post gevat. Ieder werd gefouilleerd en zoowaar zag ik dat bij een der burgers een knijptang voor den dag kwam en bij een ander twee groote stukken hout. Deze laatste was zelfs zoo dom om de stukken hout netjes op zijn bagagedrager van de fiets te binden. Die vloog dus meteen tegen de lamp. Beide werden dan ook meteen op de bon gezet.

19 November. Hevig stormweer met regenvlagen. Een allesbehalve fraaie Zondag. 's Morgens hoorden wij juist door de radio dat het stoomschip "Simon Bolivar" op een mijn was gelopen en vergaan. Om 10 uur ben ik naar de kerk gegaan. Na kerktijd ben ik naar het militair tehuis geweest en daar koffie gedronken met gratis koek. Dit schijn Zondag de gewoonte te zijn. Tevens kwamen er twee kleine lichtpunten in de duisternis n.l. het verlof. Ten eerste ging de bewegingsvrijheid weer door, d.w.z. men mocht zich 10KM buiten het kantonnement begeven en ten tweede werd per radio bekend gemaakt dat de verloven in Belgie welke ook sinds 9 November hadden stopgestaan weer doorgingen. Bij ons lieten ze echter nog op zich wachten. Om 7 uur ben ik per autobus naar een kennis in Woudenberg gegaan en was om 10 uur weer terug. Het is toch altijd nog heel wat gezelliger dan op die nare kamer te zitten.

20 November. Ik zat 's morgens nog maar steeds te piekeren over het verlof. Wat was het al lang geleden sinds ik thuis was geweest, haast al 3 weken, doch opeens komt om kwart voor een de verblijdende tijding door de radio dat de verloven in Holland ook weer waren doorgegaan. Deze tijding werd met een luid hoera begroet.

22 November. Een vrij mooie dag, doch zeer koud. Het heeft hard gevroren en de natuur zag er sprookjesachtig uit tengevolge van de mist welke 's nachts had gehangen en aan de bomen en hakken was bevroren. Het viel niet mee om een schop in den grond te krijgen en de plaggen leken wel tegels.

23 November. Vanmorgen had ik een onaangenaam incident op de kamer. Een der kameraden beleedigde mij op zeer grove wijze, zonder enig motief. Zoiets kan in het militaire leven niet worden geduld. Ik heb hem gewaarschuwd en gezegd dat indien zulks weer voorkwam ik er rapport van zou opmaken.

24 November. Een miezerige regenachtige dag. Den ganschen dag viel een gestage motregen. 's Morgens begon dezelfde persoon opnieuw met zijn scheldpartijen en toen heb ik de knoop doorgehakt en ook mede op aanraden van de overige kameraden rapport van het geval opgemaakt. Dit rapport schreef ik na afloop van den dienst. Met het ook op de ongunstge weersgesteldheid was ons werk aan de stelling al vroeg afgelopen en waren wij om ca 1 uur al weer op de kamer. Ik moest het rapport bij den kapitein brengen en het nog nader toelichten. Het moest echt in ambtelijke stijl worden opgemaakt, precies een procesverbaal van de politie. Ik moest mijn handtekening plaatsen en toen was voor mij de zaak af. Een half uur later moest de zondaar echter op het matje komen. Hij kreeg 2 dagen verzwaard en er zat tevens nog een halve dag verlof in. Toen hij terug kwam op de kamer keek hij wel leelijk, maar hij zei niets. Ik vertrouwde dit eerlijk gezegd niet erg en dacht dat hij op wraak zat te zinnen. Het viel echter later mee en de verhouding werd er gelukkig niet minder op.

Ik ging diezelfden middag met verlof, terwijl hij "pertoetwaarts" ging. Ik nam maar een autobus naar het station voor het luttele bedrag van een dubbeltje, want daarvoor laat men zich toch niet natregenen. Ik had thuis natuurlijk heel wat te vertellen over de onaangename ervaringen die wij allen hadden opgedaan.

25 November. Vandaag weer eens bij mijn baas gewerkt, maar daar het Zaterdag was, was ik al betrekkelijk vroeg klaar. Ik had nog een mooie Zaterdagavond en ben nog gaan winkelen in het drukke Bussum. Wat een verschil bij het doode plaatsje Scherpenzeel.

26 November. Zondag. Een zeer onstuimige dag. De storm giert en af en toe valt de regen in stroomen neer, maar enfin ik beleefde nu weer eens een Zondag in huiselijke kring. Alleen was het jammer dat het alweer de laatste verlofdag was, want 's avonds moest ik weer weg. 's Middags ben ik in een stortregen naar de Majellastichting geweest om den schoonvader van mijn broer te bezoeken. Deze lag met een geblesseerd been dat hij eenige jaren geleden had opgelopen bij een verkeersongeval en dat nog moeilijk wilde genezen. Ik heb daar een half uur doorgebracht. Toen ik eruit kwam was het droog. De wind was gaan liggen en het weer knapte op. Bij heldere maneschijn ben ik 's avonds dan ook weer vertrokken.

Maandag 27 November. De vaandrig zou met verlof gaan en liet voor mij allerlei instructies na omtrent het werk aan de stelling, want den volgenden dag zouden hulp krijgen van manschappen van 20 R 1 uit Soesterberg. Het weer begon echter opnieuw zeer te verslechteren. Om 11 uur moesten wij er onverbiddelijk uitscheiden want het regende pijpenstelen. Tot half een hebben wij in de schuur gezeten en brood om 12 u genuttigd en zijn toen maar weer naar de kamer gegaan.

28 November. Aanvankelijk fraai weer na een licht nachtvorstje. Daarna werd het donker en winderig weer. Bovendien was het doordringend guur. Heden zijn de manschappen van het 20e komen opdagen onder aanvoering van een ouden adjudant-onderofficier van 65 jaar, met een groote snor. Hij zag er wel wat stuursch uit, maar bij nadere kennismaking bleek het een aardige gemoedelijke baas te zijn. Ze hadden mij natuurlijk van alles te vragen, doch de heele zaak verliep naar wensch.

4 December 1939. Weer een goede dag voor mij. Ik zou met St. Nicolaasverlof gaan en hoefde pas op Donderdagmorgen 7 December voor 12 u terug te zijn. Wat een buitenkansje, doch de schaduwzijde was dat wij dan Kerstmis en Nieuwjaar verspeelden. Maar enfin, men kon tegen dien tijd nooit weten hoe dan de situatie wel zou zijn. Als dan soms weer eens het verlof zou worden ingetrokken hadden wij die dagen tenminste al weer in de wacht gesleept.

5 en 6 December. Beide dagen zooals gewoonlijk gewerkt, doch alleen de middag van de 5e mocht ik met het ook op St. Nicolaas voor mijzelf behouden. Wij zijn samen, mijn moeder en ik nog eens gezellig aan het winkelen geweest. Ditmaal was ik in civiel. Dat is nu toegestaan tijdens het verlof. 's Avonds hebben wij gezellig St. Nicolaas gevierd.

7 December. Ik was al heel erg vroeg op en tegen haf acht zou de trein alweer vertrekken. Het had licht gevroren en het beloofde een mooie dag. Nadat ik afscheid van moeder had genomen ging ik op het station aan. Ik ontmoette nog weinig menschen en onder die weinigen behoorde ook een surveilleerende politieagent waarmee ik een praatje maakte en die met mij opliep tot het station. De trein stoomde binnen en zonder verdere wederwaardigheden bereikte ik Woudenberg waar natuurlijk nog meer soldaten uitstapten die er hun verlof hadden opzitten. Het was schitterend weer en ik liep op mijn gemak den langen weg af naar Scherpenzeel. Onderweg kwam ik de troep tegen onder aanvoering van een onzer luitenants. Ze waren alweer op weg naar de stelling. Op de kamer gekomen zijnde vernam ik dat om 11 uur H. M. de Koningin onze stellingen zou komen inspecteren. Wat klinkt dat antiek hè ?

Ja menschen, dat was nog in den goeden ouden tijd toen wij nog een koningin hadden. Tegen tien uur ben ik op mijn eentje naar de stelling gewandeld. Om ca 12 uur zagen wij de koninklijke trein arriveren en even later de hofauto's rijden, maar wij hebben Hare Majesteit niet persoonlijk ontmoet. Een bezoek Harerzijds zouden wij anders wel zeer op prijs hebben gesteld. Er ging dien dag tevens een kameraad van onze kamer weg wegens overplaatsing naar den motordienst te Haarlem. Ik had er een beste makker aan gehad en tot slot liet hij een blikje met visch voor mij achter met een zeer hartelijk briefje erbij.

10 December. Een naargeestige regenachtige dag, maar vrij zacht. 's Avonds ben ik weer naar denzelfden kennis te Woudenberg geweest en aldaar en daar dien taaien Zondag nog tot een gezellig einde gebracht.

12 December. Donker en zeer koud weer met een temperatuur om het vriespunt. Vandaag hebben wij een groote marsch gemaakt en hebben dezelfde route gekozen als op 28 October j.l., maar wij werden tientallen keer lastig gevallen door een zeer laag vliegend vliegtuig dat onophoudelijk op ons zat te schieten met losse flodders. Het was maar een oefening met eigen vliegtuigen, maar wij moesten net doen alsof het echt was. Te Maarsbergen hadden wij weer de groote rust. Wij kochten sinasappelen en chocolade, kortom het was wel koud, maar ideaal marschweer, en onze stemming was goed. Wij zongen uit volle borst "Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad."

15 December. Nog steeds donker en zeer koud weer. Er valt een fijne stofsneeuw die echter maar heel kort van duur was. Het verblijf aan de stellingen was verre van aangenaam en de burgers stookten een lekker vuurtje.

17 December. Een pracht winterdag maar buitengewoon koud. Het heeft een steendik gevroren. Tevens was het ook weer voor mij den dag van verlof. 's Middags zijn wij kalm naar het station gewandeld, want het was verrukkelijk weer en geen wind. De waterlinie was geheel bevroren en was een groote ijsvlakte. 's Avonds zat ik weer lekker bij moeder thuis achter de kachel, terwijl het buiten vroor dat het kraakte.

18 en 19 December. Beide dagen zoals gewoonlijk gewerkt. Op den tweeden dag maakte ik nog iets aardigs mee. Te Bussum wordt binnenkort de haven gedempt, dus moesten allen zich daarin bevindende schepen eruit, want ook een ophaalbrug zou worden afgebroken en door een dam worden vervangen. Daar ons kantoor op een afgedankt schip was gebouwd moest deze natuurlijk gesleept worden. Dit karwei ging nog lang niet vanzelf, daar de schuit meer dan 6 jaar stilgelegen had en als het ware op een zandbank welke zich in de loop der tijden had gevormd vastzat. Eindelijk gelukte dit en daar ging de heele zaak onder veel belangstelling van de zijde van het publiek naar de nieuwe loswal onder Naarden. 's Avonds ben ik weer afgereisd naar Woudenberg. Het was donker weer maar veel zachter dan het de laatste dagen was geweest.

21 December. Een fraaien inzet van den winter na een tamelijk stevige nachtvorst. Het was tenminste knap koud aan de stellingen. Ik kon echter dien dag niet vermoeden dat het wel weer een half jaar zou duren eer ik daar weer terugkwam, want wat was het geval ? 's Avonds kwam een ordonnans mij een boodschap brengen dat ik bij den kapitein moest komen in "De Holevoet". Ik dacht "Wat kan dat zijn", daar ik mij niet bewust was mij aan een af ander strafbaar feit schuldig te hebben gemaakt. Enfin, ik ging er heen en een kelner klopte aan de deur van de kamer waarin de H. H. officieren juist aan het dineeren waren. Toen ik aangediend was mocht ik binnenkomen.

Ik sloeg achterover van de sterren. Een twintigtal luitenants, onze kapitein en nog eenige en de vaandrig zaten rondom de disch geschaard. Aan het hoofd zat de groot-majoor. De kapitein vroeg mij of ik idee had om met ingang van morgen op het bureau te komen voor administratieve arbeid, daar ik voor een ander moest invallen die doorlopend met zakenverlof was. Ik had daar wel ooren naar en hapte grif toe. Ik bedankte den kapitein beleefd voor deze welwillendheid. Ik was dus fijn onder dak, lekker achter de kachel inplaats van in de koude te vertoeven op dat kale weiland in de stellingen. Wie doet me wat ? Mijn liefst wat wil je nog meer !

22 December. De eerste dag dat ik mijn intree deed bij mijn nieuwe baas. Mijn baas was de sergeant-majoor-administrateur, een nogal kort aangebonden, maar overigens geen kwaad heerschap. Verder zat er nog een soldaat voor de administratie en dan ik zei de gek. Ik moest vanaf de verloflijst pasjes schrijven voor spoor, tram, bus enz., hetgeen alle weer afzonderlijke formulieren waren; dan strookjes invullen voor het spoor om kaartjes aan te vragen, legerorders boeken enz. enz. De dag was gauw om evenals in het burgerleven. Om half 5 kwam de troep van de stelling terug, doorgaans bont en blauw van de koude, want ook vandaag had het stevig gevroren en zag de natuur er feeëriek uit, daar het ook mistte en deze mist meteen bevroor. Op dit tijdstip kwamen dan tevens de officieren binnen met den ordonnans, een net woord voor een soortement van duivelstoejager die allerlei klusjes heeft te doen. Het eerste werk was om zondaars op te snorren op diverse afdeelingen. Deze moesten dan op het matje komen.

Al deze en dergelijke scènes maakte ik dan mee en had dan nog wel eens schik als ze voor de balie moesten verschijnen. Het waren doorgaans nogal geen zware straffen die uitgedeeld werden, behoudens een geval van opzettelijke ongehoorzaamheid aan een sergeant, waarvoor een van de jongens van mijn kamer 14 dagen de "lik" is ingedraaid. Het was voor hem geen bijzonders, daar hij ook in het burgerleven weet wat "brommen" is. Tegen de politie had hij ook eens zo'n grapje uitgehaald.

23 December. Dooiweer met af en toe wat motregen. Het was voor ons geen vrije Zaterdagmiddag, althans niet voor het bureaupersoneel. Die hield men er niet op na, maar enfin zoo erg vond ik het niet. Je weet hier met je leege tijd toch geen raad. De Zaterdagavond was in het militair tehuis wel gezellig. Ik kreeg dan kranten en brieven van huis waarnaar ik altijd zeer verlangde en wij behoefden dan pas om 11 uur binnen te zijn.

24 December. 's Morgens kon ik niet naar de kerk, 's avonds wel. Ik had n.l. eenige uren bureauwacht op te knappen tot 12 uur. Ik had nog al iets te lezen en de tijd was gauw om.

25 December. Eerste Kerstdag. In het burgerleven waren de Kerstdagen altijd bijzonder gezellig maar hier zag ik er al bij voorbaat tegen op. Hoe moest men hier de tijd zoekbrengen. Ik ben slechts eenmaal ter kerke geweest daar ik 's avonds een wacht van 24 uur had te kloppen aan de Potbrug, maar dat vond ik wel best hoor, als de tijd maar omkwam. Het was den geheelen dag miezerig weer geweest. In het wachtlokaal hadden wij het best. De legerchefs hadden ons getracteerd op chocolademelk, bier en reepen.

26 December. Iets beter weer behoudens af en toe een licht regenbuitje. In den namiddag werd het echter veel kouder en toen wij van de wacht om 6 uur 's avonds terugkeerden viel er regen met natte sneeuw vermengd. Hoewel ik weliswaar slaperig was ging ik toch nog eens in het militair tehuis kijken. Daar wachtte ons een ware verassing. Er stond een groote kerstboom met honderden lapjes te branden. Diverse personen droegen voor, een speelde op de viool, een ander op het orgel, afgewisseld door zingen van Christelijke liederen door ons allen. De majoor-veldprediker hield een soort Kerst-predicatie. Tenslotte werden wij allen getracteerd op chocolade, sigaren, sigaretten koek enz. Zeer voldaan keerden wij dan ook naar onze kwartieren terug. Toen wij buiten kwamen lag er een dun laagje sneeuw en de maan scheen helder; dus toch op het nippertje nog een witte Kerstmis.

31 December. Zondag en tevens Oudejaarsdag. Het weer was tamelijk ongunstig (regen, natte sneeuw). 's Avonds was het in het militair tehuis opnieuw zeer gezellig. De tafels waren alle gedekt met papieren waarop bloemetjes waren gedrukt. Toen wij zoo gezellig bij elkaar zaten werd plotseling de deur geopend en niemand minder dan generaal-majoor Sillevis stapte opeens binnen, gevolgd door zijn luitenant-adjudant. Wij stonden direct op en zongen het "Wilhelmus", waarop de generaal nog verzocht een driewerf hoera op de Koningin aan te heffen. Hij onderhield zich eenigen tijd met den majoor-veldprediker en ging toen bij ons zitten. Hij vroeg nog iets aan iemand, waarna ook hij op koffie met een flap werd getracteerd, hetgeen met ons allen het geval was. Verder kregen wij weer van alles en nog wat, evenals op den Tweeden Kerstdag. Toen het tegen het middernachtelijk uur liep en het oude jaar met het nieuwe zou worden verwisseld hield de veldprediker een zeer pakkende toespraak.

Toen sloeg eindelijk de dorpstoren 12 zware slagen en 1939 was verdwenen. Het was een jaar vol zorgen, oorlog en rampen die de menschheid had geteisterd en thans nu het jaar teneinde was woedde een vreeselijke oorlog tusschen Rusland en Finland die onnoemelijk veel slachtoffers eischt. Doch ter zake. Om 12 uur was het handjes geven van jewelste en overal hoorde je op straat het bekende "Veel heil en zegen" roepen. Het oude jaar had ons verlaten zonder dat wij gelukkig in oorlog waren gekomen al had het er dan ongeveer 7 weken geleden zeer kritiek uitgezien.

1 Januari 1940. Daar lag dan het Nieuwe Jaar voor ons met zijn onbekende toekomst die er momenteel zeer zorgwekkend uitziet, maar een Christen leeft bij den dag en dan leeft men rustig te midden van de golven. Deze Nieuwjaarsdag zette fraai in. Het vroor hard, maar daar is het winter voor. 's Avonds ben ik weer een per bus naar Woudenberg geweest en gezellig Nieuwjaar gehouden. Het was bitter koud en de ijsbloemen schitterden op der uiten in de huizen.

4 Januari. Een prachtige dag met lichte vorst, maar het was voor mij eveneens een beste dag. Ik ging weer met verlof. Toen ik echter thuis kwam vernam ik dat moeder een heftige neusbloeding had gehad en dat temperde mijn blijdschap. Het is minder aangenaam als er narigheid komt terwijl men zelf niet aanwezig is, maar gelukkig heeft het verschijnsel zich tijdens de verlofdagen niet herhaald. Ik heb dan ook met het oog op deze situatie maar thuis eenig licht kantoorwerk verricht.

6 Januari. Aanvankelijk was het nog mooi vriesweer, doch in den namiddag betrok de lucht en werd het mistig. 's Avonds dooide het zelfs. Ik heb overdag met mijn moeder nog eenige boodschappen gedaan en 's avonds ben ik ditmaal alleen op het station aangestevend. Het was voor mijn moeder niet raadzaam om in die kille winterlucht te loopen. Voordat ik echter van huis ging riep het A.N.P. echter nog een bericht rond, waarover ik mij weinig op mijn gemak gevoelde, maar het zag er op het moment echter in het geheel niet dreigend uit.

7 Januari. Een sombere naargeestige Zondag. Men moest zelfs weer werken n.l. ijshakken om de waterlinie open te houden, doch de natuur hielp ook een handje mee, want het dooide nog steeds. Deze werkzaamheden zullen zeer zeker wel verband gehouden hebben met dat fraaie radiobericht waarover ik het zooeven had.

14 Januari. Na een week van flinke vorst is het opnieuw gaan dooien. Het is weer een echte naargeestige Zondag en heden gebeurde er plotseling weer iets zeer onaangenaams. 's Morgens hoorden wij dat opeens de bewegingsvrijheid was ingetrokken. Enfin, dat vond ik niet zoo erg; ik maakte daar toch zelden gebruik van. Om 9 uur ging ik spoorkaartjes halen voor de verlofgangers. Het was tamelijk glad en af en toe motregende het. Het was ditmaal geen ijshakken. Om 12 uur komt er plotseling door de radio dat in Belgie de verloven waren ingetrokken en een half uur later gebeurden in Holland hetzelfde. Wij schrokken ons naar. Wat zal er nu weer aan de hand zijn ? Blijkens nadere informatie scheen thans in Belgie het zwaartepunt van de ellende te liggen. Er was vooral bij Luik in den vroegen morgen iets heel leelijks gebeurd. Er werden daar tal van reservisten onder de wapenen geroepen. Bij ons was ditmaal niets loos maar voorzichtigheidshalve werd ook hier het verlof ingetrokken. Wat had ik het land, vooral ook omdat ik 's middags op het bureau moest werken.

Wij pakten 's avonds heel ons hebben en houwen bij elkaar en dachten: "Het zal wel weer net worden als in November, elke dag met een zware vracht naar de stellingen sjouwen, en inderdaad gebeurde dit dan ook weer, maar het bleef in ons land gelukkig kalm. Verbeeld je dat het oorlog zou worden midden in den winter a la Finland en dan dag en nacht in de stellingen te zitten in de sneeuw en strenge vorst, maar gelukkig is ons en onze buren in het Zuiden een dergelijk lot bespaard.

15 Januari. Tegen alle verwachtingen in kon ik mijn werk op het bureau blijven verrichten. De anderen moesten echter met hun zware zaakje weer naar de stellingen. Bovendien was het zeer onaangenaam weer, nu eens regen- dan weer sneeuwbuien.

17 Januari. Ik heb een flinke verkoudheid te pakken, maar voel me gelukkig niet ziek. Het is weer knap winter geworden. Het vriest tamelijk hard en af en toe vallen er lichte sneeuwbuitjes. Vanmiddag om 3 uur mocht ik uit mijn kantoorwerkzaamheden breken om de militaire godsdienstoefening bij te wonen in het militair tehuis, zoodat mijn dag gauw om was.

19 Januari. Er ligt thans een enorm pak sneeuw zooals in geen jaren is voorgevallen, doch het vriest niet zoo hard meer. Er zijn vandaag weer betere berichten door de radio gekomen, n.l. dat in Belgie zeer spoedig de verloven weer zullen doorgaan. Voorts kregen wij de mededeeling dat wij boven ons soldij ook nog menagegeld zouden ontvangen. Nu, daar had niemand bezwaar tegen.

21 januari. Het zware pak sneeuw is vannacht nog grooter geworden door nieuwe sneeuwval. Het is mij je wintertje wel ! Het is Zondag, maar ik heb niet gekerkt. Mijn verkoudheid gaat nog steeds niet over en ik had er nog hoofdpijn bij. Ik heb tot 12 uur geslapen, daarna heb ik een aspirine genomen en toen ging de hoofdpijn over maar de verkoudheid bleef. Toch ben ik om 3 uur nog naar het militair tehuis geweest om mijn zinnen wat te verzetten. 's Avonds was ik er weer en daar hoorden wij om 8 uur door de radio de verheugende mededeeling dat de verloven op Dinsdag 23 dezer weer zouden doorgaan, hetgeen met een daverend hoera werd begroet.

23 januari. Vandaag is het verschrikkelijk koud. Het lijkt wel of wij in Siberië zitten zoo hard heeft het gevroren. De ooren tintelen aan het hoofd en bovendien is het voor mij iets vreselijks om in die hevige koude op straat te vertoeven. Ik moest op alle kwartieren de brandstoffenvoorraad opnemen. Het leek wel of ik vuur inademde, want ik had ook erge last van keelpijn.

25 Januari. Vandaag voel ik mij bepaald ziek. Ik heb de officier van gezondheid op de kamer laten komen en deze constateerde griep. Ik had 38,8 graden koorts. Den volgenden dag moest ik zelf bij hem komen, doch had toen nog 37,7 C. Evenwel moest ik toch direct onder de krullen. De ergste verkoudheid was wel geweken, maar ik was toch nog duizelig. Op Zondag 29 dezer moest ik 's middags om 3 uur terugkomen. Dit was de dag dat ik met verlof zou gaan. Ik hield mijn hart vast en dacht:"Als hij mij nu weer eens terugstuurt, dan ben ik toch leelijk geschoren", want wat het verlof betreft denk ik vooral nu in deze dagen:"hebben is hebben" en op uitstel heb ik het niet erg begrepen.

Zondag 29 Januari. Een stralende winterdag. De sneeuw ligt dik op velden en wegen en het vriescht licht, ideaal weer. Met gemengde gevoelens ging ik of liever gezegd reed ik naar het ziekenhuis want ik had van een mijner kameraden nog een fiets weten los te krijgen. Ik was er omstreeks 3 uur, maar de dokter liet geweldig lang op zich wachten. Eindelijk tegen half vier kwam hij opdagen, doch het was een andere dan ik de laatste keer had gesproken. Hij vroeg mij ook hoe ik mij gevoelde. Ik zeide natuurlijk dat alles weer zoo'n beetje voor elkaar was, waarop hij vrij barsch antwoordde "dat komt zeker omdat je met verlof moet." Ik dacht: "daar gaat mijn vrijheid". Hij onderzocht mij en beklopte mij van alle kanten. Hij moge dan al stug en norsch zijn, tot zijn eer dient ook gezegd dat hij zeer accuraat was. Ik hoorde naderhand dat hij in het burgerleven havendokter in Rotterdam was. Geen wonder dat hij dus zoo norsch was want het zijn niet bepaald jonge dames waar hij mee omgaat. Tot mijn groote verwondering kreeg ik toestemming om met verlof te gaan al bleef de temperatuur steeds 37,7 graden, maar ik moest op Woensdag 31 Januari terugkomen. Enfin, ik was blij dat ik mocht gaan.

Ik moest mij nog reppen om op tijd aan het station te zijn. Eindelijk kwam de trein binnen en daar ging het full-speed op Bussum aan. Wat was het een mooie reis langs die dicht besneeuwde bosschen en weilanden, waar zich eenzame boerderijen met hun donzen vacht verhieven. Het leek wel een reis door Finland. Een anderhalf uur later zat ik fijn thuis achter de warme kachel.

29 en 30 Januari. Beide dagen thuis gezeten en niet gewerkt wegens zware verkoudheid.

30 Januari. 's Avonds ging ik weer op Woudenberg aan. Bijzonder koud was het niet en er zat weer dooi in de lucht. Het treinverkeer was knap in de war door de zware sneeuwval der laatste dagen en ik kwam nu wel een uur te laat te Woudenberg aan. Strafbaar is het niet want verlofgangers mogen net zoo laat terugkeren als ze willen mits ze maar om 6 uur present zijn. Tot mijn geluk stond aan het station een autobus die me voor een dubbeltje naar Scherpenzeel bracht.

31 Januari. Donker en zeer koud weer. Vanmorgen viel er eerst een weinig sneeuw, doch later een bevroren regen en hagel. Wij hadden maar tot 12 uur dienst omdat Prinses Beatrix heden haar verjaardag vierde. Veel was er overigens niet van te merken dan alleen dat 's avonds de man een sinaasappel kreeg. Om half vijf heb ik mijzelf aan het ziekenhuis afgepresenteerd. Het was nu weer de dokter die ik de vorige week sprak. Ik heb maar gezegd dat ik weer zoo lekker als kip was, want al dat gedraaf naar het ziekenhuis begon me knap te vervelen. De verkoudheid was wel niet finaal weg, maar het was toch niet meer van dien aard om er drukte over te maken. Ik behoefde dan ook niet meer terug te komen.

9 Februari 1940. Weer een goede dag voor mij, daar ik weer met verlof ging. Het weer was echter minder fraai. Er woei een hevige stormachtige Oostenwind en het vroor dat het kraakte. Thuis gekomen deed ik opnieuw de zeer onaangename ervaring op dat moeder voor de tweede maal een zware neusbloeding had gehad, nog erger dan de vorige keer en dat er nu een dokter bij geweest was die de zaakflink heeft aangepakt. Ik was er weer knap neerslachtig onder, maar tot ons geluk bleven ook nu verdere aanvallen achterwege.

10 en 11 Februari. Op eerstgenoemde dag niet gewerkt en op de tweede vanzelfsprekend niet omdat het Zondag was. De eerste dag gaf prachtig maar schrikkelijk koud winterweer.

11 Februari. Het weer is thans somber geworden en de wind zit in de dooihoek (ZW). Het was dan ook beduidend zachter en er viel in den namiddag eenige natte sneeuw, doch daar schoot om half vijf plotseling de wind naar NO en begon het hard te waaien. 's Avonds vroor het plots weer zeer hard. Toen ik 's avonds op het perron stond was de trein weer veel te laat. De koude was onuitstaanbaar. Gelukkig trof ik te Woudenberg opnieuw de autobus, zoodat ik het hele eind in die bittere koude niet behoefde te loopen.

12 Februari. Prachtig weer maar ontzettend koud. Er staat een krachtige NO wind en het vriest 15 graden C. Tevens valt er af en toe sneeuw uit een vrijwel heldere lucht, z.g. poolsneeuw die op onze breedten maar zelden wordt gezien. Vanmiddag ben ik naar het kantonnementsziekenhuis geweest om mij te laten inenten tegen typhus. Dit hebben vrijwel allen laten doen. Het is dan ook geen kwade maatregel. Deze handeling valt wel mee. Men voelt van het prikje niet veel, maar 2 uren naderhand voelt men een stekende pijn in den arm alsof er een stuk glas in zit, daarna zet deze op en wordt geheel stijf en 's avonds was ik huiverig en koortsig. Dit zijn allemaal verschijnselen als gevolg van de inenting. 's Avonds woedde een korte sneeuwstorm. Toen begon de wind te liggen en werd het vooral in het Oosten van ons land zoo koud als men voordien nog niet had gekend. Het vroor 24 graden !

13 en 14 Februari. Beide dagen vrij van dienst gehad wegens de inenting. Het is wel minder koud geworden, maar er valt weer veel sneeuw.

20 Februari. Vandaag ben ik in de z.g. "gaskamer" geweest. Dit is een inrichting die in het kantonnementsziekenhuis is ondergebracht. Wij moeten dan ons gasmasker voor doen en treden dan de "cel" binnen. Dan steekt de z.g. "gasofficier" een eerste luitenant een gaspatroon af die het gehele lokaal verpest. Het gas is chloornitrine. Mijn gasmasker was van een verouderd type, en paste slecht zoodat het gas er kon binnendringen. Ik maakte mijn bezwaren kenbaar en aangezien er op dit ogenblik geen andere gasmaskers in voorraad waren kon ik weer terugkeren naar het bureau zonder "vergast" te zijn geworden. Het weer is somber geworden, maar het vriest haast niet meer en 's middags trad zelfs een lichte dooi in.

23 Februari. Heden mee met verlof gegaan. Het weer was zeer zacht en er viel zelfs af en toe regen. De strenge winter schijnt afgelopen te zijn.

24 Februari. Een heel gezellige dag. Ik heb niet gewerkt, daar mijn broer overkwam die ik sinds de mobilisatie nog in het geheel niet had gesproken. 's Middags hebben wij in Bussum gewandeld, doch het was jammer dat hij 's avonds weer weg moest.

Zondag 25 Februari. De laatste verlofdag, overigens niets bijzonders te vermelden dan dat 's avonds de treinen weer veel te laat waren ook al in verband met een nieuwe regeling in de z.g. "bewegingsvrijheid". Men mag nu Zondags natuurlijk op eigen kosten en mits men geen wacht of straf heeft naar huis als men maar zorgt voor 12 uur 's nachts weer binnen te zijn. Natuurlijk juichten wij deze nieuwigheid van harte toe al had ik persoonlijk liever een andere dag gehad, maar in dienst gaat het nu eenmaal niet. 's Avonds bofte ik alweer, daar er 2 autobussen klaarstonden die ons naar onze bestemming brachten.

29 Februari. Een donkere koude dag. Fel blaast de wind weer uit het NO en er schijnt opnieuw vorst op handen te zijn. Ik heb mij voor de tweede maal laten inenten, maar de gevolgen heb ik iets beter doorstaan dan de vorige maal.

1 en 2 Maart 1940. Beide dagen vrij van dienst gehad om dezelfde reden, n.l. de inenting. Het weer is fraai doch zeer koud en 's nachts vriest het buitengewoon hard. Wij vervelen ons verschrikkelijk op de kamer en dooden onze tijd maar met raadsels oplossen enz.

3 Maart. Zondag. Heden ben ik met bewegingsvrijheid geweest. Het was prachtig weer en het aantal liefhebbers om eruit te breken was enorm. Er bleef zowat niemand achter. Mijn kameraad, een Zaankanter en ik liepen reeds voor 8 uur naar het station. Alle slooten waren weer stevig toe gevroren, doch in de kale boomen begonnen de vogels reeds te zingen. Blijkbaar voelden zij reeds de lente naderen, hoewel er in werkelijkheid nog geen spoor van was te ontdekken. Op het station was het een enorme drukte. Het leek wel of de mobilisatie voor de tweede maal was uitgebroken. De trein was prachtig op tijd en was barstens vol militairen. Alles ging overigens zoo vlot van stapel dat ik om ruim 9 uur al thuis was. De dag was wel gauw om, maar het was toch een buitenkansje. 's Middags hebben mijn moeder en ik nog een kleine wandeling gemaakt, maar het weer lokte weinig uit. Het was grimmig koud. Onderweg spraken we nog een vriend die sergeant is en in het naburige Muiden lag.

7 Maart. Alweer met verlof. Het weer was tamelijk mooi maar knap koud. Aanvankelijk viel er af en toe wat regen en natte sneeuw, doch hoe verder de trein op Bussum aanstoomde hoe slechter het werd. Tusschen Amersfoort en Baarn sneeuwde het hevig en te Bussum werd ik onderweg naar huis gaande met fiksche hageljachten bestookt.

8 en 9 Maart. Beide dagen weer eens gewerkt. De administratie was knap opgeloopen, zoodat het weer op peil brengen hiervan geen overbodige luxe was.

10 Maart. Zondag. Voor mij is het echter een gedeeltelijke werkdag geworden, want de sergeant-majoor was met verlof en zoodoende moest ik veel op het bureau zijn.

12 Maart. Het weer is betrokken, maar zeer zacht. Het begint nu werkelijk op lente te lijken althans wat de temperatuur aangaat. Overigens is alles nog kaal en dor. Hoe kan het ook anders na zoo'n strenge koude. Ik heb mij vanmiddag voor het laatst laten inenten en heb om 3 uur weer de militaire godsdienstoefening bezocht. Om 4 uur wilde ik na deze samenkomst mijn jas aantrekken, maar het ging al niet meer hoor ! Een hevig steken in den arm verried al dat het goedje werkte. Met behulp van mijn kameraad heb ik eindelijk met kunst en vliegwerk mijn jas aan kunnen trekken.

13 Maart. Deze dag had ik wegens de inenting weer vrij van dienst. De arm was erg pijnlijk en stijf. Ik heb 's middags een uurtje gewandeld. De natuur zag er frisch uit na een malsch regentje in den nanacht en het weer was nog steeds zeer zacht.

15 Maart. Vanmorgen ben ik weer naar de gaskamer geweest, doch niet erin, want ook nu waren de nieuwe gasmaskers nog niet voorradig. Het was prachtig "winterweer". Er lag een enorm pak sneeuw dat den vorigen dag was gevallen, doch de dooi zette deze dag zoo krachtig door en het begon 's avonds bovendien ook nog te regenen dat bijna alle sneeuw spoedig was verdwenen. Het was nog een laatste saluut van den barren winter.

16 Maart. Zaterdag. Hoewel ik sinds December steeds op het bureau werkzaam was moest ik echter thans om niet al te stijf te worden weer eens een marsch meemaken met de andere kameraden. Nu, dat smaakte mij wel. Het was goed marschweer, hoewel er een stijve koude bries stond. Onze route was dezelfde als die van 10 December j.l. n.l. over Maarsbergen, waar wij weer de groote rust hielden. Ik had onderweg, misschien wel ten gevolge van ongewoonte een paar flinke blaren aan mijn beenen geloopen en ik had werkelijk moeite om thuis te komen, maar ik dacht, "achterblijven staat niet voor een goed soldaat, samen uit, samen thuis." Ik zag er aanvankelijk een zwaar hoofd in hoe het den volgenden dag zou gaan als ik met bewegingvrijheid ging, maar dat viel mee, want den volgenden dag voelde ik er niet veel meer van.

17 Maart. Heden ben ik weer even thuis geweest, maar ik trof het niet met het weer. Het was koud en regenachtig. 's Avonds was het weer geweldig druk met de extra treinen. Aan het station Woudenberg trof ik het ditmaal ook al slecht. Er stond thans geen autobus. Een Hilversummer is met mij mee geloopen tot Scherpenzeel. Het weer was erbarmelijk slecht. Er stond een complete storm en het regende in stroomen. Ik had de grootste moeite om mijn pakje etenswaren dat ik van moeder had meegekregen droog te houden.

21 Maart. Vanmorgen moest ik uit mijn werkzaamheden breken om tegelijk met het geheele kantonnement naar het ziekenhuis te gaan om "doorgelicht" te worden. Dit geschiedde in het kantonnementsziekenhuis waar wij ook zijn ingeënt. Er stond een Röntgen-apparaat. Toen ik onderzocht werd duurde het tamelijk lang. De dokter mompelde iets tegen zijn assistent en ik dacht "Wat zou de goeie man voor buitensporigs in mijn inwendigen mensch hebben ontdekt" ? Ik voelde me weinig op mijn gemak door dit geheimzinnige gedoe. Toen ik onderzocht was vroeg hij "Wanneer ga je met verlof ?" Ik antwoordde "a.s. Zondag". Dan moet je Vrijdag of Zaterdag maar eens naar het militair hospitaal te Utrecht gaan om nog eens onderzocht te worden. Ik vroeg daar de reden van, waarop hij zeide dat hij iets achter het borstbeen had gezien dat hij niet kon beoordelen wat het was, maar dat ik mij niet bezorgd behoefde te maken. Nu als er een ding was waarover ik mij bezorgd moest maken dan was het over mijn verlof.

Zondag was het nog wel Paschen en wij zouden er allen een extra dag erbij krijgen, zoodat wij Woensdagmorgen pas terug behoefden te zijn. Dit alles zag ik mij nu reeds ontglippen, want zoo dacht ik "Joost mag weten wat ze daar voor rariteiten in mij ontdekken". Voor het overige dacht ik "het kan toch nooit iets bijzonders zijn, ik heb nergens over te klagen, misschien loopt het wel los, doch gerust was ik allerminst. 's Avonds had ik extra dienst op het bureau tot 10 uur. Ik moest alle kwartieren rond om de namen op te nemen van degenen die met de Kerstmis niet met verlof waren geweest en toen moest de hele verloflijst nog in elkaar worden gedraaid. Alle hens waren aan dek, zelfs de kapitein en de luitenant hielpen mee om de zaak voor elkaar te krijgen, want het was een heele uitzoekerij.

22 Maart. Goede Vrijdag. De dienst duurde slechts tot 12 uur, maar voor mij was het geen halve dag vrij. Ik had het ontzaggelijk druk met het uitschrijven van verlofpassen voor de Paaschdagen en het was een respectabel aantal, dat verzeker ik U. 's Avonds ben ik naar de kerk geweest en vervolgens naar het militair tehuis en toen was deze dag alweer ten einde.

23 Maart. De gewichtige dag was aangebroken waarop ik naar Utrecht zou gaan om mij te laten onderzoeken. Ik ging er per autobus heen, want per spoor is het een ommelandsche reis. Het was een heele rit en een mooie rit, maar de spanning had me zoodanig te pakken dat ik voor al dat schoons maar weinig oog had. De tocht ging over Woudenberg, langs de pyramide van Austerlitz, over Zeist. Terloops zij opgemerkt dat ik daar sinds 1914 niet meer was geweest. Dit was bij gelegenheid van een schoolreisje toen ik 10 jaar oud was. Thans kwam ik er weer doorheen op 35 jarigen leeftijd en onder welke omstandigheden ! Eindelijk ging het langs de Bilt, waar ik het Kon. Met. Inst. Nog zag temidden van de bosschen en spoedig was de Domstad bereikt. Ik informeerde waar het hospitaal was en spoedig stond ik voor een groot, somber gebouw met hooge muren erom. Het geheel had meer weg van een gevangenis dan van aan ziekenhuis. Eerst werd ik binnengelaten in een kantoortje, waar een adjudant-onderofficier-administrateur met een forsche knevel mijn naam noteerde. Toen moest ik weer wachten totdat de dokter kwam.

Dat duurde ongeveer een half uur en inmiddels was ik niet meer alleen, maar stonden wij met z'n vieren te wachten. Eindelijk verscheen de dokter, een kapitein. Wij traden weer een ander lokaaltje binnen, waar een soort laboratorium was gevestigd en diverse verpleegsters aan het werk waren. Wij moesten onze arm ontblooten om bloed te laten aftappen. De steek was veel pijnlijker dan het inenten. Het was nu geen dunne injectienaald maar het geleek meer op een stuk van een gebroken stopnaald die hij in den arm duwde. Toen deze handeling was afgelopen moesten wij naar een andere afdeling teneinde ons te laten doorlichten, doch eerst kwamen wij in een kantoortje, waar een dame ons van alles en nog wat vroeg, zoals het advies van de huisdokter, of onze ouders niets mankeerden, of er geen t.b.c. gevallen in de familie waren enz. enz. Eindelijk vroeg ze mij of ik nergens over te klagen had. De waarheid getrouw antwoordde ik prompt "neen". Toen kwamen wij in de afdeling "Röntgenologie". Het apparaat dat daar stond geleek veel op een zendstation van de radio, en was veel grooter dan dat te Woudenberg. Ziezoo dacht ik, nu kunnen eens goed zien wat voor ongerechtigheid er alzoo in mijn corpus huisvest.

Een sergeant bediende het gevalletje, maar zei geen stom woord toen ik doorgelicht was. Het ging gauw in z'n werk. Hij stond tenminste niet langen tijd te turen, zoals de dokter in Woudenberg deed. Toen deze plechtigheden waren beëindigd konden wij naar de recreatiezaal gaan om op den uitslag te wachten, want de foto's moesten natuurlijk worden ontwikkeld. Het was toen ca. half elf. Er was bijna niets te lezen en wij verveelden ons op verschrikkelijke wijze. Ik kon de ondragelijke spanning haast niet meer uithouden en zat letterlijk op "naalden". Allerlei gedachten vlogen door mijn hoofd. Verbeeld je als ze me voor een week opbergen, terwijl ik me toch volkomen normaal gevoel enz. Af en toe liep ik eens eenige gangen rond, maar het geheel maakte op mij een troosteloozen indruk. Ik kwam z.g. "loopende patiënten" tegen in hun werkkielen en dacht direct "precies een stelletje gestraften in de Sing-Sing, candidaten voor de electrische stoel." Als eenige onderbreking nuttigde ik om 12 uur mijn boterhammen, en daarna was het maar weer wachten. De tijd kroop om en het werd al vier uur. Daar verscheen dan eindelijk de dokter.

Toen gingen wij weer naar een andere wachtkamer en eindelijk om half vijf werden wij één voor één bij den dokter geroepen. Ik dacht "nu gaat het erom","kruis of munt". Tot mijn groote vreugde overhandigde hij mij een verklaring dat ik geschikt was voor den dienst. Wat was ik blij toen ik buiten was. Het leek wel of een molensteen van mijn hart was afgewenteld. Ik kon dus tevens met verlof gaan en de Paaschdagen fijn thuis doorbrengen. Met een opgeruimd gemoed stapte ik in de autobus, maar kocht eerst nog een paar koeken, want ik rammelde. Onderweg kon ik nu de natuur eens rustig in oogenschouw nemen, beter dan vanmorgen. Om 6 uur was ik te Scherpenzeel en deelde het goede nieuws aan den sergeant-majoor mede. Nu, hij vond het wel een felicitatie waard.

24 Maart. Zondag. Eerste Paaschdag en tevens verlofdag voor duizenden militairen waaronder ook ik. Het weer was minder fraai. Het regende flink, maar het duurde gelukkig niet lang, doch het bleef somber. 's Morgens ben ik eerst naar de kerk geweest, daarna nog even naar het militair tehuis, totdat het appèl was, vervolgens gegeten, daarna tot 3 uur weer naar het militair tehuis, en toen gingen wij met honderden naar het station. De trein was mooi op tijd en daar gingen wij op onze haardsteden aan. De zon brak door de wolken heen en het werd nog een mooie namiddag en avond. Het was voor mij thans dubbel aangenaam daar mijn broer met vrouw en kinderen ook met paaschvacantie over waren gekomen. Ik had in Bussum een heele boom op te zetten en niet het minst over mijn wederwaardigheden in het hospitaal.

25 Maart. Tweede Paaschdag en verrukkelijk lenteweer. De zon goot zijn gouden stralen uit over de langzaam ontluikende natuur. Wij hebben samen, mijn broer en ik een flinke wandeling in het Gooi gemaakt.

26 Maart. Het weer is plotseling omgeslagen. De wind is NO geworden en waait krachtig. Het is echt guur Maartweer en af en toe breken er fiksche regenbuien los. 's Middags was het droog en zijn wij dwars over de heide naar Hilversum gewandeld met de kragen van onze jassen hoog op. Wij hebben de markt bezocht en de stad nog even bezichtigd. Daarna zijn wij per autobus teruggekeerd. In deze bus ontmoetten wij tevens onzen vriend de sergeant die thans ook met verlof was en zich evenals ik in burger had gestoken.

27 Maart. Het verlof is al weer om. Het is nog kouder geworden en vannacht heeft het zoowaar gesneeuwd en bedekte een dun laagje de aarde, maar de stralen der lentezon deed de sneeuw spoedig smelten. Toch bleef het weer zeer buiig en af en toe braken er fiksche sneeuw- en hageljachten los. Ik heb 's morgens eerst afscheid van mijn broer, zijn vrouw en kinderen en schoonouders genomen en vervolgens van mijn moeder. Toen ben ik weer afgereisd. Toen wij te Woudenberg arriveerden werden wij verwelkomd door een zware sneeuwbui. 's Middags ben ik weer aan het werk gegaan op het bureau, maar de dag was op die manier gauw om als men 's middags pas begint.

31 Maart. Met bewegingsvrijheid thuis geweest.

3 April 1940. Heden weer met verlof geweest. Het weer was regenachtig Overigens geen bijzonderheden te vermelden. Thuis was alles in orde.

4 en 5 April. Beide dagen te Bussum gewerkt. De laatste dag was somber en winderig en zeer koud.

7 April. Een prachtige Zondag, maar de wind was schraal. Ik ben om 10 uur naar de kerk geweest, doch moest na kerktijd een paar uur op het bureau werken, daar een der collega's met verlof was. Tevens ben ik naar het station geweest en heb spoorkaartjes gehaald voor de verlofgangers. 's Middags heb ik een wandeling in de omgeving gemaakt, doch hoewel het weer fraai was alle toch nog vrij doodsch. Ik was zoodoende gauw uitgestudeerd en ben maar weer naar het militaire tehuis gegaan en 's avonds naar de kerk. Die taaie Zondag was dus al weer om.

8 April. Hedenavond ben ik na diensttijd er even uitgewipt en thuis geweest. Bij deze nieuwe regeling is dit ook toegestaan. Het was weliswaar maar heel kort (2 ½ uur), maar toch was het wel leuk. Niet iedereen kan dit, daar de meeste onzer Rotterdammers, Brabanders en Limburgers waren Eigenaardig was het dat er onder de militairen gemompeld werd dat heel spoedig het verlof weer zou worden in getrokken, hoewel er nog niets op wees. Vooral op het station te Bussum gingen er rare praatjes over.

9 April. Een onaangename dag. Daar hooren wij opeens om 8 uur 's morgens door de radio dat de Duitschers Denemarken en Noorwegen waren binnengevallen en het in Noorwegen zelfs al tot oorlog was gekomen. Het bericht sloeg bij ons als een bom in. De oorlog kwam dus al nader, hoewel ons land bij deze gebeurtenissen nog heel niet was geïnteresseerd. Wat zal Holland nu gaan doen, zoo dachten wij. Het eerste dat de regeering zal doen is ons verlof intrekken zoo redeneerden wij en daar kwam om kwart voor één zoowaar het bericht dat van de kusttroepen t.w. enkele onderdeelen de verloven waren ingetrokken. Het viel dus nogal mee dat het niet algemeen was. Om half twee gingen wij weer naar de gaskamer. Thans ben ik er werkelijk in geweest, want er waren nu nieuwe gasmaskers gearriveerd. De gaslucht kan men wel ruiken, maar het giftige karakter wordt geneutraliseerd door koolstaven in de vullingsbus. Om 3 uur was ik weer terug, doch daar komt om 4 uur het uiterst onaangename nieuws per radio door dat alle verloven waren ingetrokken evenals in November en Januari, doch de zakenverloven gingen door evenals toen.

Op alle stations werd per radio bekend gemaakt dat alle verlofgangers die onderweg of thuis waren direct moesten terugkeren. Menschen, kinderen wat een lamme boel ! Inderdaad zagen wij velen om ca 5 uur weer met koffertjes en in arren moede naar de diverse kwartieren gaan. De een was hier en de ander weer op een ander station toen hij het onaangename nieuws hoorde. 's Avonds was het weer een heele drukte evenals in November. Wij moesten tentzeilen halen bij den fourier en de munitiewagens waren druk aan het laden.

10 April. Somber, guur en regenachtig weer. Ik dacht "misschien kan ik wel weer doorwerken op het bureau, maar die vlieger ging niet op. Ik moest met den dienst meedoen en "omhangen". Ik ging dus gelijk de anderen met een vracht van 45KG naar de stellingen. De z.g. "Friesche ruiters" d.z. houten obstakels vol prikkeldraad, werden bij het station dwars over den weg gezet, het afweergeschut werd weer geplaatst, terwijl om de boomen trotylblokjes werden gelegd om deze in tijd van oorlog op te blazen. Kortom, het zag er onheilspellend genoeg uit., doch er was thans ten opzicht van ons land niets loos. Het waren niet anders dan voorzorgsmaatregelen en verhoogde paraatheid.

11 April. Hetzelfde weer als den vorigen dag, maar nog kouder, terwijl er af en toe hagel viel. Het was zeer onaangenaam aan de stellingen. Overigens ging de dag rustig voorbij. Er reed echter bijna geen een trein, daar het geheele spoorwegverkeer door de militaire autoriteiten was opgevorderd. Verder kwam 's middags het bericht door de radio dat in ons land de staat van beleg was afgekondigd, d.w.z. dat een soort van militaire dictatuur was ingesteld.

12 April. Nog altijd is het weer zeer guur en buiig en worden wij telkens door zware stortregens verrast. We hebben vandaag een heele vracht paaltjes van het materialendepôt naar de stelling gebracht. Deze moesten in den grond geslagen worden over het geheele weiland en dan moest er prikkeldraad omheen. De paaltjes moesten eerst geschild worden d.w.z. van de schors worden ontdaan. Ik heb er tenminste heel wat uurtjes mee zoekgebracht. De schors werd er met een soort bijltje afgehakt.

13 April. Na een lichte nachtvorst volgde een prachtige dag. Het was heden dan ook niet onprettig om paaltjes te schillen. Overigens bleef alles rustig en deden zich geen bijzonderheden voor.

14 April. Zondag, maar helaas een gedeeltelijke werkdag. Het weer was ook minder fraai geworden, want af en toe regende het. Om ongeveer 11 uur maakten wij een fraaie scène mee. Wij liepen over den overweg toen wij den luitenant-kolonel, overste de Boek zagen staan die in gesprek was met eenige officieren. Wij moesten keurig in de houding loopen, doch er scheen een nalatigheid in het spel te zijn, daar noch de kapitein, noch de begeleidende sergeant het commando "geeft acht" had gegeven. Ergo gaven wij geen acht en liepen wij smakelijk te boomen, terwijl onderwijl de overste in toorn ontstak. Hij begon dan ook geweldig uit te varen. Is me dat hier een bende, doe die muts recht op je kop en toen er iemand begon te lachen was hij heelemaal voor den bakker. Jij gaat zooveel (het juiste aantal weet ik niet meer) dagen de profoost in. Toen hij nog iets in het midden wilde brengen snauwde hij, hou je sm … En dergelijke liefelijkheden meer. Zijn optreden geleek meer op dat van een bootwerker dan een heer. Even later kwamen er vele vrouwen en meisjes per spoor aan om hun mannen of aanstaanden op te zoeken dit in verband met het ingetrokken verlof.

Zij waren blijkbaar in de veronderstelling dat wij vrij waren, maar zij troffen het niet best. Deze gebeurtenis maakten den overste dermate duivelsch dat hij uitriep "Nu is het verlof pas een paar dagen ingetrokken en nu komen die h … (een zeer onparlementair woord) al. Dit fraais was aan het adres van een soldaat die met zijn meisje stond te praten, doch hij was niet van gisteren en heeft langs hiërarchieke weg rapport laten opmaken tegen de overste wegens verregaande belediging. Voorwaar geen alledaagsch geval in het militaire leven, dat een mindere tegen een meerdere en dan nog wel een luitenant-kolonel een bon laat opmaken. Wij hebben echter van den afloop nimmer iets gehoord. Misschien heeft hij wel op het matje moeten komen bij den kolonel of generaal. Na 12 uur waren wij vrij en sjokten met onze geweldige vracht weer naar Scherpenzeel toe. Een vaag teeken van ontspanning deed zich deze dag voor n.l. dat de treinenloop weer normaal was geworden.

15 April. Vandaag mocht ik weer eens op het bureau werken. Nu dat lustte ik wel. Ik behoefde dan tenminste niet met die zware vracht te torsen.

16 April. Vandaag moest ik weer mee naar de stelling. Het weer was zeer ongunstig. Het was uitermate guur en tevens kwam de winter weer eens om een hoekje kijken. Er braken zware sneeuw- en hagelbuien los, maar 's middags knapte het op. Om half twee kregen we een lange toespraak te hooren van een sergeant of beter gezegd een voorlezing hoe wij ons in oorlog hadden te gedragen. Hij had heel wat paperassen voor den dag gehaald. Daarna zijn we maar weer aan het paaltjesschillen en teeren getogen. Toen wij 's avonds terugkeerden zagen wij dat de loopen van de afweer kanonnen door hoezen waren afgedekt en de trotylblokjes rondom de boomen waren verwijderd. Hierin zagen wij een vaag teeken van ontspanning.

17 April. Deze dag zouden er oefeningen op groote schaal worden gehouden, en precies alles nabootsen alsof het werkelijk oorlog was. Wij moesten al onze particuliere bezittingen inpakken en naar de cantine brengen. De stroozakken werden van de kamer afgehaald en op vrachtwagens geladen met het doel om in de stellingen te gaan slapen. Het was een heele herrie. Om 11 uur gingen wij zwaar gepakt naar de stellingen. Deze oefeningen waren niet alleen tot onze omgeving beperkt, maar vonden in vele deelen van ons land plaats. Daar zaten wij nu tusschen 2 dijken in achter een groote melkfabriek te Woudenberg dichtbij het station. Het ontbrak ons weliswaar aan niets, maar wij verveelden ons een mik. Om de 2 uren moest er door 2 man z.g. "piket wacht" worden gehouden en dit ging volgens een door mij opgemaakt rooster. Alles was in actie. Wij zagen heele afdelingen pantser afweergeschut voorbij trekken. Overigens gebeurde er ook deze dag niets bijzonders. Het weer was vrij goed, doch nogal kil. 's Nachts moesten wij om beurten (de sergeant en ik) wacht houden opdat de manschappen niet zouden indommelen.

18 April. Na een koude nacht volgde een mooie en zachte dag op. Wij hebben af en toe in de lignissen geslapen op een bos stro waarover wij onze tentzeilen hadden uitgespreid en de dekens over ons heen hadden getrokken. Om 8 uur kwam de wagen met kuch en hebben wij dus in de open lucht gepicnikt. Zoo gaat het aldus toe wanneer het oorlog zou zijn. Gelukkig was het maar fantasie. Om 3 uur werd eindelijk verzamelen geblazen en behoorden deze goed geslaagde oefeningen alweer tot het verleden. Wij gingen weer met ons vrachtje op de kamer aan. Wij hadden ook geen dag langer met de oefeningen moeten wachten, want toen wij weggingen betrok de lucht en 's avonds regende het dat het goot.

19 April. Wij hebben thans ons normale tenue weer herkregen. Wat een verlichting na 7 dagen met die geweldige vracht te hebben gesjouwd. Het weer was stormachtig en zeer koud, maar 's middags kwam de zon er door en werd het veel zachter. Wij hebben alle paatjes in den grond geslagen en prikkeldraad gespannen. Laat nu de vijand maar komen !

20 April. Zaterdag. Heden hebben wij een flinke marsch gemaakt. Het was zeer fraai lenteweer en feitelijk veel te warm. Wij transpireerden geducht. Onze route ging over Woudenberg tot halverwege Leusden en toen langs een omweg over Woudenberg terug. In hôtel "de Mof" werd de groote rust gehouden. Om 3 uur waren wij weer terug en hadden verder vrijaf.

21 April. Zondag en tevens een prachtige vrij warme dag. Het was voor mij tevens een dag van blijdschap, want daar de verloven nog steeds op zich lieten wachten kwamen tal van burgers de militairen bezoeken. Ik heb mijn moeder eens laten overkomen, zoodat zij ook eens het "fraaie" Scherpenzeel in oogenschouw kon nemen benevens het fraaie hôtel waarin wij gelogeerd waren. (Hôtel " de Rat"). 's Morgens ben ik eerst naar de kerk geweest en na het eten ben ik op mijn gemak naar het station gewandeld. De trein arriveerde spoedig en weldra hadden wij elkaar ontmoet. Wat een blij weerzien na 12 dagen van scheiding. Wij liepen doodkalm de lange weg van het station naar Scherpenzeel af. Ik heb mijn moeder heel wat laten zien, zooals de stellingen, prikkeldraadversperringen, een gedeelte van de waterlinie enz. Toen wij in Scherpenzeel waren zijn wij eerst naar het militair tehuis gegaan. Ik heb thee, koek en limonade besteld en hebben samen wel drie kwartier over alles en nog wat zitten boomen. Daarna heb ik haar ons verblijf laten zien.
De jongens lagen languit te luieren op de stroozak. Vervolgens hebben wij bij de boer welke beneden woont thee gedronken en ook nog even gezellig gebabbeld. Toen zijn we weer opgekrast en hebben nog een kleine wandeling gemaakt in de richting Renswoude. Wij zijn toen zoo langzamerhand weer teruggekeerd daar het uur van afscheid weer zoetjes aan aanbrak. Wij pakten een autobus en reden met bekwamen spoed op het station aan. Het was een heele drukte van al die burgers die ook weer op huis aangingen. Ik heb mijn moeder netjes afgeleverd en voldaan aanvaardde ik met een andere kameraad den terugtocht. De avond was overheerlijk en ik kon met voldoening op deze Zondag terugzien die nu eens niet taai was geweest. Ik ben nog even naar het militair tehuis geweest en toen heb ik de kooi maar even opgezocht.

22 April. Hedenmorgen hebben wij weer een velddienst gehad, doch het was slechts een paar kilometer van Scherpenzeel af, temidden van de bosschen. Het weer was prachtig, doch abnormaal warm. 's Middags hebben wij maar wat geexerceerd.

23 April. Nog steeds is het weer zeer warm, doch mooi. Wij hebben weer velddienst gehouden op dezelfde plaats als den vorigen dag. 's Middags was het weer exerceren en daarna theorie in de cantine.

24 April. Gisteravond kwam plotseling het verheugende nieuws door de radio dat met ingang van 29 dezer de verloven in Belgie en Holland weer zouden doorgaan, doch nu niet om de 14, maar om de 20 dagen. Wij waren echter al blij dat wij dit al weer vast hadden en hebben een rondedans op de kamer gemaakt. Heden kwam er een groote verandering in het wachtkloppen. De wacht aan de Potbrug verviel voor het 15e en werd nu door anderen waargenomen. Nu moesten wij naar het kasteel "Maarsbergen" de wacht houden voor het divisiebureau van de kolonel, hetgeen echt model toegaat.

Ik werd deze dag eens weer korporaal van de week, of liever gezegd van den dag, want een ander die den weekdienst had kon niet wegens het feit dat hij op wacht moest. Ik had weinig te doen, dan alleen om half vijf met het ziekenregister naar het kantonnementsziekenhuis te gaan.
Dit zou de laatste keer zijn dat ik het deed, ik zou het nooit meer behoeven waar te nemen, maar daarover later. Het weer was nog steeds drukkend en betrokken en het zag er nu wel naar uit dat er onweer zou komen. Toen ik 's avonds dan ook in het militaire tehuis was brak er voor den tijd van het jaar zeer zwaar onweer los. De felle bliksemflitsen vlogen door de lucht en het donderde onophoudelijk. Het onweer ging gepaard met zware regenval.

25 April. Om half twee 's nachts brak opnieuw een heftig onweer los dat ditmaal gepaard ging met een geweldigen regenval. Overdag was het somber en af en toe regenachtig weer, doch het was veel frisscher geworden. Wij hebben een flinke marsch gemaakt naar "de Glindhorst" en hebben daar weer velddienst beoefend. Het was een z.g. "ontmoeting met den vijand". Wij sprongen over slooten en hekken enz. enz. Ik had onderweg tengevolge van het vrij zware tenue en het oneffen terrein een paar stevige blaren aan een mijner voeten geloopen, zoodat ik met veel moeite ben thuisgekomen. 's Avonds heeft er nog een avondoefening plaats gehad, doch daar mijn voet nog pijnlijk was behoefde ik niet mee. Ik heb danook fijn in het militair tehuis gezeten.

27 April. Zaterdag, dus marschdag. Het was fraai weer en wij hebben weer eens een groote marsch gemaakt ditmaal via Renswoude naar Lunteren, waar wij de groote rust hadden. Toen wij daar eenigen tijd zaten trok een groote afdeeling huzaren door dit dorp met muziek voorop. Ook het muziekkorps was te paard, een alleraardigst gezicht. Toen wij terugkeerden pakten zich donkere wolken samen en in de verte begon het te onweeren. Wij vreesden het ergste, want wij waren nog ver van huis. De bui bleef gelukkig op een afstand en de regen kwam eerst los toen wij toen wij bijna de marsch tot een einde hadden gebracht. 's Avonds ben ik er weer eens even uitgebroken en een paar uurtjes thuis geweest. Nu dat was haast al weer drie weken geleden dat ik thuis ben geweest. Om half tien ging ik weer weg en stapte in Amersfoort uit. Op het stationsplein stopte de autobus voor Scherpenzeel, want die moet ik wel nemen, daar er geen trein meer te Woudenberg stopte. De bus reed regelrecht naar de straat waar hôtel " de Rat" is gevestigd en ik stapte daar precies uit.

28 April. Zondag, maar een rare dag. Wij moesten wacht kloppen bij kasteel "Maarsbergen" en ook ik behoorde daarbij. Wij gingen er met vrachtauto's heen. Wij namen onzen intrek in een wachtlokaal dat gelegen was in een prachtige omgeving. Bovendien hadden wij er ook radio. Om de 2 uren moest ik met een groepje van 3 man afmarcheeren naar het kasteel om hen op post te zetten. Het moest alles model geschieden. Nu het ging mij best af. Ik kreeg een revolver om met eenige patroontaschjes erbij welke vooral 's nachts dienst moest doen bij een eventuele overval. Men kon nooit weten wat er in zoo'n stille omgeving gebeurt. Het kasteel is er prachtig gelegen met groote parken er omheen. Daarin loopen allerlei vreemdsoortige kippen rond, pracht vogels. 's
Avonds hebben wij, n.l. de wachtcommandant en ik een groote boerderij bezichtigd, waarin veel koeien en varkens aanwezig waren. Het schilderen voor het kasteel is overigens geen pretje voor een gewoon soldaat. Het is er zoo stikdonker dat men geen hand voor de oogen kan zien. Bij de aflossingen gebruikte ik een stormlantaarn.

29 April. Om 10 uur 's morgens was voor ons de wacht alweer afgeloopen en zijn wij weer met vrachtauto's afgehaald. Overigens hadden wij dien dag vrij en mochten indien noodig ook slapen. Ik had er echter weinig behoefte aan. 's Avonds hadden wij een feestje in het militair tehuis ter eere van Prinses Juliana die den volgenden dag jarig zou zijn. Wat klinkt dat nu onwezenlijk vind U niet lezer ? De zaal was geheel versierd met vlaggetjes. Er werd weer evenals laatst voorgedragen en gemusiceerd, terwijl wij weer flink getracteerd werden op sigaren, sigaretten, flappen enz. Het was een zeer gezellige avond geweest.

30 April. Nu het weer rustiger is geworden en de verloven weer zijn ingegaan mag ik weer op het bureau werken, doch moet tevens ook enkele dagen met den dienst mee. Vandaag heb ik sinds 3 weken mijn kantoorwerk weer opgevat. Het was echter maar een halve werkdag, daar Prinses Juliana jarig was. De natuur zorgde voor een echt oranjezonnetje, want het weer was zeer fraai.

2 Mei 1940. Hemelvaartsdag. Voor mij was het echter een gedeeltelijke werkdag, want hoewel ik weliswaar nog kans had gezien om den kerkdienst bij te wonen, had ik het toch zeer druk met het schrijven van verlofpassen. Om 1 uur was ik klaar en wel voorgoed, zonder dat ik het zelf wist, hetgeen ook maar gelukkig was. Ik had met dezen baas definitief afgedaan ! 's Middags was ik vrij. Het weer was buitengewoon mooi en 's avonds had ik echt zin om nog eens een paar uurtjes thuis te kijken. Om 5 uur pakte ik een autobus die regelrecht naar Amersfoort ging. Te Woudenberg stopten n.l. op Zon- en feestdagen op dit uur geen treinen. Toen ik in Amersfoort was had ik nog tijd over en ben toen een half uurtje de stad ingegaan. Om zes uur vertrok de trein en binnen het uur was ik thuis. Moeder was ten zeerste verrast dat ze mij zoo opeens zag. Ik ben evenals de voorige keeren slechts 2 ½ uur thuis geweest, maar ik was toch blij dat ik het even had waargenomen.

3 Mei. Wederom een prachtige en warme dag. De natuur ziet er prachtig uit en de bosschen prijken in volle lentedos. Vanmorgen hebben wij weer geëxerceerd en om 11 uur theorie in de cantine gehad over rangen en graden bij de zeemacht. 's Middags hebben wij een paar uur aan openlucht gymnastiek en voetbal besteed en voor het overige hebben wij lekker languit in het gras gelegen. Daarna gingen wij weer naar de kamer terug. Tevens was het soldij vangen en verder hadden wij niets meer te doen.

4 Mei. Zaterdag. Wij hebben weer een groote marsch gemaakt. De route ging nu over Woudenberg, langs Amerongen, Leersum en over Renswoude terug, een hele tippel. Bij het station te Woudenberg stond een autobus vol muzikanten uit Amersfoort. Zij stapten uit en voegden zich bij ons en daar ging het heele bataljon op stap met volle muziek voorop. Het weer was zwoel en wij transpireerden erg. De zon ontbrak ditmaal en het zag er wat onzeker uit. Er werden heel wat marschen afgeblazen. De bekendste welke ik mij hiervan herinner: "Sons of the brave en Riter Friedrichsmarsch". Vlak bij Amerongen verliet het korps ons, maar niet voorgoed want later zou het zich weer bij ons voegen. Wij gingen nu zonder muziek verder, doch dit werd weer vergoed door ons zingen. Wij waren vrolijk gestemd.
Bij de Amerongense berg werd even gerust. Het begon wat te regenen, maar het duurde gelukkig niet lang. Daarna zijn wij dwars door de Grebbelinie over een dijk naar Renswoude gegaan. Wat een stellingen en verschansingen waren daar te zien. In de verte lag Veenendaal met zijn lange fabrieksschoorstenen. Even voor Renswoude werd de groote rust gehouden in een cantine.
Daar trof ons een nieuwe verrassing. Het muziekkorps had zich daar opgesteld en blies een uur lang pittige marschen zoals: "Le regiment du Sambre et Meuse", "Officer of the day" , "Blue Devil's March" , "March of the Herolds" enz. Daarna was het rustuur om en marcheerden wij weer op Scherpenzeel aan. Onderweg werden de bekende marschen: "Koning Voetbal" en "Unter dem Doppeladler" nog geblazen en toen zat de marsch er al weer op. De muziek rukte in en wij eveneens. Wij waren knap moe. Het zou thans onze laatste marsch zijn die wij zingend hadden gedaan.

5 Mei. Zondag. Het heeft vannacht flink geregend en 's morgens zag de natuur er frisch en fleurig uit. Voor kerktijd heb ik nog eens een wandeling door het Bosch gemaakt en ben toen naar de kerk gegaan. Het was weer een taaie Zondag zooals ik er al zoo veel had gehad, maar deze zou door geen taaie Zondagen meer gevolgd worden, hoewel wij hiervan niet het minste idee hadden. 's Middags heb ik nog eens gewandeld en ben toen maar weer naar het militair tehuis gegaan. Voor den avondkerkdienst heb ik nog een flinke wandeling door de bosschen gemaakt die er thans heel wat behoorlijker uitzagen dan toen ik daar voor een maand geleden kwam. Wat zag alles er rustig en vredig uit. De ondergaande zon goot zijn laatste gouden stralen over bosschen en weilanden en vrolijk klonk het geroep der kievieten op deze schoone lenteavond. Daarna ben ik naar de avondkerkdienst geweest. Ik zou er nadien geen voet meer inzetten ! 's Avonds ben ik maar weer zoals gewoonlijk naar het militair tehuis geweest en daar den dag volgemaakt.

6 Mei. Een goede dag voor mij want nu was ik aan de beurt voor verlof. 's Morgens hebben wij eerst bij het materialen depôt een oefening gehouden in het neerhalen van vliegtuigen. Er was n.l. een houten model aan een draad bevestigd welke op- en afgewonden werd door een rijwielvelg. Als het ding nader kwam richtten wij onze geweren erop om juist te kunnen mikken. Daarna hebben wij vlak voor het station Woudenberg tot vervelends toe geëxerceerd. Het was naar links om, rechts om, knielen, liggen, opstaan. Men werd er tureluursch van. Om half twaalf was het afgeloopen en wel voorgoed en voor mij zeer zeker. Nooit van mijn leven zou ik dit meer behoeven te doen. Daarna gingen wij baden en toen ging het weer op de kamer aan. 's Middags was het voetballen op het terrein bij "de Holevoet". Ik ben nog wel met de troep meegegaan, maar kon meteen weer inrukken, daar het voor mij tijd werd om mij klaar te maken voor het verlof. Ik heb op de kamer nog even de krant gelezen en ben toen op het station aangestevend. De reis verliep voorspoedig en ik was spoedig thuis. Wat was ik in mijn schik dat ik weer in Bussum was en nu weer voor twee dagen.

7 Mei. 's Morgens ben ik weer eens bij mijn baas aangestapt. Ik behoefde echter niet te werken daar ik in verband met de langdurige afwezigheid uit Bussum nu eens deze dagen voor mijzelf mocht behouden. Het weer was minder fraai. Het was donker en er stond een koude NO wind. 's Middags ging ik nog even de plaats in, doch daar werd plotseling in een der drukste winkelstraten mijn aandacht getrokken door een groot bulletin voor een der courantenbureaux, waarvan de inhoud mij zeer verschrikte. Alle verloven zijn ingetrokken, ook de studie- en zakenverloven en allen die thuis of onderweg waren moesten zoo spoedig mogelijk naar hun standplaats. Zoiets had ik nog niet bijgewoond; de zaken verloven ook al ingetrokken. Wat zou daar in vredesnaam achter zitten ? Direct fietste ik naar huis om mijn moeder het sombere nieuws te vertellen. Zij verschrok er ook danig van. Ik zette de radio eens aan en jawel hoor iedere keer hoorde men hetzelfde onheilspellende bericht: "De regeeringspersdienst meldt… en dan volgde hetzelfde als ik zoeven had gelezen. Het zag er frisch uit, dat verzeker ik U.

Ik heb nog gauw mijn avondeten genuttigd en toen zijn wij, mijn moeder en ik per autobus naar het station gegaan. Het duurde niet lang of de trein stoomde binnen. Ik was door dit abrupte afscheid zeer teneergeslagen en zat maar in de krant te lezen. Voordat ik er erg in had was ik al weer in Woudenberg. Toen ik op de kamer kwam waren allen bezig hun zware vrachtje in elkaar te zetten voor den volgenden dag. Ik vernam dat ik den volgenden avond weer wacht moest kloppen te Maarsbergen. Dit viel mij nogal mee. Ik maakte er uit op dat behoudens het sjouwen met die zware vracht de dienst gewoon doorging.

8 Mei. 's Morgens zijn wij weer naar de stellingen geweest en hebben daar zoals gewoonlijk gewerkt. Het was fraai weer en er deed zich gelukkig niets bijzonders voor. Wel gingen er heel rare geruchten rond evenals in November, maar hoeverre die op waarheid berustten kon niet beoordeeld worden. Evenals de vorige maal werden bij het station de Friesche ruiters weer dwars over de weg gezet en de luchtdoelkanonnen voor den dag gehaald. Het was opnieuw verhoogde paraatheid. Minder mooi was het dat alle oudere lichtingen cavalerie en luchtstrijdkrachten welke het vorig jaar waren afgezwaaid opnieuw onder de wapenen moesten komen. Er broeide zeer zeker wat, dat stond vast als een paal boven water. Mijn wachtdienst was inmiddels veranderd. Ik moest weer de wacht aan de Potbrug betrekken evenals op Kerstmis. Om half vier gingen degenen die 's avonds op wacht moesten waaronder ook ik van de stellingen naar de kamer. Bij de Potbrug mochten wij onze zware vracht afhangen en konden zonder tenue naar Scherpenzeel loopen. Dat was een meevallertje.

Na gegeten te hebben zijn wij onder geleide van den wachtcommandant naar de Potbrug gemarcheerd en hebben daar de wacht betrokken. Er moest tevens in alle stellingen patrouille worden geloopen. Ik heb er één voor mijn rekening genomen en deze met eenige mannetjes een heel eind afgeloopen. De nacht was stikdonker en koud. Wij moesten achter elkaar loopen met het geladen geweer in den aanslag, voor het geval wij soms onraad mochten bespeuren, maar er deed zich niet voor.

9 Mei. Een fraaie lentedag. Om de 2 uur heb ik de posten afgelost. Om 9 uur kwam de majoor de wacht inspecteeren en wij moesten allen "in het geweer komen", d.w.z. allen naar buiten komen en ons opstellen. Alle trommels werden nagezien of ze goed gevuld waren met patronen. De inspectie verliep naar wensch, want de majoor was goed te spreken. Het was ons opgevallen dat er onder de Potbrug een lading springstoffen was gedeponeerd. Deze brug zou dan in tijd van oorlog worden opgeblazen. De dag verliep overigens zonder wederwaardigheden en om 6 uur gingen wij per vrachtauto (alweer een buitenkansje) naar Scherpenzeel. Ik ben 's avonds nog even naar het militair tehuis geweest, maar ik had zoo'n slaap dat ik maar besloot om 8 uur naar bed te gaan. Het was de laatste keer geweest dat wij het militair tehuis hadden bezocht. Wij zouden er nooit weer in terugkeeren. Had ik dit geweten dan had ik zeker nog wel officieel afscheid genomen en bedankt voor de gezellige avonden welke ik er gedurende al dien tijd had doorgebracht, doch wie weet alles vooruit ?

10 Mei 1940. Een nieuw jaartal in onze geschiedenis bijgekomen. Nederland in oorlog met Duitschland ! Door welke oorzaak wij het ongenoegen van onze buren op de hals hadden gehaald zal voorlopig wel een raadsel blijven, maar wij zaten erin, en dik ook ! Ik had nauwelijks eenige uren geslapen toen de korporaal van de week op de kamer kwam en mededeelde dat het vervroegd appèl was. Het was toestand Nr 3 (groot alarm). Ik dacht, het zal zoo ongeveer 5 uur zijn maar hoe verbaasd was ik toen mijn horloge 1 uur wees. Wat had dat te beteekenen ? Wij moesten onze particuliere bezittingen inpakken en naar de cantine brengen en om 3 uur moesten wij klaar zijn om naar de stellingen te marcheren en deze te betrekken. In November hadden wij ook al zoiets bij de hand gehad, maar wij gingen toen toch niet zoo vroeg op stap. Daar komen om 2 uur opeens berichten door de radio van de luchtwacht. Vreemde vliegtuigen waargenomen te Leiden op … M hoogte, te Arnhem, Nijmegen, Rotterdam, kortom alle mogelijke plaatsen in ons land werden opgesomd. Dat moet beslist een grootscheepsche luchtaanval op Engeland zijn zoo zeiden wij en dat gaat zoomaar met vliegtuigen over ons land !

Na korte tusschenpozen herhaalden de berichten zich opnieuw telkens weer uit andere plaatsen. Ik was door dit alles geheel over mijn zenuwen heen doch bleef volkomen kalm, hoewel ik inwendig geheel over stuur was, maar niemand merkte iets aan mij. Het zal zoo met duizenden wel het geval zijn geweest. Toen wij om 2 uur naar de cantine gingen waren alle burgers al op en stonden in groepjes te praten. Overal brandde het licht in de huizen. Om 3 uur stonden wij eindelijk met onze zware vracht klaar om naar Woudenberg te gaan. Toen wij daar goed en wel voor het bureau stonden vertoonden zich plotseling honderden vliegtuigen die alle uit het Oosten kwamen, terwijl men uit wijden omtrek het gedonder van het afweergeschut hoorden. Wij zagen tusschen de vliegtuigen kleine rookwolkjes. Dit waren de granaten die uit elkaar sprongen. Zoo gingen wij dan op weg met honderden vliegtuigen boven ons hoofd. "Hoe konden wij het doen zulk een gevaarlijke tocht", zeide later de vaandrig, maar het moest, de plicht gebood het. Toen wij ongeveer 100 meter van de Potbrug verwijderd waren zagen wij opeens al deze vliegmachines weer terugkomen, doch hetgeen wij tevens te zien kregen vervulde ons met ontzetting. Daar komt opeens een groote duikbommenwerper temidden uit al die overige vliegtuigen als een steen naar beneden vallen, vliegt vervolgens lijnrecht op 3M hoogte over de stelling en schiet zijn hele mitrailleur op onze soldaten leeg.
Maar onze jongens waren niet voor de poes. Hij werd pardoes neergeschoten en de bemanning was om zeep. Er zullen toch ongetwijfeld in deze stelling wel enkele slachtoffers gevallen zijn tengevolge van deze schietpartij. Na dit onverkwikkelijke incident op de nuchtere maag gingen wij onze stelling in achter een melkfabriek dichtbij het station waar wij ook op 17 April j.l. hebben gezeten. De overigen gingen de andere stellingen in de weilanden betrekken. Het aantal vliegtuigen nam gaandeweg af en spoedig was er geen een meer te zien. Statig verhief de zon zich in het Oosten boven de kim, de vogels zongen hun morgenzang in de boomen, de appelboomen stonden in vollen bloei, kortom de natuur vierde feest, het feest van de lente. Temidden van al deze schoonheid ging de duivel rond om dood en verderf te zaaien. Daar kondigt reeds om half zes het A.N.P. aan dat de vliegtuigen op verschillende plaatsen parachutisten hadden uitgelaten.

Dit zijn menschen die aangewezen zijn om verschillende objecten te saboteren, zoals in Finland, doch door politie en militairen werden deze spoedig onschadelijk gemaakt. Om 6 uur ging een ieder weer naar zijn werk alsof er niets aan de hand was. Ik zag de fabrieksarbeiders rustig fietsen met hun blauwe kruikjes aan het stuur. Even later kondigt de radio aan dat het Duitsche leger over de Oostgrens was binnengevallen en er hevig werd gevochten aan de IJsellinie. Te Venlo was verder een Duitsche pantsertrein met brug en al in de lucht gevlogen terwijl deze er zich juist op bevond. In Groningen bracht de vijand het nog niet verder dan Delfzijl, daar zij op taaien weerstand stuitte. Verder werd nog bekend gemaakt dat het vliegveld Welschap bij Eindhoven was gebombardeerd en daar blijf het voorlopig bij. Daar zaten wij nu wachtende op de dingen die komen zouden. Ik gaf mijn verdriet den vrijen loop, echt menschelijk lezer, maar herstelde mij spoedig. Ik kon uit alles merken dat ik door een Hoogere Macht werd gesterkt en de oorlogsdemon niet geheel vat om mij had. Om 8 uur kondigde het A.N.P. een toespraak aan van H.M. de Koningin. Ontroerend was de aanhef: "Mijn Volk".

Wat er verder volgde kan ik voorloopig niet mededeelen, maar het was verre van malsch. Iedereen was het echter met deze woorden hartgrondig eens. Daarna klonk plechtig ons aloude "Wilhelmus". Ook het tweede couplet werd niet vergeten: "Mijn schild en de betrouwen". Het was een onvergetelijk moment. Wij schreven maar briefkaarten naar huis, maar deze werden in geen dagen bezorgd, daar het geheele postale verkeer in de knoop zat. Wij verkeerden in de grootste onzekerheid omtrent onze geliefden die wij thuis hadden. Om kwart over elf komt er weer leven in de brouwerij. Daar komt opeens een groote laagvliegende bommenwerper aan en zet koers regelrecht op onze stelling. Wij vluchtten gauw in de mitrailleursnis, terwijl een andere kameraad zijn mitrailleur rechtovereind er op afschoot. Bovendien kwam het luchtdoelgeschut weer in hevige actie. Het vliegtuig vloog echter over ons heen zonder ons te deeren. Wij zagen nog even om en daar staat me dat vliegtuig te stijgeren als een paard. Hij was geraakt en goed ook. Met een doffe slag viel het monster in een weiland achter het station neer.
Wij konden echter niet zien wat er van het vliegtuig was geworden, maar er klommen fabrieksarbeiders boven op het dak van de melkfabriek en zagen dat het ding brandde als een fakkel.

Wat er van den piloot was terechtgekomen zou ons in vredestijd met deernis hebben vervuld, maar in oorlogstijd vraagt men daar niet naar. Er klonk een daverend hoera uit duizenden kelen toen het vliegtuig voor de wereld lag. Om 3 uur zagen wij betrekkelijk dichtbij ons een boerderij in lichter laaien staan en even later rechts in een weiland een groot kippenhok. Deze objecten waren door onszelf aangestoken als zijnde een hindernis voor een goed schootsveld.

Terzelfdertijd komt een nieuw bericht door de radio dat de Hollanders aan de IJsellinie een uitval hadden gedaan en den vijand 10 a 15 KM hadden teruggeworpen en voorts dat andere vijandelijke afdeelingen nog steeds voor Delfzijl zaten, terwijl er verderop nog werd meedegedeeld dat er nog 3 pantsertreinen in de lucht waren gevlogen. Daar komen opeens weer ongeveer 6 vliegtuigen aanstevenen welke a.h.w. op een plukje vlogen. Er werd weer flink op geschoten, maar de vliegmachines vervolgden rustig hun gang. Om half vier kwam weer een groote zware bommenwerper met groote snelheid aanzetten. Hij vloog slechts op 10 M. hoogte en scheerde over de boomen heen. Weer kwam het geschut in actie, maar of hij geraakt was konden wij niet te weten komen. 's Middags zagen wij een trieste stoet van mannen, vrouwen en kinderen uit Woudenberg naar het station trekken. Zij moesten allen evacueeren. Boerenwagens vol beddengoed en tal van menschen met fietsen aan de hand en waarop zij beddengoed op de bagagedrager meesleepten trokken over den straatweg langs de stelling.

Onwillekeurig dacht ik "hoe zou de situatie in het Gooi zijn, zou daar de bevolking ook al geëvacueerdworden ? 's Avonds kregen wij een heele invasie van burgers uit Renswoude, die tijdelijk werden ondergebracht in de barakken langs onze stelling. Ik ben er 's avonds eens gaan kijken. Het geleek een kamp van Belgische vluchtelingen tijdens den vorigen oorlog. 's Avonds kwamen de etenhalers ons warm eten brengen, maar mijn eetlust was vanzelfsprekend niet groot. Om 7 uur werden wij allen getracteerd op limonade, flappen, sigaren enz. Dit ging van de legerleiding uit en moest zoiets voorstellen als een galgenmaal. Wij hadden het in onze hele diensttijd nog niet zoo goed gehad als ditmaal, maar deze uitingen van medeleven stonden ons maar matig aan. Toen het donker was geworden zag ik in het Oosten gedurende langen tijd een angstaanjagend bliksemschijnsel. Het weerlichtte zonder ophouden en de lucht was daar een en al vuur. Het maakte den indruk alsof er een ontzettend onweder op grooten afstand woedde, maar onweer was het niet, daar zag zelfs de geheele weersgesteldheid niet naar uit, want de sterren schitterden aan het uitspansel.
Brand was het evenmin. Wat het dan wel was kon de luitenant aan wien ik het vroeg ook niet zeggen, maar griezelig was het. Misschien kan het wel een hevig artilleriegevecht zijn geweest. Wie zal het zeggen ! Zoo was dan weer den eersten oorlogsdag om.

11 Mei. 's Nachts moest ik wacht kloppen, d.w.z. van 's avonds 8 uur tot 's nachts 2 uur, dan zou de sergeant mij komen aflosssen. Ik liep maar zoo'n beetje in de duisternis rond en stak zoo af en toe maar eens een sigaret op. De Duitsche vliegtuigen ronkten weer dat het zoo'n aard had, maar zij bleven ditmaal althans bij ons nogal op een afstand. De geheele nacht kwamen er berichten door de radio van de luchtwachtdiensten over waargenomen vliegtuigen. Oppassen was voor mij de boodschap om te zorgen dat de wachten bij de mitrailleurs niet in slaap vielen en af en toe ging ik met een zaklantaarn de zaak eens contrôleren en ging ik er zoo nodig zelf bij zitten om toezicht op mijn mannetjes te houden. Om 3 uur ging ik te ruste in de lignis, maar er kwam niet veel van slapen. Met een ontzettende slag vloog het eene huis na het andere in de lucht, waardoor ik iedere keer wakker werd. Bovendien luchtte ik 's nachts mijn overkropt gemoed gemoed in heftige huilbuien, daar ik het vast in mijn had gezet dat ik mijn moeder en de plaats mijner inwoning nooit meer zou terugzien. De overige kameraden zeiden ook niet veel want er ging bij hen eveneens veel om, dat verzeker ik U. Daarna vloog bij de Potbrug een heel stelletje boomen in de lucht.

Tegen 5 uur kwamen weer Duitsche vliegtuigen opdagen en maakten een groote herrie, daar deze zeer laag vlogen. Dat was onze nachtrust, lezer ! Om 8 uur gingen wij aan ons morgenontbijt (kuch en koffie). Daar komt opeens weer een vliegtuig aanzetten met een geraas dat hooren en zien verging, doch dit was nu eens bij uitzondering…een Hollander. Het was opvallend dat wij dezen morgen geen enkel Duitsch vliegtuig te zien kregen, daar er den vorigen dag toch zeker honderden waren geweest. De oorzaak zouden wij nu wel spoedig te weten komen. Om 8 uur riep het A.N.P. omdat er den vorigen dag door ons 106 vliegtuigen waren neergeschoten en door de Belgen (want ook Belgie was evenals wij het kind van de rekening geworden) 44. Wat een prestatie van ons nuchtere Hollanders. 's Middags hebben wij aan den overkant uit een stelling eenige kisten handgranaten gehaald. Dat mag dan ook wel. Ik zeg maar zoo, als er een vreemde gast in onze stelling komt dient men hem toch wat te eten te geven. Wij hadden nu voor hard gekookte eieren gezorgd, maar ik vermoed toch dat hem dit soort eieren wel niet erg zou smaken want deze dienden meer om den eventueelen vreemden gast naar het hoofd te slingeren. Wellicht zou hij dan naar geen tweede verlangen.

Om 3 uur kwam weer eens een plukje vliegtuigen over. Er werd weer flink op geschoten, maar voor zoover mij bekend werd er geen een geraakt. Even later werd per radio weer bekend gemaakt dat er parachutisten waren neergekomen, doch tevens dat deze onschadelijk waren gemaakt. Om 6 uur volgde weer zoo'n zaakje vliegtuigen en zoowaar werd er een van neergehaald. Men hoorde althans weer een luid hoerageroep. Om half 7 verschenen 2 Engelsche vliegtuigen, waarop natuurlijk niet werd geschoten. Zij cirkelden geruimen tijd boven Woudenberg. Toen kwam een eenzame Duitsche jager op het toneel. Deze maakte echter als een haas dat hij wegkwam toen hij de beide Engelsche in de gaten kreeg, doch dezen zetten op hun beurt ons jagertje achterna. Het weer begon minder gunstig te worden. Er stak een koude Noordooster op en er vertoonden zich dikke wolken. De zon neigde ter kimme. Het was althans bij ons nogal een rustige avond. De kinderen van de geëvacueerde burgers liepen bij ons te spelen met hoepels en vliegende hollanders. Ik bedoel natuurlijk de burgers die bij ons zijn ondergebracht.

12 Mei. Vanaf 6 u (den vorigen avond) mocht ik nu slapen en om 3 uur wachtkloppen. Ik heb heerlijk geslapen; luister maar eens. Om ongeveer 10 uur vloog met een slag die hooren en zien verging een hele fabriek in de lucht en later nog een huis. Om 2 uur begonnen opeens alle stellingen in den omtrek te vuren. Tientallen mitrailleurs paften wel 10 minuten lang. De schrik sloeg mij om het hart en ik dacht: "Zou de vijand nu al in de buurt zijn ?" Dit bleek gelukkig niet het geval te zijn. Er waren weer vliegtuigen gekomen en waarschijnlijk werd er op parachutisten gevuurd. Het begon te regenen, maar het was van korten duur. De nacht was koud, doch de straffe wind was gaan liggen. Eindelijk brak de morgen aan van…den Eersten Pinksterdag. Het was me je Pinksteren wel, Pinkster 1940. Het was de uitstorting van den geest uit den afgrond. Gelukkig was het dat in de kerken het Pinksterfeest nog in gewijden zin kon worden gevierd en dat de duivel op het geestelijke gevoel van den Christen geen vat heeft. Er was overigens van Pinksteren bij ons geen spoor te ontdekken.

Ik las in mijn N. Testamentje dat ik bij mij had in mijn eentje het Pinksterverhaal uit Handelingen 2, opdat toch niet alles wat aan Pinksteren herinnert teloor zou gaan. Om 8 uur kwam men ons de koffie brengen voor ons morgenontbijt. Een der H.H. koffiebezorgers deed ons de mededeling dat een vliegtuig zoo vriendelijk was geweest om op hem te schieten. Gelukkig was hij niet geraakt. Ik ging nog eens even uit de stelling en zag daar opeens een vrachtauto uit Hilversum. Ik hield deze wagen aan en vroeg den chauffeur hoe de toestand in het Gooi was. Hij vertelde mij dat er nog niemand was geëvacueerd en alles nog normaal was. Hij vroeg mij waar ik woonde en ik gaf mijn adres te Bussum op. Hij zou mijn moeder mededeelen dat ik het nog goed maakte. Hoe was het mogelijk dat ik precies op het juiste moment een auto uit Hilversum moest ontmoeten. Dat was een Bestiering ! Ik was er danig van opgelucht. Ik vervolgde mijn weg en daar ging opeens met een geweldige klap de Potbrug in de lucht. De ruiten in een groot hôtel slingerden hevig heen en weer. Op de spoorbaan gekomen zijnde keek ik eens links en rechts en bespeurde diverse branden. Zwarte rookwolken zag men in de verte opstijgen.

Wat was het stil aan het station. De burgers uit Renswoude waren zooeven met den trein vertrokken naar het N. van N. Holland en sindsdien reed er geen trein meer. Om 10 uur werden wij door den kapitein ineens aan het werk gezet. Wij moesten prikkeldraad spannen rondom zijn commandopost achter onze stelling, en om half een waren wij ermee klaar. Onderwijl maakten wij nog een scène mee. Er verscheen weer eens een koppeltje vliegtuigen. Wij staakten even ons werk, grepen onze geweren en tientallen schoten knalden naar boven. Ze troffen blijkbaar geen doel, want ze gingen verder. Meteen riep de radio rond dat er o.a. ook vliegtuigen waren waargenomen boven Woudenberg. Nu dit was de waarheid hoor. Zij gingen tegelijk met dit bericht precies over onze hoofden heen. Verder verkondigde even later het A.N.P. het sombere nieuws dat H.M. de Koningin en de geheele regeering naar Engeland was uitgeweken. De toestand werd hoe langer hoe dreigender. Daar zat Holland nu als een schip zonder roer temidden van den oorlogsstorm. Het Staatshoofd weg, wat een tijding !

Om 1 uur kwam een radiobericht dat speciaal voor de groote steden was bestemd, dat het verboden was om uit veiligheidsoverweging avondkerkdiensten te houden. Hoe wijs deze maatregel ook moge zijn, achter dit alles stond toch de satan om toch vooral het erop te zetten dat het Pinksterevangelie niet zou worden verkondigd. Daar begon om 2 uur het eerste kanon te bulderen. Er werd van West naar Oost geschoten, dus in den richting van den vijand die hier overigens nog ver genoeg vandaan was. Het was blijkbaar verdragend geschut. Uit de diverse berichten vernamen wij dat het er hedenmorgen op Waalhaven te Rotterdam Spaansch toegegaan was. De verliezen waren aan beide zijden groot. Het betrof een hevige schermutseling tusschen parachutisten en Hollandsche mariniers, doch ter zake ! Den geheelen middag schoot dit kanon zonder ophouden. De granaten sisten door de lucht, doch het vuur werd niet beantwoord. Er werden natuurlijk ook huizen getroffen en te Scherpenzeel brandden er dan ook eenige af. Om 8 uur komt een ordonnans mij een briefje brengen met diverse verdachte autonummers erop. De auto's welke dit nummer droegen moest ik aanhouden en de inhoud overhoop schieten.

De bedoeling was natuurlijk niet om de Heeren gelegenheid te geven eerst uit te stappen, want dan was men zelf de sigaar. Desnoods maar pardoes door de ruiten heenschieten was het beste. Welke menschen men hier op het oog had was duidelijk genoeg. Het betroffen hier personen die zich tijdens den oorlog aan landverraad hadden schuldig gemaakt. De overige auto's moesten eveneens worden aangehouden en aan de bestuurders het wachtwoord worden gevraagd. Ik moest 2 man meenemen en mij op een kruispunt opstellen. Het was vrij donker en steenkoud. Men zag geen enkele burger meer, wel een groote zwarte hond die om zijn baas treurde welke geëvacueerd was. Het geheel leek een nachtmerrie. Toen ik even achterom keek zag ik een groote brand te Scherpenzeel. De oorlogsellende begon nu eerst recht te komen. Er kwamen tal van militaire vrachtwagens en motorfietsen langs die alle door ons werden aangehouden, doch zij gaven alle prompt het wachtwoord, zoodat zich niets bijzonders heeft voorgedaan. Daarna rukten wij om 10 uur in koud als een botje. Wij gaven onze instructies over aan een sergeant met 2 man die ons kwam aflossen. Het kanon had inmiddels gezwegen en het was doodstil.

Wij gingen de donkere stelling weer in en na nog tot 3 uur in de donkere mitrailleurnis te hebben gezeten om een oogje in het zeil te houden op mijn kameraden die de wacht hadden bij de mitrailleurs ging ik om 3 uur weer de lignis in om te slapen. Ik kreeg zoals gewoonlijk weer een heftige gemoedsaanval doch het duurde niet zoo heel lang. De nacht was tamelijk rustig. Er kwamen zeer weinig vliegtuigen, maar het kanon dat eerst gezwegen had donderde weer den ganschen nacht door.

13 Mei. Tweede Pinksterdag, tenminste thuis op de scheurkalender. Het weer was somber en koud. Om 8 uur ging ik na het morgeneten weer met 2 menschen posten op dezelfde plek waar wij den vorigen avond hadden gestaan. Wij moesten nu alleen maar wagens aanhouden en naar het wachtwoord "slotgracht" vragen, dus een minder gevaarlijk bedrijf dan de eerste keer. Om 10 uur kwamen er opeens weer een stuk of zes vliegtuigen recht over ons heen. Wij schoten recht de hoogte in, maar het zestal vervolgde kalm haar weg, niettegenstaande het luchtafweergeschut weer in heftige actie kwam. Het verschijnen van vliegtuigen werd steeds zeldzamer en er gingen uren heen zonder dat wij er een zagen. Om 10 uur zat de wacht er al weer op en wel voor den geheelen dag. Wij gingen weer naar de stelling toe, nadat wij waren afgelost. Een groote zwarte bouvier huppelde vrolijk achter ons aan, ook al weer een hond die zijn baas kwijt was. Inmiddels had bij het station een tragisch ongeval plaatsgehad. Door het vuren op vliegtuigen was een korporaal-facteur door een verdwaalde kogel gedood. Het lijk werd achter onze stelling voorlopig begraven.

Op het graf werd een stok in den grond geplant waarop de helm van den gevallen kameraad werd gezet en voorts werden er nog eenige bosjes bloemen op het graf gestrooid. Tegen den middag kwamen zeer ongunstige berichten door de radio. De vijand had kans gezien om in N. Limburg met een kleine afdeeling over de Maas te trekken en Brabant binnen te vallen. Eerst werd Mill genomen dat echter na een verbitterd gevecht door de onzen weer werd heroverd, doch helaas later weer moest worden prijsgegeven. Voorts ging het door de Langestraat naar Breda welke stad door de Franschen werd verdedigd, doch ten langen leste ook moest capituleren. Slachtoffers onder de burgerij waren er niet te betreuren, daar deze allen waren geëvacueerd. Een tweede doch groote vijandelijke afdeeling was erin geslaagd de IJsellinie te doorbreken en trok via Zutphen achter Apeldoorn om langs Ede en zoo op de Grebbelinie aan, juist aan den anderen kant waar wij waren, want ook wij zaten in dezelfde linie. Een derde groote legermacht trok langs de Groningsche en Friesche kust op den afsluitdijk aan.

Het was echter geen militaire wandeling, lezer, dat zult U natuurlijk wel begrijpen, doch daarover wil ik voorshands niet uitweiden, want het boek handelt over mijn eigen ervaringen. Een vierde kleine afdeeling trok vanaf Apeldoorn naar Amersfoort, doch bleef voorlopig te Barneveld. Ik zou om 2 uur aan de overkant van de straat bij een kameraad in de stelling een pakje scheermesjes en scheerzeep koopen. Ik was daar nog net in geslaagd, want op den terugweg zijnde begon de Duitscher met een kanon te vuren vanuit de richting Ede op Scherpenzeel en Woudenberg. De stukken granaat sloegen in de straat en ik ben dekking zoekend tusschen struiken weer bij onze stelling aangeland. De kapitein gaf bevel om in de lignissen te gaan en de deuren ervoor goed te sluiten. Wij zaten er nauwelijks in of er brak een oorverscheurend tumult los. De Hollanders begonnen nu terug te vuren met 14 kanonnen. Deze stonden slechts op een paar honderd meter afstand van ons verwijderd. Nog nooit hadden wij zoo'n helsch spektakel bijgewoond. Het vuren ging over en weer. In dien tijd ging het dorp Scherpenzeel voor het grootste gedeelte in vlammen op tengevolge van deze operaties. Ook Renswoude kwam er slecht af.

Te Wouden berg brandden eveneens eenige huizen af en werden van vele huizen de daken zwaar beschadigd, doch van al deze schade welke werd aangericht was Scherpenzeel er het slechtst aan toe. Terwijl wij in de lignis zaten gebeurden er 2 zeer ernstige dingen. Ten eerste woedde een vreeselijke strijd op den Grebbenberg bij Rhenen. De ene vijandelijke stormaanval na de andere werd aanvankelijk door de onzen afgeslagen, doch de overmacht was tenslotte zoo groot dat zij het niet konden houden. Er sneuvelden honderden van het 10e, 8e, 18e en 19e en van het heele regiment bleef niet veel over, vooral niet toen de vliegtuigen eenige bombardementen uitvoerden. Maar meen nu niet lezer dat de verliezen aan onzen kant alleen waren. De andere partij kwam er ook niet zonder kleerscheuren af. Het was een indroevige gebeurtenis, ook voor den aanvaller want het zijn tenslotte toch ook menschen die erop af gestuurd worden. Nu zag ik eerst recht dat het Gods goedheid was dat ik op 17 October van het vorige jaar per abuis bij het 15e was gekomen. Ook het tweede geval sprak voor mij zeer duidelijke taal.

Vanaf Barneveld waar ook eenige huizen waren verwoest, doch over het algemeen de schade niet zeer groot was naderde een afdeeling Duitsche mitraillisten. Tenslotte bereikten zij Scherpenzeel waar de jongens even voorbij de kerk in stelling zaten. Deze behoorden ook evenals wij tot het 15e. Ze raakten gelijk te Rhenen ook met den vijand slaags en hier sneuvelden er een aantal van, terwijl de rest als krijgsgevangenen naar Duitschland werden gebracht. Daar had ik ook bij kunnen zijn, want welke reden was er dat ik juist in de groote koude schuur terecht kwam, terwijl zij vlakbij ons in de z.g. "Oude Eierhal" waren gelegerd. Ook dit kan ik gerust als een Bestiering beschouwen. Er sneuvelden ook vele Duitschers tusschen Scherpenzeel en Woudenberg, waaronder ook een Hauptmann (kapitein) welke vlak bij de "Holevoet" in het weiland werd begraven. Voorts vielen een groot aantal paarden ten offer aan Mars. De Duitschers klommen van benauwdheid in de boomen, doch werden er door de Hollandsche artillerie uitgeschoten. Er was er een bij wiens beide beenen waren afgeschoten, zooals ik later zelf uit den mond van een Feldwebel (sergeant) vernam.

Een groote korenmolen brandde eveneens tot de grond toe af. Om 5 uur staakten beide partijen het vuren en was het tenminste bij ons weer rustig. Wij kropen weer uit onze lignissen en stonden weer in de open lucht. Wij hadden er benauwde uren doorgebracht. Hoe gevaarlijk het overigens bij ons ook was moge uit het volgende blijken. Toen wij in de lignissen zaten kreeg een onzer kameraden het plotseling in zijn hoofd om eruit te gaan. Hij wilde nog iets halen uit de stelling, doch meteen vloog er een groot stuk ijzer over de stelling rakelings langs hem heen.
Als dit projectiel hem had getroffen zou hij het niet meer hebben naverteld. Toen alles weer was gekalmeerd verliet ik de stelling en ging een paar honderd meter verder bij den facteur kijken om te zien of er nu eindelijk ook eens post voor mij was gekomen en zoowaar daar kreeg ik een krant van mijn moeder van Zaterdag 11 Mei, dus slechts 3 dagen oud. Jammer genoeg was er geen brief bij. Ik was zeer blij en kon er tenminste uit opmaken dat Zaterdag j.l. thuis alles nog in orde was. Men stond echter wel in het Gooi op het punt om te evacueeren, doch dit is niet doorgegaan.
Om 6 uur kregen wij ons warm eten en daarna was het maar weer afwachten welk fraais er nu zou komen. Daar komt om half acht plotseling een ordonnans in de stelling verkondigen dat wij direct ons tenue weer in elkaar moesten zetten (een vrachtje van 45KG !) en omhangen. Wij moesten weg en terugtrekken van de Grebbelinie naar de Hollandsche Waterlinie bij…Bunnik. Wij konden al onze particuliere bezittingen voor zover dit mogelijk was meenemen. De andere stelling liep eveneens leeg.

De oorzaak van deze order was te zoeken in het feit, dat wij vrijwel door den vijand werden omsingeld, (Rhenen en Scherpenzeel) en daartusschen lag Woudenberg nog net vrij. Verder liep de Grebbelinie leeg. Hoe dit gekke geval kon plaatshebben zal ik maar niet zeggen, de lezer trekke zelf zijn conclusies. Wel weet ik dat er niet nader te noemen uitdrukkingen door ons werden gebezigd die maar al te waar bleken te zijn. 't Was wat moois lezer, dat verzeker ik U ! Wij moesten bij het station overal fietsen vandaan halen. Ze lagen daar bij honderden en waren door de geëvacueerde burgers achtergelaten. Het was een ware exodus om ons vege lijf te bergen.
Om 8 uur gingen wij op stap, doch het viel niet mee om met zoo'n zware vracht te fietsen. Ook het fietsen zelf schoot slecht op doordat de stoet te groot was.

Gelukkig ontdekte ik een van mijn kameraden die een bakfiets had, waarop geweren enz. waren gedeponeerd. Ik ontdeed mij van het geweer, maar de vracht had ik nog. Achter ons werd tweemaal met artillerie geschoten. Wij zagen tenminste boven Scherpenzeel 2 granaten in de lucht uit elkaar springen. Links zagen wij op grooten afstand in de richting Veenedaal een rosse gloed hetgeen weer een brand verried. Om ongeveer 9 uur gingen wij door Woudenberg. Het begon al aardig donker te worden. In het dorp was natuurlijk geen levende ziel te ontdekken. Het zag er spookachtig uit.

Steeds verder ging het door stikdonkere boschlanen totdat wij om kwart over tien bij Maarn waren. Wij waren nu slechts 10KM bij Rhenen vandaan, waar den vijand zat, maar het was hier zeer rustig. Alleen kwamen wij twee hollende paarden tegen. Waar deze dieren vandaan kwamen was moeilijk uit te maken. Steeds verder ging het want van even rusten kwam niets. Om 1 uur trokken wij door het pikdonkere Zeist. Uit een der zijlanen kwam een enorme macht militairen welke eveneens instructies hadden gekregen de stellingen te verlaten. Zij smolten met ons samen en vormden een heele divisie (plm. 10.000 man). Deze stoet werd gevolgd door een twintigtal keuken- en munitiewagens en motorrijders.

14 Mei. Daar zaten wij nu in Zeist. Wij mochten een half uur rusten. Nu dat mocht ook wel na 5 uur loopen. De zware vracht had ik wijselijk op de bagagedrager van de fiets geslingerd. Door de enorme zwaarte bleef het zaakje liggen en gleed er niet af. Aan de fiets had ik overigens niets, daar onderweg het ventiel uit de voorband was gesprongen. Wij dronken water in een soort waschlokaal, want wij hadden knap dorst na al dat marschen. Ons z.g. halfuur rust duurde slechts tien minuten, want wij moesten meteen weer weg. Het was blijkbaar te gevaarlijk om lang te wachten. Om ruim half 2 waren wij Zeist uit en daar stond de hele zaak plotseling stil. Men kon niet meer voor- of achteruit wegens het groote aantal en de smalle lanen en bovendien hing er zulk een dichte en koude mist dat men haast niets kon zien. Er waren er velen waaronder ook ik die midden op den weg op de ransel gingen slapen, want wij waren zoo moe als een hond. Het was kil en goed weer om een ziekte op te loopen. Eindelijk na een halfuur kwam er weer schot in. Langzaam zette de stoet zich in beweging en om 3 uur waren wij eindelijk dicht bij Bunnik, doch opnieuw stond de zaak stop.

Het was inmiddels dag geworden, doch de dichte mist hing nog steeds over de weilanden. Een afdeeling wagens en motorrijders moest ons eerst passeren en dat vorderde heel wat tijd. Het was echter zeer rustig en geen enkel vliegtuig liet zich zien. Opnieuw zette de zaak zich in beweging en om ongeveer 4 uur waren wij te Bunnik, een heel aardig dorp en rijk aan natuurschoon, maar het was nu eenmaal geen vacantiereisje en wij hadden er totaal geen oog voor. Een afdeeling van onze divisie werd in de daar aanwezig zijnde lege villa's ondergebracht. Wij dachten niet anders dan dat wij ook onze marsch ten einde hadden gebracht, temeer daar wij een groote watervlakte, de Hollandsche Waterlinie passeerden. Maar neen, de tocht ging verder. Het waren prachtige boschlanen waarlangs onze tocht voerde. Het werd nu hoe langer hoe lichter en tenslotte trok ook de mist op, maar het weer bleef nog somber. Tot ons geluk mochten wij na nog 3KM gelopen te hebben een kwartier rusten aan een boschrand. Toen ging het weer verder totdat wij eindelijk om 5 uur de grens van de stad Utrecht hadden bereikt. De burgers begonnen reeds te ontwaken.

Wij zagen treinconducteurs naar de stad gaan welke alle van gasmaskers waren voorzien. Om half zes waren wij eindelijk midden in de stad. Ondanks het zeer vroege ochtenduur was het er toch al zeer druk. De verkeerspolitie had een stalen helm op, evenals de militairen. Bij een eventuele schietpartij is het n.l. bewezen dat de kogels daarop afketsen. Door de stad gaande zagen wij vele ruiten in der winkelhuizen met papiertjes beplakt. Dit was gedaan voor het geval als er eens een bom zou neerkomen dat dan niet de geheele ruit aan diggelen zou gaan, maar de stukken nog zooveel mogelijk bij elkaar zouden blijven. Zoo liepen wij dan maar van de ene straat naar de andere en nog steeds hadden wij ons doel niet bereikt. Wij begonnen een razende trek aan eten te krijgen, maar hoe hieraan te komen ? Alle zaken zaten nog dicht. Uit een der huizen kwamen echter kinderen met boterhammen en beschuiten aanhollen. Gelukkig zag ik ook kans er een te bemachtigen en voorloopig was mijn honger eenigermate gestild. Wij geleken veel op een stel landloopers die van giften en gaven moesten leven. Eindelijk om kwart over zes werd halt gehouden. We waren nu in Jutfaas vlak bij het Merwedekanaal.

Vlakbij ons bevond zich de groote verkeersbrug naar Den Bosch. Links lag de Hollandsche Waterlinie, terwijl er ook een pracht stelling aanwezig was, doch er waren jammer genoeg geen lignissen in. Er was sprake dat de vijand 's avonds laat zou proberen deze waterlinie te doorbreken. Daarom waren wij juist hier gelegerd om ze van het lijf te houden. Wij konden ons prachtig dekken achter een hooge dijk, maar voor vliegtuigen … De zin zal ik maar niet voltooien. Ik zou er nog kippenvel van kunnen krijgen als de slag was doorgegaan. De zon brak door de wolken en in een oogenblik was het weer stralend lenteweer. Het was heerlijk zacht en weinig wind. De majoor gaf ons permissie om een paar uur te gaan slapen. Nu, dat leek ons wel na zoo'n ervaring. Het was er dan ook heerlijk tusschen het hooge gras in de koesterende zon. Maar waar bleef ons brood ! De geheele ravitailleering scheen in het honderd te zijn geloopen. Wij troostten ons maar met de gedachte "Misschien komt het straks nog wel, al is het dan ook laat". Wij besloten dan ook maar eens heerlijk te gaan pitten met zijn zestigen, want met zoovelen waren wij zeker.

Wij lagen er ongeveer een half uurtje toen onze rust wreed verstoord werd door een aantal bommenwerpers die op een afstand eerst over Jutfaas koersten en vervolgens regelrecht op ons aankwamen. De sirene loeide over het dorp en het afweergeschut van de Utrechtsche forten kwam geducht in actie. Wat moesten wij nu beginnen midden in een weiland ? Als de wind zochten wij dekking in een droge sloot. Wij waren blijkbaar zoo goed gecamoufleerd met het weiland dat ze ons niet in de gaten hadden. Ze vlogen tenminste over ons heen zonder ons te deeren. Wat een verademing toen het zaakje weg was, maar lang zou het niet duren. Even later kwamen ze weer terug en weer was het dekken, dekken. Ze lieten ons gelukkig weer met vree. Ik leed deze morgen weer erg aan neerslachtigheid en dacht voortdurend maar aan huis en haard. Eindelijk probeerde ik ook eens wat te gaan slapen en werkelijk het lukte als was de slaap dan ook zeer oppervlakkig. Om 11 uur kwam een onzer kameraden met blikken koekjes en kregen wij elk ongeveer 20 stuks. Wij aten eruit als wolven, maar werden hierdoor allesbehalve verzadigd. Ook de nattigheid ontbrak.

In meer dan 24 uur hadden wij geen vocht tot ons genomen, zelfs geen water. Om 12 uur zagen wij eenige zeer laag vliegende Hollandsche bommenwerpers van het type "Fokker G 1". Verder gebeurde er in de eerste uren niets bijzonders. Het bleef rustig. Om ca half vier stond ik eens over de uitgestrekte weilanden te turen en werd mijn aandacht getrokken door een eigenaardige vaalgrijze lucht in het ZW. De zon scheen dofrood hiertusschen. Het geleek wel iets op een onweer, maar de donderwolken ontbraken. Niettemin zeide ik: "Ik geloof dat we zwaar weer krijgen". Maar dan dacht ik weer "het lijkt ook wel wat op een groote brand". Het aspect van de bui zag er zoo rookerig uit en dan dat rare valsche zonnetje. Helaas bleek deze laatste gedachte een vreeselijke waarheid te bevatten. Al wat er kwam, geen regen of onweer. Het was een … aschbui, zoals bij een geweldige vulcaanuitbarsting. Wat was er n.l. gebeurd.

De vijand had Rotterdam op afschuwelijke wijze gebombardeerd en de gehele binnenstad was een ware hel geworden, 28000 huizen, tesamen in 366 straten stonden in brand en sinds de rampen van Krakatou en de uitbarsting op Martinique waren er niet zooveel slachtoffers geweest en dat nog wel in ons eigen land ! Dit kwamen wij 's avonds te hooren. Onnoodig te zeggen dat dit bericht onder onze Rotterdamsche kameraden algeheele ontzetting bracht. Maar het onaangename was dat in nagenoeg het geheele land de telefoon niet functioneerde en met Rotterdam zeker geen verbinding te krijgen was. De catastrophe was dus van dien aard dat deze op 50KM was waar te nemen. Na eenige kalme uren kwamen tegen 4 uur opnieuw eenige vliegtuigen aanzetten. De kanonnen vuurden er weer geweldig op en ook de zware mitrailleurs. Ik was op dit moment toevallig bij een boerderij waar een der mitrailleurs was opgesteld. Het was een oorverdovend kabaal en vele kogels sprongen op de dakpannen terug. Het geleek wel een hagelbui. Wij holden als gekken rond dit huis om niet geraakt te worden.

Even later was het weer stil en de vliegtuigen vervolgden hun weg. Of er een was geraakt weet ik niet maar wel zag ik een vliegtuig welke een groote rookpluim achterliet. Oogenschijnlijk vloog deze normaal, doch niet onmogelijk is het later is neergestort. Om 6 uur kregen wij boven verwachting warm eten en kuch voor den volgenden dag. Er stond een kokswagen op een boerenerf. Nu wij hadden wel trek, dat is te begrijpen. Na het eten heb ik bij den sluiswachter nog tweemaal geprobeerd om telefonisch met Bussum in contact te komen, maar helaas het ging niet. Mistroostig liep ik rond en ook de anderen zeiden niets want het ging al aardig op 9 uur aan en om dien tijd verwachtte men dat de vijand zou gaan uitpakken. Om ongeveer half acht komt plotseling een auto uit richting Utrecht rijden. Hij stopt vlakbij ons en de majoor met een ordonnans stappen eruit. De majoor had een groot papier bij zich. Wat zou hij nu te vertellen hebben ? Wij holden allen naar de auto om het nieuws te vernemen, doch eerst riep hij den kapitein en de luitenants bij zich. Ze trokken rare gezichten toen zij van den inhoud kennis namen.

Daarna las hij ons het stuk voor hetwelk zoo ongeveer als volgt luidde: "hedenmiddag is Rotterdam door den vijand gebombardeerd en nu zouden ook Utrecht en daarna Amsterdam aan de beurt komen, daar ons land zich nog steeds niet had overgegeven. De Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht zag zich echter genoodzaakt om thans alle vijandelijkheden te staken en te capituleeren. Opdat er niet meer bloed vergoten zou worden. Als een bom sloeg dit ellendige nieuws in. Velen konden zich niet meer goedhouden en barstten in snikken uit. Holland onder Duitsch gezag, wie had dat ooit gedacht ! Daarna kregen wij van den majoor en den kapitein een kleine toespraak bestaande uit een pluimpje. Wij hadden ons goed gehouden, de samenwerking was altijd prima geweest enz. De oorlog ging dus niet door. Wij hadden er het leven afgebracht. Er werd dan ook algemeen gezegd dat indien het tot vechten was gekomen er niet veel meer van ons zou zijn overgebleven. Aanhoudend klonk het nu door de radio voor alle militaire afdeelingen in Holland: "De wapens neer". Niet direct was een ieder op de hoogte.

Dit kon men het beste zien toen tegen 8 uur weer vliegtuigen kwamen opdagen en er weer stevig op werd geschoten doch dit was slechts een kwestie van tijd. Het was de laatste keer en wij zouden zooiets niet meer bijwonen. Nu de oorlog dan geëindigd was moest er natuurlijk voor nachtlogies worden gezorgd. Wij gingen in een groote boerenschuur slapen boven de koestal. Het vee was in de weide en alles zag er zeer netjes uit. De eigenaars waren vriendelijke menschen en tamelijk op leeftijd. Met een opgelucht gemoed, doch tevens in afwachting wat ons thans beschoren zou zijn gingen wij te ruste. Het was een prachtige avond en alles ademde rust en vrede behalve in Rotterdam waar het er vreselijk toeging en tienduizenden burgers het leven lieten. 's Avonds ontlastte de bui zich in verbrande papiertjes, alles afkomstig uit Rotterdam en met den wind meegevoerd.

15 Mei. Een prachtige lentedag brak aan. De zon goot haar verkwikkende stralen over de weiden die vol bloemen prijkten. Wij hadden 's morgens niets te doen. Patronen hadden wij niet meer want wij hadden alle geweren ontladen en de patronen ingeleverd. Wij klommen tegen den hoogen dijk op en genoten van het drukke verkeer over de Merwedebrug. Het was een heerlijk zitje. Toen wij er eenigen tijd hadden gezeten moesten wij weer naar beneden om onze geweren in te leveren. Wat waren wij nu opeens rare soldaten geworden, zonder wapens. Zoo ging het den geheelen dag maar door, dan dit en dan dat inleveren, totdat wij alleen onze ransel, koppel, broodzak en overjas hadden. Wij kwamen nogal eens bij de boeren om een praatje te maken en kregen dan koffie. Kortom het was er niet ongezellig. Wij kregen van de legerchefs allerlei versnaperingen zooals sinaasappelen enz. 's Middags komt ineens een uiterst onaangenaam bericht door de radio dat het geheele Nederlandsche leger, voor zover gecapituleerd als krijgsgevangenen zou worden beschouwd, wat bij nadere informatie bleek dat men er in Zeeland nog niet aan dacht om te capituleren. Daar vocht men nog stevig door.

Deze tijding maakte op mij zulk een verpletterenden indruk dat ik niet wist waar ik het zoeken moest. Ik was de wanhoop nabij en dacht nu beslist dat ik mijn moeder en de plaats mijner inwoning en zoowel familie als kennissen nooit meer zou terugzien. Ik had een groot verdriet, dat verzeker ik U en menigeen was er stil onder. Wat zou er nu met ons gebeuren, zoo vroegen wij ons angstig af. Wanneer men de historie uit vroeger eeuwen naging werd er met krijgsgevangenen allesbehalve zachtzinnig omgesprongen. Om 6 uur kregen wij weer warm eten, doch een half uur later kregen wij plotseling bevel om op te breken. Wij moesten hier vandaan en zouden ergens in Utrecht worden ondergebracht. Wij pakten allen onze fietsen en namen hartelijk afscheid van de bewoners der boerderij. Mijn fiets was zoek en dit was bij meerderen het gaval, maar geen nood. Wij sprongen op een vrachtwagen, terwijl de anderen achteraan kwamen fietsen.

Na zoo ongeveer 3KM te hebben afgelegd, stopten wij opeens voor een groote school aan de Jutfaasche weg vlak onder de rook van Utrecht. Het was een Chr. Bewaarschool. Hierin namen wij onze intrek. Het zag er dan ook heel wat geriefelijker uit dan in die boerenzolder in Scherpenzeel. Maar het ontbrak ons erg aan de nodige comfort. Er waren geen stoelen om op te zitten, geen tafels, geen stroozakken. Er werd wel voor stro gezorgd, dat op den grond werd gespreid en daar legden wij ons tentzeiltje overheen. Een kussen bezat ik ook niet, daar ik deze te Woudenberg in de stellingen heb moeten achterlaten. Ik gebruikte mijn ransel maar als peluw. Tot ons groote geluk mochten wij er 's avonds even uit, de stad in, maar niet te ver, daar dit verboden was. Wij waren immers gevangenen ! Het was een buitengewoon schoone lenteavond en ik genoot van de gezellige stadsdrukte.

Om 9 uur moesten wij terug zijn en moesten spoedig onder zeil, daar juist deze dag een verordening was afgekomen, dat allen in het geheele land voortaan moesten verduisteren, d.w.z. geen licht ontsteken hetwelk naar buiten kon uitstralen. Ook de straatverlichting mocht voortaan niet meer branden. Dit was gedaan voor het geval hier Engelsche vliegtuigen bij nacht overheen zouden komen die druk bezig waren om het prachtige vliegveld Schiphol te bombardeeren. Dit was hard noodig en moest dienen om den vijand een hakje te zetten opdat hij hier niet gebruik van zou kunnen maken. Zoo gingen wij dan den nieuwen nacht in. Ik was weer slecht gestemd, want nog altijd hoorde ik van huis taal nog teeken.

16 Mei. Tegen alle verwachtingen in heb ik in deze eerste nieuwe verblijfplaats vrij goed geslapen. Het ontwaken was echter bitter, daar de naakte werkelijkheid zich weer aan ons voordeed. Daar zaten wij nu als gevangenen en voor hoe lang ! Wij kregen nu ons brood en thee prachtig op tijd. Op het schoolplein stond een keukenwagen die ons van het noodige voorzag. Tevens stonden er een hoeveelheid schoolbanken. Wij sneden hierop ons brood en gingen in deze schoolbanken eten. Na het eten zou ik het nog eens probeeren of ik telefonische verbinding met Bussum kon krijgen. Ik liep eerst een fietsenzaak binnen, doch het aantal liefhebbers voor telefoongesprekken was zoo groot, dat ik er naast greep. De volgende winkel was een slagerij. Hier had ik meer succes. Ik draaide Bussum aan op het nummer van mijn vroegere onderwijzer die 2 huizen bij ons vandaan woont en zoowaar daar kreeg ik zijn vrouw en toen haar man die mij het een en ander had te vragen. Ik vroeg of ik ook mijn moeder aan de telefoon kon krijgen. Na eenig wachten kwam zij en al had ik een miljoenen erfenis gekregen, dan had ik niet gelukkiger kunnen zijn. Wat was ik blij dat wij elkaar gesproken hadden.

Wat onderscheidde mij van die arme beklagenswaardige Rotterdamsche kameraden die maar geen verbinding met hun rampzalige stad konden krijgen. Wat was ik opeens een ander mensch geworden. Ik vergat mijn heele krijgsgevangenschap en zag het leven opeens van een heel anderen kant, doch het was natuurlijk niet meer dan een tijdelijke opflikkering, later kwam de inzinking weer, want vergeet niet lezer, over verlof werd met geen woord gerept. Toen ik weer op den terugweg naar de school was liep ik onzen kapitein tegen het lijf. Hij vroeg mij waar ik vandaan kwam en toen ik hem vertelde dat ik mijn huis had opgebeld wilde hij er meer van weten. Hij wilde ook graag telefoneeren en ik geleidde hem naar de slagerij waar ik zooeven was geweest. Ik was blootshoofds, daar mijn kwartiermuts was gestolen, hetgeen met meerderen onzer het geval was. Het is vooral onder zulke omstandigheden een gemeene streek als men den kameraadschap niet kan bewaren en er op dezen aarbodem nog menschen zijn te vinden die zich met dergelijke praktijken bezighouden. De kapitein zeide er echter niets van dat ik mijn veldmuts miste. Toen ik in de school terug was lagen er kranten.

Ik greep er gretig naar om het een en ander uit ons land te weten te komen. Nu er stond heel wat in, zooveel dat ik ze binnen 5 minuten had uitgelezen ! Ik was zeer voldaan over dit uitgebreide nieuws. Zooiets beleef je niet altijd. Vóóraan de straat stonden tal van kinderen die hun diensten aanboden om voor ons limonade, postzegels of briefkaarten te koopen. Ik moet dan ook zeggen dat wij van de burgerij de meest mogelijke tegemoetkoming hebben ondervonden. Achter het schoolplein woonden dames die heele pakken briefkaarten uitdeelden en ons tevens af en toe een kopje thee brachten. Om 10 uur kwam door groote luidsprekers welke in verschillende deelen van de stad op de daken der huizen stonden opgesteld het bericht, dat vanaf hedennavond 6 uur tot morgenochtend 8 uur het stadsverkeer op bepaalde punten stopgezet moest worden voor het doorlaten van Duitsche gemotoriseerde afdeelingen. Een stoet van een half etmaal lang, dat zou me een zaakje wezen ! Even later kwamen tal van belangstellende burgers vooral uit Rotterdam bij ons langs. Ze hadden lijsten bij zich en vroegen alle namen van de Rotterdammers opdat zij konden informeeren hoe het met hun familie stond.

Ik sprak ook eenige Bussummers die de groeten aan mijn moeder zouden overbrengen. Wat werd er veel appèl gehouden op het schoolplein. Ieder keer moesten wij daar verzamelen en dan monsterde de vaandrig de heele troep of er niemand ontbrak. Wij bleven overigens maar vóór de school op een bank zitten of aan de overkant in het gras liggen langs de Vaartsche Rijn. Het was een drukke weg en er was heel wat passage. Voor de eerste maal zagen wij af en toe Duitsche motorrijders passeeren. Ze hadden alle helmen op. Wij keken onze oogen uit want dergelijke verschijningen hadden wij ons leve lang nog nooit ontmoet. 's Middags werd vlak voor de school de wacht betrokken door een afdeeling Duitsche cavalerie, die er voor moest zorgen dat wij er niet uitgingen. Er waren dan ook uren dat wij in de school of op het plein moesten blijven. Wij mochten wel achter het hek staan als leeuwen in "Artis" en genieten van het schoone schouwspel om de paarden van achteren te bewonderen. Na het avondeten mochten wij er uit, de stad in. Een voordeel was het dat de dag met een uur was verlengd plus 40 minuten. Dit was de z.g. Duitsche zomertijd. Wij behoefden pas om 10 uur binnen te zijn en dan was het nog dag.

Maar er deed zich voor mij een groot bezwaar voor. Ik was mijn muts kwijt en hoe aan een nieuwe te komen. De militaire kleermaker wist er wel raad op, sneed een oude jas stuk en maakte er een soort muts van die weinig met het origineele model overeenkwam, maar enfin ik was gered. Ik ging dus de stad in en om 8 uur was ik op de Tolsteegsingel getuige van het doortrekken de Duitsche afdeelingen. Het was een onafzienbare rij van gevechtswagens, motorrijders, pantserwagens, tanks enz. Ik kan met geen woord weergeven zoo'n geweldige indruk dit op mij maakte. Vooral de tanks met hun zwarte soldaten met baretten op trokken mijn aandacht. Aan weerskanten van den weg stond een dichte haag van volk om het geval gade te slaan. Geen wonder dat wij het tegen zulk een overmacht moesten afleggen en daar was nog niet eens de infanterie bij ! Een gendarme, een boom van een kerel regelde het verkeer. Hij had een groote wijde rubbercape om. Voor zijn borst hing een halve- maanvormige plaat aan kettinkjes bevestigd waarop te lezen stond "Feldgendarmerie", naar onze maatstaf een soort maréchaussée.

Hij had zijn motorfiets tegen de brugleuning geplaatst en vroeg mij of ik dit motorrijwiel en zijn karabijn een poosje wilde bewaken. Ik kon moeilijk zeggen dat ik er geen zin in had, en deed het dus maar. Hij overhandigde mij het wapen, hetwelk ik van alle kanten eens bekeek. Het was van een eenigszins ander type dan het onze en ook gingen er meer patronen in. Na een half uur zeide ik maar: "Bitte, entschuldigen Si emir, Ich musz von meinem Kommandanten sofort wieder zurück sein, denn es ist schon neun Uhr". Hij vond het best en ik overhandigde hem weer de karabijn. Hetgeen ik betoogde was wel bezijden de waarheid, maar het begon me te vervelen, dus maakte ik er mij maar met een smoesje van af. Ik had overigens nog een uur den tijd. Ik sprak verder nog een "Unteroffizier" en hij vond dat ik het Duitsch zoo vlot sprak, dat hij dacht dat ik van huis uit een Duitscher was. Verder zag ik nog een troepje Duitsche soldaten rondwandelen. Ze staken de handen omhoog en riepen: "Wie geht es, ganz gut ?". Toen ik weer op den terugtocht was werd ik opeens aangehouden door een meisje die mij vroeg "kom je bij ons koffie drinken ?". Ik kende haar in het geheel niet.

En dacht dat een en ander op een abuis berustte. Ik ging dus maar mee, want tegen het drinken van een bakkie koffie kon ik geen bezwaar hebben. Zij woonde bij haar ouders in een klein straatje, de "Veerstraat" waar allemaal kleine huisjes stonden. De zaak was me nu opeens duidelijk. Het was weer een van de vriendelijkheden van de zijde der burgers. Het waren dan ook hartelijke menschen. Wij kregen koffie, een koekje en sigaren. Wij mochten voortaan elken dag komen. Al pratende liep het al weer op half tien aan en aanvaardde ik na afscheid te hebben genomen den terugtocht. Toen ging ik maar weer onder zeil in afwachting wat de dag van morgen zou brengen.

17 Mei. Vannacht heb ik weer best geslapen. De zon scheen weer in volle glorie en alles beloofde weer een mooie dag. 's Morgens kregen wij van de dames achter het schoolplein een pak tijdschriften waarmede wij onze verveling prachtig konden verdrijven. Er gebeurde deze dag overigens niets bijzonders en was alles gelijk aan de voorgaande dagen. Om 6 uur ging ik weer eens de stad in. Toen ik op den Tolsteegsingel liep klopte een ordonnans mij op den schouder met de mededeeling dat mijn moeder in de school was gekomen om mij te bezoeken. Ik kon mijn ooren niet gelooven en dacht dat het een vergissing was. Het was dan ook een wonderlijk iets dat hij mij hier midden in de stad vond, en het spreekwoord "een naald in een hooiberg" was dan ook wel op z'n plaats. Het was voor mijn moeder dan ook zeer riskant om mij op te zoeken, daar ik werkelijk van zins was tot 10 uur weg te blijven en dan was haar reis tevergeefsch geweest en mijn stemming grondig vergald. Ik keerde natuurlijk direct terug en waarlijk daar zag ik mijn moeder zitten vóór de school op een bank temidden van de soldaten. Men begrijpt hoe deze ontmoeting was.

Ze kon zich haast niet meer goedhouden en vertelde mij van de vreeselijke dagen die zij tijdens de oorlogsperiode had doorleefd. Men stond in het Gooi juist op den dag van de capitulatie gereed om te evacueeren toen het plotseling werd afgelast. In Naarden was het luchtdoelgeschut eveneens stevig in actie geweest, doch verder was alles in het Gooi intact gebleven. Wij gingen nog even op het schoolplein zitten terwijl zich tevens nog eenige kameraden bij ons voegden. Daarna gingen wij de stad in en hadden natuurlijk een druk gesprek te voeren. Wat was het slot van deze dag goed voor mij ! In de stad zagen wij zeer veel Duitsche soldaten rondloopen, terwijl er ook hier en daar tanks stonden. Op het stationsplein stonden geweldig groote autobussen van de Deutsche Reichsbahn. Om half 9 namen wij weer afscheid van elkaar. Welvoldaan ging ik weer naar de kamer. Wanneer wij elkander weer zouden zien was een ander vraag, maar daar prakkizeerde ik op het moment maar niet over. Ik was voor het oogenblik tevreden.

18 Mei. Zaterdag. Opnieuw een schoone lentedag. Wij treffen het buitengewoon met het weer sinds wij hier zijn. Vanmiddag ongeveer 2 uur hebbe wij een klein marschje gemaakt naar Jutfaas en toen heerlijk in het gras gezeten aan het Merwedekanaal. Dit was blijkbaar gedaan, opdat wij ons niet al te hard zouden vervelen. Om 4 uur gingen wij al weer terug en toen zat onze marsch er al weer op. Voor mij en velen onzer was het marschen voorgoed afgeloopen, maar dat wisten wij toen nog niet. 's Avonds ben ik weer de stad in geweest en heb een kort bezoek gebracht aan den accountant van mijn patroon te Bussum. Deze woont op de Oude Gracht. Daarna ben ik weer naar de familie Jansen (zoo heten die menschen) in de Veerstraat geweest en heb daar met andere kameraden nog een uurtje gezellig zitten keuvelen.

19 Mei. Zondag d.w.z. onze eerste doch voor mij en anderen tevens onze laatste Zondag dat wij hier zouden zitten. Reeds in den vroegen morgen was het een enorme drukte van burgers die per fiets, autobus of trein de militairen kwamen bezoeken. Ook ik maakte opnieuw kennis met twee plaatsgenoten. Eén ervan was een collega van mijn vader en was onderchef aan het spoor te Bussum. Terloops zij opgemerkt dat mijn vader ca 24 jaar geleden is overleden, maar de vriendschap was toch tot op heden met dezen collega gebleven. Hij kwam één van zijn zoons opzoeken die ook in Utrecht moest zijn, doch ik kon hem tot mijn spijt niet nader inlichten waar hij was ondergebracht. Hij zou thuis de groeten van mij overbrengen. Om ongeveer twaalf uur zat ik met eenige kameraden in het gras aan den waterkant schuin tegenover de school toen eenige burgers uit een der huizen ons toeriep: "Komen jullie koffie halen ?". Nu, dat lieten wij ons geen tweemaal zeggen want in die school zaten wij knap op een droogje. Wij traden binnen en ze gaven ons eerst allen een hand met de woorden: "jullie zijn allen vrienden van ons".

Wij zaten met ongeveer 10 man in de keurige huiskamer en wij kregen allen koffie met koekjes en sigaren. Daarna gingen wij weer weg en drukten de vriendelijke en gastvrije bewoners hartelijk de hand. Na om 1 uur op de kamer warm eten te hebben gehad ben ik weer eens aan de wandel geweest en later in den middag heb ik zelfs een groot deel van de stad rondgefietst. Ik vond het er lang niet onaardig. Op Vreeburg was het vooral bij het Jaarbeursgebouw geweldig druk. Wat een militairen, veel Duitsche, doch ook veel Hollandsche. s' Avonds en ik weer op visite geweest bij de familie Jansen en daarna ging ik de kooi in. Deze Zondag in Utrecht was op geen stukken na zoo taai als vroeger in Scherpenzeel.

20 Mei. Alweer fraai weer. Moeder natuur is den laatsten tijd wel zeer kwistig met haar gaven. Nu, wij waardeeren het ook ten volle. Om 9 uur komt er opeens een order dat negen man onder leiding van een luitenant, een sergeant en een korporaal weg moesten naar Woudenberg om alle stellingen die tijdens de oorlogsdagen ontruimd waren leeg te halen, want alles was in de grootste verwarring achtergebleven. Datzelfde gold ook voor alle stellingen in ons land. Wat had ik gruwelijk het land. Hoe gaarne was ik in Utrecht gebleven, doch er werd ons bijgezegd dat het maar voor een paar dagen was en wij dan weer naar Utrecht zouden terugkeeren. Met een groot aantal militairen vertrokken wij per fiets op weg naar de Grebbelinie. Af en toe moesten wij in Utrecht afstappen en geweldig lang wachten, want alles moest nog eens grondig georganiseerd worden. Wij zagen ook nog overste de Boek die ons laatst zoo heerlijk kon uitveteren, maar hij zag er nu nogal kalm uit. Eindelijk om half elf startten wij. Een groote afdeeling fietsers trok door de stad, waarvan de prachtige singels baadden in het zonlicht. Spoedig waren wij de stadsdrukte uit en werd het eenzamer.

Om 11 uur reden wij door de Bilt en daar zagen wij de eerste sporen al van den oorlog die over ons land had geraasd. Ten eerste zagen wij drie totaal uitgebrande vrachtauto's langs den weg. Verder 6 afgebrande huizen vlak bij elkaar, doch overigens was alles intact gebleven. Midden over den weg lagen gladde ijzeren plakken. Hier stonden eens de z.g. "asperges", doch deze hindernissen waren door den vijand met een snijbrander totaal afgesneden. Geen scheermes had het mooier kunnen doen. Vervolgens gingen wij door het fraaie Zeist, waar alles onbeschadigd was gebleven. Het was er nogal vrij druk. Daarna werd het stiller en voerde onze weg uitsluitend langs bosschwegen. Wij zagen een hele colonne Hollandsche vrachtauto's bestuurd door Duitsche militairen, een triest gezicht. De Nedelandsche kenteekenen waren verwijderd en er stonden andere nummers op met de letters "W.H."(Wehrmacht Heer) en "W.L."(Wehrmacht Luft). Eindelijk waren wij in Woudenberg. De meeste huizen waren zwaar beschadigd, vooral de daken, terwijl er ook enkele afgebrande huizen waren. Overigens zag het dorp er nog vrij schappelijk uit, nadat vanuit Rhenen zoo geweldig was geschoten.

Tusschen hôtel "de Schans"en het station stopten wij en namen onze intrek in eenige nieuwe leegstaande villatjes. Alle geëvacueerde burgers waren in Woudenberg teruggekeerd. Ik had erge dorst en vroeg aan de overzijde om water. De vrouw des huizes liet mij haar jongste telg zien, een "oorlogskindje" zoals ze zeide, dat tijdens de vlucht in de trein was geboren. Nadat wij brood hadden gegeten werd appel gehouden. Wij hadden tijdelijk een anderen kapitein gekregen, een van 2-II-15 R1, terwijl wij van 3-II-15 R1 waren. Wij kregen opdracht om de enorme stelling langs de Potbrug leeg te halen. Wij gingen ook weer langs de stelling waar wij 4 benauwde dagen hadden doorgebracht. Het was daar een groote chaos. Kranten en allerlei paperassen lagen overal verspreid. In de lignis vond ik mijn kussen weer terug. Ik nam het mee, want om lekker te slapen is zoo'n ding onmisbaar. Verder ging ik eens de barakken binnen en zag zoowaar mijn koffertje ook weer, doch de helft was er van zoek. Tot mijn verrassing lag het vermiste oorlogszakboekje er nog in. Ik stak het weer bij mij, maar liet de halve koffer maar voor wat ze was. Wat had ik aan een halve koffer. Bij de fabriek lagen honderden papieren over de straat.

Wat een rommel ! Af en toe ontwaarden wij een afschuwelijke stank. Deze pestlucht was afkomstig van gesneuvelde paarden die er bij grooten getale in de weilanden lagen. De destructiewagen uit Overschie reed af en aan vol cadavers. Bij de Potbrug gekomen zagen wij dat Duitsche militairen en Hollandsche werklieden druk bezig waren deze weer te herstellen. Toen gingen wij de stelling binnen. Zwermen vliegen kwamen ons tegemoet en het was er knap warm. Onbeschrijfelijk was de herrie die wij aantroffen t.w. kranten, eierdoppen, duizenden handgranaten, scherpe patronen, hulzen, flesschen, caramels, kistjes, teveel om op te noemen. Het was een hopelooze bende. Binnen drie dagen moesten alle stellingen in den omtrek finaal leeg zijn. Wij zagen er een zwaar hoofd in en de luitenant ook. Alles werd zoo goed en zoo kwaad als het ging op lorries geladen en daar schoven we de rommel op rails door het weiland naar de straatweg. Daar stonden handkarren en vrachtwagens klaar om het zaakje naar de loodsen achter de melkfabriek te brengen waar alles werd opgeslagen. Van alle andere overtollige zaken maakten wij een flinke auto dafé (brandstapel). Af en toe rustten wij eens van den arbeid.

Bij de Potbrug hebben de sergeant en ik wel drie kwartier staan praten met een Feldwebel, een aardige kerel. In de stellingen kregen wij visite van een tweetal Duitsche soldaten. Eén ervan stak de arm rechtuit met de woorden "Heil Hitler". Wat klinkt dat opeens eigenaardig in de ooren zulk een Duitsche groet. Hij zag dat wij druk bezig waren met het ontladen van handgranaten. Hij nam er een weg en slingerde hem met veel handigheid over de stelling heen, waarop een luide knal volgde toen het ding op de grond viel. Om ca. half zes waren onze werkzaamheden ten einde. Terloops deel ik nog mede dat er vage geruchten over demobilisatie in omloop waren, doch van de waarheid hierover konden wij ons niet vergewissen. Er was overigens in heel Holland nog teveel te doen om af te zwaaien, zoals stellingen ontruimen, prikkeldraad oprollen enz. 's Avonds gingen wij naar ons bivak terug. Ik had knap dorst, doch zag geen kans om ergens een fleschje limonade te krijgen. Alle zaken waren nog leeg, omdat de bewoners na terugkeer in hun dorp alle nog moesten bestellen.

Na het eerste avondeten dat zeer smakelijk was bereid en in niets verschilde met hetgeen ik thuis onder de tanden krijg vernam ik dat de sergeant en ik, alsmede 4 man een halve wacht moesten kloppen bij de barakken vlakbij de stelling waar wij tijdens de oorlog hadden vertoefd, want de loodsen zaten vol munitie, kleeren enz. Wij maakten het ons gemakkelijk en gingen aan den straatweg op een stoel zitten. Een groote herdershond ging met ons mee het wachtje kloppen. Het was echter geen zware wacht, want af en toe mochten wij een paar uurtjes slapen. Het was kostelijk weer. In de struiken hoorde men den ganschen avond en nacht het geroep van de koekoek, dat echter op den duur wel eentonig begon te worden. Om 10 uur vlogen 2 Duitsche vliegtuigen over ons heen, maar zij deden ons nu geen kwaad meer. Ze hadden lichtjes op. Wij hadden gelukkig nogal wat te rooken, terwijl ik tevens een zakje chocolaatjes bij mij had die ik met den sergeant broederlijk deelde.

21 Mei. Van 10 tot 2 uur heb ik in de loodsen fijn zitten slapen op een stroozak met de dekens lekker over mij heen getrokken, daar het knap koud was geworden. Om 2 uur schrok ik plotseling wakker doordat de hond heen en weer draafde en mij af en toe besnuffelde, maar het dier deed geen kwaad en toen ik hem wegjoeg maakte hij beenen. Ik ging weer naar buiten en kwam daar onzen sergeant tegen. "Ik ga nu slapen" zeide hij "en praat jij maar eens wat met de politie dat kort den tijd nog wat". Een goede honderd meter verder stonden een rijksveldwachter en twee wachtmeesters van de militaire politie op post en wel op dezelfde plaats waar wij ons luguber zaakje met de Pinksterdagen hadden opgeknapt. Ik voegde mij bij hen en spoedig waren wij in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Daarna tippelde ik maar weer terug langs den eenzamen straatweg. Om 3 uur kwam ik twee jongelui tegen die van Utrecht te voet waren gekomen, daar er nog geen enkele trein reed, en zij moesten nog verder n.l. naar Oosterhout, een gehucht tussen Elst en Nijmegen en maar eventjes een afstand van ongeveer 70KM. Dat was nog eens een marschje ! Om 4 uur kwam er een wagen met kranten langs.

De bestuurder deelde er eenige aan den veldwachter uit en ook ik kreeg er een van hem te lezen. Ik kon de krant haast niet in mijn handen houden want het was buitengewoon koud, zoo erg zelfs dat het een tikje vroor. Niettemin beloofde dit alles weer een mooie dag. Om 7 uur zat onze wacht er op en het was tevens voorgoed mijn laatste wacht geweest. Nooit van mijn leven zou ik het meer behoeven waar te nemen. Na deze wachtdienst kregen wij een paar uur vrij. Wij mochten weer slapen op de kamer, maar ik had er eigenaardig genoeg weinig behoefte aan. Weet U lezer waar ik zin in had ? Ik wilde Scherpenzeel eens bezichtigen en was zeer nieuwsgierig hoe dit dorp het er tijdens de oorlogsdagen had afgebracht. Ik had echter geen fiets, daar een ander deze in gebruik had. Na lang zoeken kreeg ik er een van een burger te leen en daar ging ik. Even voor de Potbrug moest ik afstappen en omloopen langs het sluisje aan de Luntersche beek. Van een waterlinie kon men niet meer spreken, daar deze was drooggeloopen door niet nader te noemen oorzaken. Op den straatweg gekomen zijnde zag ik het eerste afgebrande huis dat echter nog te Woudenberg stond.

Verder zag alles er heel gewoon uit behoudens de afgebrande molen, doch in Scherpenzeel gekomen zijnde sloeg ik achterover van verbazing. Ik weet niet of Borculo tijdens den cycloonramp van 1025 erger zal zijn geteisterd dan dit dorp. Reeds de entrée was onbeschrijfelijk chaotisch. Het groote hôtel "De Holevoet" was totaal afgebrand benevens eenige huizen. In het dorp zelf lagen tientallen huizen voor den grond, en wat niet afgebrand is is zwaar beschadigd. De dorpsstraat is niet meer fatsoenlijk te berijden. Overal ziet men kuilen van ingeslagen granaten. Ik wilde mijn bureau nog eens zien waar ik zooveel verlofpasjes had geschreven, maar het was van den aardbodem weggevaagd. Ik hen nog eenigen tijd op de plek gestaan waar het bureau had gestaan en kon het aanvankelijk niet eens meer vinden. Ik heb het militair tehuis gezien, waar ik zoovele gezellige avonden had doorgebracht, maar het is zwaar gehavend. De granaten zijn door het lokaal heengevlogen. De kerk is er nogal vrij goed afgekomen. Uit de toren zijn stukken steen weggeslagen. Oogenschijnlijk ziet het kerkgebouw er nog gaaf uit maar bij nadere beschouwing blijkt een voltreffer achter in het dak te zijn geslagen.

Er is tenminste een groot gat in te zien. De pastorie welke nogal achteraf staat heeft weinig geleden. Alleen zijn er vele pannen van het dak afgeslagen. De Marktstraat, dit is de straat waar de vijand zich het eerst op dien Maandagmiddag vertoonde ziet er verschrikkelijk uit. Het is een aaneenschakeling van afgebrande en zwaar beschadigde huizen. Neen lezer, zooiets heb ik in ons eigen land nog nooit aanschouwd. Ongeveer 100M verder buiten deze straat in de richting Barneveld is door een vliegtuigbom een gat in den grond geslagen waar wel een huis in kan. Dit laatste heb ik echter van hooren zeggen, daar mij dit niet bekend was en ik er zoodoende niet was geweest, anders had ik er zeer zeker eens een kijkje genomen. Daarna fietste ik weer terug naar Woudenberg, een ervaring rijker geworden zijnde. Temidden van deze chaos reden Duitsche auto's met hooge officieren of ook wel motorrijders en vrachtwagens. Het is precies een illustratie uit Polen die vreemde verschijningen door het verwoeste dorp te zien rijden.

Te Woudenberg gekomen zijnde bracht ik mijn fiets weer terug en ging weer naar de kamer. 's Middags moesten wij weer de stelling bij de Potbrug gaan ontruimen, maar wij zijn ermede klaargekomen. Het was een heel karwij. 's Avonds ben ik opnieuw naar Scherpenzeel gefietst en zag alle geëvacueerde burgers terugkomen met hun pakken, dekens enz. Het was een trieste vertooning. Wat zal zich een raar gevoel van hen hebben meester gemaakt toen zij hun dorp in zulk een staat terugvonden. Zelfs aan de buitenkant van het dorp waren nog huizen waarin geen ruit meer heel was.

22 Mei. Nog steeds schitterend weer. Voor het laatst zijn wij naar de stelling aan de Potbrug geweest. Toen was alles af, maar nu moesten de andere stellingen in het weiland nog een beurt hebben. Nu, het was wel de moeite waard, want ook daar was het een groote bende. In een der stellingen lagen nog stroozakken die er niet al te proper meer uitzagen. Wij staker er dan ook maar de roode haan in. Er was zooveel uit deze stellingen te slepen dat de rommel bij karrevrachten moest worden weggehaald. Om 12 uur hadden wij een uur schafttijd en toen heb ik van alle oude papieren die over de straat lagen met behulp van een limonadefabrikant een geweldige brandstapel gemaakt. Ik heb in mijn eentje achter de fabriek mijn kuch op zitten bikken en deze droge kost met een flesch limonade doorheengespoeld, want koffie kon ik nergens krijgen. 's Middags hebben wij feitelijk niet veel meer uitgevoerd, daar het werk zoo goed als af was. Toen hoorden wij dat heel Scherpenzeel weer zooals vóór den oorlog inkwartiering zou krijgen Dit maakte mij weer zeer neerslachtig. Ik dacht maar: "waar blijft nu toch ons verlof", het is zeker afgeschaft.

Verder was ik de meening toegedaan dat wij ook weer in die negerij zouden komen inplaats van terug te keeren naar Utrecht. Al met al gevoelde ik mij weer knap landerig. Voorts vernam ik dat mijn moeder weer te Utrecht was geweest, hetgeen mij ten zeerste verbaasde, daar wij elkaar j.l. Vrijdag nog hadden ontmoet. Erg vervelend vond ik het dat zij de reis voor niets had gemaakt, daar ik in Woudenberg zat, maar enfin niets aan te doen. De juiste reden van haar reis vernam ik eerst later. Zij had n.l. bij geruchte gehoord dat vele militairen naar Duitschand zouden gaan als krijgsgevangenen en dat ik er wellicht ook bij zou zijn en daar zat het goede mensch nu erg over in. Inderdaad zijn er ook honderden naar Duitschland gegaan, maar dit waren speciaal degenen die op de Grebbeberg of in Zeeland hadden gevochten, doch wij vielen er gelukkig buiten. 's Middags zag ik een trieste optocht passeeren. Voorop gingen eenige luxe auto's met Duitsche officieren gevolgd door 200 gestolen vrachtauto's en ook Hollandsche militaire auto's en ons lucht- en pantserafweergeschut. Dit was alles oorlogsmateriaal dat de vijand op ons had veroverd.

De heele zaak ging tot Wezel, waar de Hollandsche militaire chauffeurs deze wagens uitgeleide moesten doen, waarna de Duitschers voor de rest zorgdroegen. Ik herhaal nog eens, het was een zielig gezicht zoo onze spullen te zien wegvoeren. Daar hadden wij nu voor gemobiliseerd, een strenge winter meegemaakt en oorlog gevoerd ! Na het avondeten ben ik eerst naar Woudenberg gefietst d.w.z. naar de dorpskom en heb daar een fleschje limonade gekocht. Toen ik nog even met den verkooper stond te praten stopte opeens vlak voor onzen neus de destructiewagen om benzine in te nemen. De wagen was aan één kant open, waarom mag Joost weten. Ik zag dat de wagen vol cadavers van gesneuvelde paarden zat en uit dit vehikel kwam een afgrijselijke stank. "'t Is wat lekkers, zei de winkelier, zoo'n wagen vlak voor je snuffert". Na al dus zaken gedaan te hebben ben ik weer eens naar Scherpenzeel gefietst en heb meteen ons oude verblijf "Hôtel de Rat" eens in oogeschouw genomen. Alle ruiten waren eruitgeschoten en alle asbestplaten aan de wanden opgekruld of gebarsten.

Daarna ben ik bij den boer nog even thee wezen drinken en zag dat een reepje hout van het plafond in de keuken door een granaatscherf was afgeslagen. Vervolgens ben ik de bosschen eens doorgefietst maar wat zagen die eruit. Ik zag eerst de muziekzaal waar onze 2e sectie gedurende den mobilisatietijd was ondergebracht geweest. Van dit gebouwtje was geen ruit meer heel. Het leek verder of er door de bosschen een cycloon had geraasd. Tal van kleine boomen waren ontworteld of afgebroken en over de weg lagen de bladeren en takken wel een halve meter hoog. Ik was eenmaal genoodzaakt om af te stappen en de fiets over die barricade heen te tillen. Na al dit liefelijks aanschouwd te hebben ging ik weer op Woudenberg aan. Alweer een dag ten einde.

23 Mei. Opnieuw een pracht van een dag en tevens warm. Tegen den middag pakten zich donkere wolken samen en scheen er onweer op komst te zijn, maar het liep met een klein regenbuitje los. 's Morgens zijn wij met z'n tienen naar Scherpenzeel geweest om kwartieren voor de militairen in orde te maken. Wij hebben heel wat huizen bezocht die er nogal tamelijk gaaf uitzagen. De manschappen hebben eenige paardenstallen schoongemaakt en van de papieren en allerlei afval dat er uit kwam een flink vuurtje gestookt. Wij liepen tevens bij de burgers hier en daar een bakkie koffie op. Wij kwamen ook nog in een paardenstal waarvan een der muren voor het grootste gedeelte was weggeschoten. 's Middags zijn wij weer naar Woudenberg teruggekeerd. Vandaag zou het den dag zijn dat wij naar Utrecht zouden terugkeeren, maar er kwam niets van in tot mijn groote teleurstelling. Ik was het hier meer dan zat. De overste had n.l. gezegd dat wij voorlopig nog hier zouden blijven, daar er geen voldoende vrachtauto's aanwezig waren om ons te vervoeren, want zoals men weet mochten wij geen fietsen meenemen, daar deze van de geëvacueerde behoorden.

Zooals men weet waren wij er op Pinkstermaandag 's nachts mee weggependeld. Bovendien was ik weer knap in de put over het wegblijven van het verlof. 's Avonds heb ik nog een hoekje omgeloopen en ben toen maar om 9 uur naar bed gegaan. Ik had het land voor zes, doch net tegen den tijd dat ik zou weggaan om mij ter ruste te begeven (ik zal n.l. eerst nog even in den tuin van een huisje waar men limonade verkocht) kwamen eenige jongens ons zeggen dat a.s. Zaterdag 25 dezer de helft zou afzwaaien, maar dat gold alleen voor de oudste lichtingen en bovendien moest men nog gehuwd zijn en zakenverlof hebben gehad. Ik was er weinig over in mijn schik, daar ik vooreerst vrijgezel ben en nooit zakenverlof heb gehad. Restte dus alleen nog maar het feit dat ik tot de oudste lichting behoorde. Zoals U ziet lezer al deze berichten boden mij weinig houvast.

24 Mei. Alweer prachtweer, doch het wordt bij den dag warmer en ons dikke costuum begint werkelijk hinderlijk te worden. 's Morgens moest ik met eenige mannetjes weer naar de opslagplaatsen bij de fabriek zijn, ditmaal om toezicht te houden bij het werk. Er werden nog steeds vanuit de stellingen karrevrachten munitie enz. uitgehaald en alles moest netjes gesorteerd worden. De andere kameraden moesten naar Maarsbergen om een paar duizend hulzen van kanonskogels op te laden, een geweldig karwei. Onderwijl kwamen er honderden militairen uit Utrecht en omstreken, allen weer van het 15e om opnieuw in Scherpenzeel te worden ingekwartierd. Om ongeveer 12 uur was ons werk af en hadden wij niets meer te doen. Na het eten ben ik met 2 kameraden maar weer eens naar Scherpenzeel gefietst, doch dit was dan ook voorgoed de laatste keer. Misschien dat ik er nog wel weer eens een keer zal komen buurten, doch wanneer weet ik niet, in elk geval dan niet meer als militair. Na onze terugkeer hebben wij in Woudenberg den geheelen middag languit in het gras gelegen. De lucht zag er ook ditmaal tamelijk dreigend uit, maar gelukkig bleef het droog.

Om 4 uur zagen we weer hetzelfde hartverheffende schouwspel als den vorigen dag. Weer gingen er onder geleide van Hollandsche officieren ongeveer 200 vrachtauto's op Wesel aan. Daar er toch geen kijk op was dat wij binnenkort weer naar Utrecht zouden gaan, besloot ik 's avonds maar zelf eens naar de Jutfaasscheweg te fietsen om mijn spullen o.a. een partij waschgoed dat ik onmogelijk kon missen op te halen. Het was lang niet naast de deur, heen en weer op één avond 44KM, maar mijn plan stond vast, ik wou en ik zou. De kraaien zouden het zaakje niet bij mij brengen. Na om 6 uur een stevig maal bruine boonen met spek (een reuzekost bij zulk een warmte !) te hebben verorberd, ging ik starten. Ik mocht zoolang de fiets van den sergeant gebruiken. Het was een kostelijke avond. Alles ademde rust en vrede. De tocht was dan ook schitterend door de bosschen. Dichtbij Zeist kwam ik één onzer sergeants welke thans nog te Utrecht zijn tegen welke mij toeriep: "Morgen gaan er heel wat naar huis". Dit was voor mij oud nieuws en ik nam het maar voor kennisgeving aan. Wat had ik daar als vrijgezel mee te maken. Al verder gaande begon ik door de bruine boonen en de warmte geweldig dorst te krijgen.

Midden in Zeist stapte ik af en kocht in een café een fleschje limonade. Toen ging het weer verder. Buiten dit dorp ontmoette ik een stel artilleristen die al zeker wisten dat zij den volgenden dag naar huis gingen. Ik kon in die blijdschap nog niet deelen, daar het nieuws bij onze afdeeling 3-II-15 R1 nog allerminst bekend was. Daar kwam dan eindelijk Utrecht in zicht. Wat was ik blij toen ik de stad weer zag met haar gezellige drukte. Om half 8 was ik aan de school en ontmoette daar mijn oude kameraden weer. Gauw haalde ik mijn pak waschgoed, want ik had haast en moest vóór 10 uur weer terug zijn. Tot mijn verassing zat er ook nog een kistje sigaren tusschen die mijn moeder had meegebracht. Er moeten oorspronkelijk ook nog reepen chocolade bij geweest zijn, maar die waren natuurlijk gestolen. Ook zouden er nog kranten bij geweest zijn, maar ook die waren weg. Het is fraai dat er zulke dienstkameraden zijn die je op zoo'n manier de das omdoen. Tot eer van onze tegenstanders zij vermeld dat er bij hen zooiets niet bestaat.

Ik bond het pak op den bagagedrager, kocht een paar ijswafels, want de dorst wou maar niet wijken en startte vervolgens weer voor den terugtocht, doch ben eerst nog even bij de familie Jansen aangeloopen en heb daar de reden uiteengezet waarom ik mij sinds 4 dagen niet had vertoond, daar ik in Woudenberg mijn werkzaamheden had. Na nog een glas water te hebben gedronken en even de krant te hebben gelezen nam ik maar officieel afscheid, want zoo dacht ik, het zal nu wel voor het laatst zijn dat ik hen had bezocht. Ik bedankte hen natuurlijk hartelijk voor de gastvrije ontvangst gedurende deze na- oorlogsche dagen. Daarna peddelde ik weer met een stevig gangetje op Woudenberg aan. Te Zeist pikte ik nog even het zooveelste ijsje bij een Italiaansche ijsverkoopster die geen woord Hollandsch verstond, en toen ging het maar weer verder. Buiten Zeist stond aan den kant van den weg een groote Duitsche tank moederziel alleen. Vermoedelijk zal er wel een of ander defect aan geweest zijn, anders hadden ze dat ding toch niet aan haar lot overgelaten. Het begon al aardig laat en tevens donker te worden. Ik zette de gang er flink in en om half tien was ik al in het centrum van Woudenberg.

Nog even stapte ik af en kocht nog een paar sigaren. Om kwart voor tien was ik weer op de kamer. Ik was al weer iets beter gestemd al was het dan ook alleen maar om het feit dat ik de reis niet tevergeefs had gemaakt en ik mijn pak in het bezit had. Ik heb nog even buiten gezeten om te genieten van den schoonen avond en ben toen de kooi ingegaan. Het zou onze laatste wacht in Woudenberg zijn, maar dat wist ik toen nog niet.

25 Mei. Een allergewichtigste dag voor mij die een bonte afwisseling gaf van hoop, teleurstelling en tenslotte groote blijdschap. De dag zette opnieuw in met fraai en windstil weer en alles zag er naar uit dat het zeer warm zou worden. Na het ontbijt moesten wij ons allen gaan verzamelen vóór onze kwartieren en deed de kapitein ons de officieele mededeeling dat heden de helft van de Nederlandsche Weermacht naar huis zou gaan. Veel wijzer was ik er nog niet door geworden, hoewel hij wel meer den nadruk legde op "de oudsten onder de troep", doch wat hij verder zeide vond ik voorloopig al mooi genoeg om mij vroolijker te stemmen. Ons clubje zou n.l. over een uur met vrachtwagens weer naar Utrecht vertrekken. Wat was ik daarmede in mijn schik ! Om 9 uur kwamen ze het erf oprijden. Wij slingerden onze uitrustingen in de wagens en natuurlijk nam ik ook mijn kussen mee, want ik wilde in Utrecht nu ook eens fijn slapen. Verder waren wij ruimschoots van rookgerei voorzien. Wij stapten en daar ging het full-speed op Utrecht aan. Vaarwel Woudenberg en Scherpenzeel met alle oorlog en ellende, ik hoop hier niet meer te komen. Vlak bij Zeist stopten de wagens en daar kwamen nog een tiental ons onbekende kameraden instappen.

Wij zaten nu als haringen in een ton, maar enfin dat half uur zouden wij wel uit zien te zingen. Voort ging het weer en om 10 uur reden wij Utrecht binnen. Daar stopten de wagens weer om de vreemde eenden uit te laten. Zoo hadden wij dus meer ruimte gekregen en een kwartiertje later stapten wij voor de school uit. Wij haalden de uitrustingen eruit en sleepten alles weer mee naar de kamer. Ziezoo daar waren wij dus weer in ons oude doen. Tot mijn verwondering vernam ik dat er nog steeds niets bekend was over afzwaaien. Ik ging eens een straatje rond, maar keerde spoedig terug omdat het gloeiend heet was en het lang geen onverdeeld genoegen was om in dit dikke pak te loopen. Tegen 11 uur komt een ordonnans een envelop van dik formaat brengen waarin blijkbaar heel wat brieven zaten. Wij dachten al: "Zouden hierin de noodige instructies zitten voor de demobilisatie ?" Zoo verliep aldus het eene uur na het andere en tegen 3 uur ging ik maar weer eens een kleine wandeling maken en kocht tevens nog een ijsje. Tegen half vier kwam er weer een ordonnans met een enveloppe. Zou het nu meenens zijn ? Wij hadden al gehoord dat er heel wat regimenten zouden afzwaaien behalve het 15e. Dit bleken echter alle maar praatjes te zijn.

Daar komt opeens leven in de brouwerij. De kapitein welke even weggeweest was keerde spoedig terug en opeens was het in het bureau (de ontvangkamer van het schoolhoofd) alle hens aan dek. Alles moest worden uitgezocht om te bepalen wie er in aanmerking kwam om af te zwaaien en wie niet, want immers niet allen gingen weg, doch de helft. Ik hield mijn hart vast en dacht "zou ik ook nog een kans maken ?" Wij moesten weer verzamelen op het schoolplein. De vaandrig kwam met een lijst waarop hij al de namen noteerde van degenen welke in de burgermaatschappij direct weer aan het werk konden gaan en dit was voor mij een reden temeer om de zaak iets optimistischer te bezien, want op dit punt stond ik er lang niet slecht voor. Ik kon direct aan den slag wanneer ik den militairen dienst zou verlaten. Om 5 uur was het warm eten, doch daar kreeg ik opeens te hooren dat ik om 6 uur een wacht van 24 uur moest kloppen op fort "Het Hemeltje", drie kwartier buiten Utrecht onder de gemeente Houten. Dit zette eventjes leelijk de domper op het optimisme dat ik zooeven nog bezat, want op wacht gaan en afzwaaien ging nu eenmaal niet samen. Dat ik nu net de sigaar moest zijn !

Maar zoo verzekerde men mij, als ik toch in de termen zou vallen om af te zwaaien, dan zou het toch zeker wel volgende Zaterdag zijn. "In vredesnaam dacht ik, als het moet, dan nog maar 8 dagen langer dienen, ik heb er nu al zoo lang ingezeten, die week kan er ook nog wel bij". Pm kwart over vijf stonden wij klaar om naar het fort te gaan en onderwijl was men zooals wij thans vernamen druk bezig met verlofpassen schrijven op het bureau. De wachtcommandant zeide: "Ga jij met de troep maar vast vooruit, dan zal ik zoolang hier blijven en den uitslag afwachten, dan kom ik het om 6 uur wel vertellen wie er van jullie kunnen afzwaaien". Dus er was dan toch nog een kans ondanks het feit dat wij op wacht moesten. Om tien minuten voor half zes startten wij. Daar ik geen fiets kon bemachtigen ben ik maar achter op den bagagedrager van één mijner kameraden gaan zitten. Het bonkte hevig over allerlei oneffenheden, daar de achterband zeer slap was. Na 5 minuten waren wij de stad uit en ging het door weilanden op ons doel aan. Loom en zwaar drukte de hitte. De lucht begon te betrekken en mogelijk zou het wel op onweer uitdraaien. Dat zag er minder mooi uit voor den komenden nacht.

Na ongeveer 20 minuten te hebben gereden stapten wij even af bij een klein winkeltje om limonade en sigaretten te koopen. Het was mijn laatste fleschje dat ik zou aanspreken nadat ik er in mijn diensttijd wel tientallen had geledigd. Mijn kameraad liet zijn fietsband oppompen en toen gingen wij weer verder. Na 5 minuten was het fort bereikt. De ligging is buitengewoon fraai. Het fort is begroeid met dicht geboomte en eromheen zijn mooie grachten waarin naar hartelust gevischt kan worden. Dezelfde wachtcommandant met wien ik op 9 Mei aan de Potbrug te Woudenberg op wacht was geweest had daar juist zijn wacht erop zitten en overhandigde mij de sleutels van het munitiemagazijn. Nadat ik 4 man op post had gezet ging ik met de overige mannetjes de zaak eens verkennen. Het zag er alles even prachtig uit. Binnenin het fort was een fraai gemeubileerde kamer, blijkbaar bestemd voor de officieren. Toen ik zoo alles eens in oogenschouw had genomen ging ik weer naar buiten, doch nam eerst nog een paar Engelsche tijdschriften mee om den tijd te dooden. Ik ging lekker bij de brug zitten, terwijl de anderen die nog niet op post gingen zich onledig hielden met visschen.

Het was inmiddels al over zes geworden en nog steeds kwam onze wachtcommandant niet opdagen, doch men kan het nu eenmaal niet op een minuut af mikken. Het werd al kwart over zes, half zeven, kwart voor zeven, nog niets. Ik vond het een gek geval. Ik ging eens buiten het fort om den straatweg af te turen en inderdaad zag ik heel in de verte een militair aankomen, doch ik kon nog niet onderscheiden wie het was. Naderbij gekomen zijnde zag ik dat het een mij welbekende sergeant, doch niet de wachtcommandant was. Hij stapte af en ik vroeg hem waar onze wachtcommandant toch bleef. Hij antwoordde dat hij het nu was, daar de oorspronkelijke was afgezwaaid en zeide hij verder…jij kunt ook afzwaaien. Ik wist gewoonweg niet hoe ik het had, zoo maar ineens uit den dienst weer in het burgerleven terug te keeren. Ik kon wel 2M hoog springen. Ik nam van dezen sergeant en de overige kameraden stevig afscheid en ging toen te voet naar Utrecht. Het was nog een heele tippel, drie kwartier loopen en ik had er weinig zin in. Na 5 minuten geloopen te hebben hield ik een vrachtauto aan die mij gratis meenam en mij vrij dicht bij de school afzette.

Ik kon jammer genoeg van den kapitein, vaandrig en luitenants geen afscheid meer nemen, daar deze op het moment niet aanwezig waren. Ik moest op het bureau komen en daar zat de sergeant-majoor die mij de achterstallige soldij van de oorlogsdagen uitbetaalde, waarna hij mij de verlofpas uitreikte. Ik nam afscheid van hem terwijl hij mij nog bedankte voor de assistentie welke ik op het bureau in Scherpenzeel had verleend. Daarna ging ik naar den fourier en leverde vele zaken in zooals patroontasschen, helm, eetketel enz, enfin ik hield niet veel meer over. Na ook van hem afscheid te hebben genomen ging ik nog even naar de kamer om mijn kameraden een laatste vaarwel toe te roepen. Mijn overjas moest nog op de rol en hierbij hielpen ze mij vlug zoodat ik spoedig klaar was. Na een stevige handdruk verliet ik de school waar ik zooveel herinneringen achterliet. Op de bank zaten nog een paar sergeants en een korporaal vlak bij de ingang welke ik ook nog even de hand drukte en daar ging ik gepakt en gezakt op het station aan. Af en toe kwam ik nog wel een enkele van mijn kameraden tegen, maar het gros zag ik niet meer.

Nog even ben ik bij de familie Jansen geweest d.w.z. aan de deur, want veel tijd had ik niet, daar de trein om kwart over acht vertrok. Na afscheid te hebben genomen vroegen de buren aan mij of ik in Bussum in de Nieuwe Englaan eens wilde informeeren waar hun man was, daar deze nog niets van zich had laten hooren. Ik beloofde zulks en daar ging het dan officieel op huis aan na al deze plichtplegingen volbracht te hebben. Boven mijn hoofd vlogen een drietal Duitsche bommenwerpers zeer laag over de stad. Het was alsof ze mij wilden beduiden dat de oorlog en de militaire dienst voorgoed voor mij af was. Het was een waardig besluit na al deze emotioneele gebeurtenissen die ik vanaf eind Augustus 1939 had meegemaakt. Bij het gebouw der Ned. Spoorwegen kwam ik een paar Duitschers tegen die mij vrolijk toewuifden. Ik zeide: "Ich gehe nach Hause", waarop zij antwoordden met "schön, schön". Nog even hield ik stil om een ijsje te koopen. Wat had ik het slecht met die zware jas en ransel op mijn rug tijdens deze hitte, want het was zeer zwoel. Weldra was het station bereikt en stapte ik de hal binnen. De trein voor Hilversum stond al klaar, want daar moest ik overstappen voor Bussum.

De militaire drukte was tegen alle verwachting in niet groot, maar elders in ons land moet ze overweldigend geweest zijn want het geheele spoorwegverkeer was hopeloos in de war. De treinen kwamen met uren vertraging binnen, doch deze trein was mooi op tijd. Op het perron liep een Duitsche schildwacht met zijn "spuit" heen en weer te stappen, een wonderlijk gezicht in ons brave Holland. In den trein trof ik slechts een paar militairen aan met wie ik een boom opzette. Daar zette de trein zich in beweging en spoedig hadden wij de Domstad achter ons. Vaarwel Utrecht met je krijgsgevangenschap, doch ook met je burgerij die zich zoo voor ons had uitgesloofd. Het was een echte boemel en stopte zoowat overal. De reis ging over Maartensdijk, Hollandsche Rading, waar bijna alle militairen uit mijn coupé gingen en ik met een collega overbleef die te Huizen woonde en tot Hilversum meereisde. Daar stopte de trein weer, eerst nog even aan de Soestdijkerstraatweg en toen was het einde der eerste étappe in zicht. Nog eenmaal zette de trein zich in beweging om even later het eindpunt Hilversum te bereiken. Ziezoo, daar stond ik dan op het perron te Hilversum. Nog een klein rukje en dan was het officieele einde bereikt.

Ik moest nog een half uur op den trein wachten daar deze vertraging had. Ik ging dus maar op mijn gemak op één der banken van het perron zitten. Onderwijl ging mijn heele pak bagage uit elkaar, doordat de verpakking ging schuiven, doch een heer bood de behulpzame hand en spoedig was het euvel verholpen. Het half uur was verstreken en nog geen trein. Het begon mij hier knap te vervelen, doch loopen naar Bussum vond ik nu ook niet zoo aangenaam ofschoon ik wel marschen gewend ben. Een autobus kon ik ook niet krijgen en een taxi evenmin, daar deze vervoermiddelen niet meer mochten rijden. Het liep tenslotte al tegen tien uur, maar toen werd ik het dan ook heelemaal zat. Ik vroeg den stationschef of de trein nog niet in aantocht was en deze zeide mij dat ze nog niet eens te Amersfoort was gearriveerd. "Dan maar een uur loopen dacht ik, zoo is het ook niets". Ik ging onder de tunnel door, vervolgens door de contrôle en gaf daar mijn verlofpas of, alweer een militaire formaliteit minder. Op het Stationsplein kwam een militaire vrachtauto aanrijden. Ik hield deze aan en vroeg aan den chauffeur of hij mij naar Bussum kon brengen, maar dat ging niet. Hij moest om tien uur binnen zijn en was al over tijd.

Ik ging dus maar te voet op Bussum aan. Op de Koninginneweg raakte ik nog even met een paar burgers aan de praat, want juist in deze dagen zijn die menschen zeer nieuwsgierig. Het gesprek draaide tenslotte zoo dat ik van hen een fiets ten leen kon krijgen tot morgenochtend. Dat was nog eens een aardige zet. Ik sprong gauw op het karretje en daar ging het full-speed op huis aan. Onderweg reed ik nog met een heer op die mij tot vlak bij huis vergezelde. Om half elf stapte ik bij mijn huis af. Ik stapte de kamer binnen en daar had je nu de verbaasde gezichten van mijn moeder en de schoonouders van mijn broer moeten zien. Daar stond ik nu gaaf en wel uit den strijd gekomen voor hen. Ze wisten van blijdschap niet hoe ze het hadden en ook ik was de koning te rijk dat wij weer saam vereenigd waren na zooveel ellende die wij allen hadden meegemaakt. Er was dan ook stof te over om den Heere te danken voor de behouden thuiskomst. Wat onderscheidde mij met zoovele duizenden landgenoten die het leven hadden gelaten. Ik slingerde gauw het zware zaakje af en deponeerde het in een hoek van de huiskamer.

Na nog eenigen tijd flink gebabbeld te hebben besloot ik nog even naar de Nieuwe Englaan te gaan om mij van mijn opdracht te kwijten. De persoon in kwestie was thuis en verzekerde mij dat hij juist den volgenden dag naar Utrecht zou gaan. Ik ha dus die familie ook blij gemaakt. Daarna ging ik weer op huis aan door Bussum's straten waar natuurlijk geen een lantaarn brandde. Thuis gekomen at ik nog een boterham en ontdeed mij daarna van mijn militair costuum om mij ter ruste te begeven en den volgenden dag als burger in een heerlijk zacht bed inplaats van op een stroozak of plat op den grond zoals in Utrecht te ontwaken. Door al deze emoties sliep ik zeer slecht en af en toe kwamen er nog weer schrikbeelden van aanvallende vliegtuigen mijn geest verontrusten. In werkelijkheid vlogen er dus ook 's nachts Duitsche vliegtuigen over ons huis, doch deze deden geen kwaad meer. Het waren z.g. contrôlevliegtuigen om te zien af alles goed verduisterd was. Ziehier lezer mijn ervaringen neergelegd in een dagboek wat ik alzoo in 9 maanden heb beleefd. Veel is er sindsdien veranderd.

Wij begonnen met mobilisatie onder de regeering van van H.M. de Koningin en eindigde met een oorlog met als slot onder Duitsch gezag staande in casu den Führer, doch bij het eind van mijn militaire loopbaan is heel Europa één groote heksenketel geworden. Frankrijk, België en Engeland zitten nog steeds in oorlog met Duitschland en mogelijk volgen er nog meer staten. Waar dit alles op uit moet loopen, doch ik leg nu de pen maar neer in de hoop dat de lezer iets zal gevoeld hebben van hetgeen wij alzoo als militair hebben beleefd.

Naschrift op mijn militaire loopbaan

19 Augustus 1940. Nadat ik ongeveer 3 maanden mijn burgertaak weer had opgevat hetwelk door den oorlog allesbehalve gemakkelijk was geworden volgde nog een kleine onderbreking welke opnieuw herinneringen opwekte aan mijn soldatenleven. Thans kreeg ik per post een schrijven dat ik alle nog in mijn bezit zijnde militaire goederen moest inleveren in een school te Bussum. 's Daags tevoren heb ik nog eens mijn tenue (koppel, broodzak enz.) in elkaar gezet en gepast. Nu dat zat nog fijn hoor ! Den volgenden dag kreeg ik natuurlijk een uurtje vrij om mijn spullen in te leveren. Thuisgekomen zijnde maakte ik van mijn korporaalsjas, tuniek, ondergoed enz. een flink pak en bond het achter op de fiets. Vervolgens hing ik weer om, thans voor de laatste keer van mijn leven en over mijn burgercostuum heen. Ik dacht wel "Wat zullen de menschen wel zeggen als ik zoo vreemd uitgedost op straat verschijn", maar dat viel mee. Vrijwel niemand schonk er aandacht aan.
Om 3 uur startte ik met het zaakje en 10 minuten later was ik aan de school. Ik stapte af en hing tevens mijn uitrusting af. Met een zware koffer vol ondergoed stapte ik het lokaal binnen. Een eerste luitenant had achter een tafel plaatsgenomen en las alles op wat ik moest inleveren. Vrijwel alles was present en de formaliteit was nu voor eens en altijd afgeloopen. Alleen mijn oorlogszakboekje mocht ik behouden, dus toch nog een souvenir van mijn militaire leven. Nu loopt een ander met mijn mooie jas en verdere spullen, ik zal maar niet zeggen wie, maar het is buitengewoon raar en droevig dat de zaken zo gelopen zijn. Onderweg op den terugtocht kwam ik nog een vroegere dienstkameraad tegen die eveneens zijn spullen bij zich had om in te leveren. En hiermede basta !

MIJN BEZOEK AAN DE GREBBEBERG EN SCHERPENZEEL OP 29 EN 30 JULI 1941

Het vorige jaar kocht ik een boek hetwelk als titel droeg "tusschen vuur en ijzer". Dit boek handelt over de verschrikkingen van de Grebbeberg op 13 Mei 1940 toen er honderden Hollanders en Duitschers sneuvelden juist op het moment dat er te Woudenberg zoo hevig op Scherpenzeel werd geschoten en omgekeerd. Bij het lezen van genoemd boek kwam de vurige begeerte in mij op om deze plaats alsmede de stad Rhenen eens te bezoeken teneinde daar eens grondig de situatie in oogenschouw te nemen opdat ik mij van het geheel nu eens een goed beeld kon vormen. Deze gelegenheid deed zich thans voor in den zomer van 1941 toen ik eenige dagen met vacantie was. Ik besloot maar eens vroeg op pad te gaan en stond dien morgen reeds om kwart voor zes op. De zon kwam juist op en alles beloofde een mooie dag.

Tegen zeven uur ging ik op stap, doch de lucht welke zooeven nog helder was begon plotseling te betrekken, terwijl ook de barometer in mijn huiskamer zeer twijfelachtig stond. Niettemin vatte ik maar moed, daar er al meer van dergelijke dagen waren geweest zonder dat het tot regen was gekomen, doch onwillekeurig zei ik toch bij het van huis gaan "Het kon wel eens op regen uitdraaien". Welgemoed stapte ik naar het station. Onderweg kwam ik in verband met het vroege uur nog weinig menschen tegen. Op het perron sprak ik een oude dienstkameraad uit Huizen welke in dienst chauffeur was geweest en de "eer" had gehad om te Woudenberg deel uit te maken van het afleveren van onze vrachtauto's naar Duitschland. Daar stoomde de trein binnen en stapte ik in. Bij Amersfoort zag het er uit dat het weer zou opklaren. Af en toe kwam de zon weer tevoorschijn, doch de wolken joegen met razende snelheid langs de lucht. Daar stopte de trein te Amersfoort en moest ik overstappen. De treinen reden weliswaar mooi op tijd doch in verband met de tijdsomstandigheden zeer schaarsch. Ik had een uur tijd voordat er een trein in de richting Nijmegen vertrok.

Het lange wachten viel echter wel mee want het was er een gezellige drukte van vacantiegangers. Op het perron is ook een afdeeling van de Duitsche Weermacht. De manschappen luisterden juist naar de uitzending van het A.N.P. en onwillekeurig luisterde ik mee. Het uur van wachten was ras verstreken. Eindelijk liep de trein voor Nijmegen binnen en nam ik plaats. Toen zette zij zich in beweging voor de tweede en laatste étappe althans voor mij met als eindpunt Rhenen. Het eerste station waar de trein stopte was Woudenberg. Een eigenaardig gevoel maakte zich van mij meester toen ik het stationnetje weer zag waar ik tallooze malen tijdens het verlof ben in- en uitgestapt. De heele diensttijd en oorlogsdagen kwamen mij opeens weer levengroot voor den geest te staan. Daarna stopte de trein te Veenendaal. Hier moet ook veel verwoest zijn doch vanuit de trein kon ik hiervan niets bespeuren. Waarschijnlijk was alles inmiddels alweer opgebouwd. Voor het laatst startte de trein en weldra was Rhenen bereikt, een alleraardigst stadje. Het station ligt tusschen hooge heuvels in als het ware in de diepte evenals Arnhem.

Ik stapte uit, maar wist aanvankelijk niet precies waar ik de Grebbeberg moest zoeken. Een wonderlijk gevoel bekroop mij toen ik daar opeens in dit plaatsje was het welk na Rotterdam in geheel Nederland het meest over den tong was gegaan. Ik kwam een heer en dame tegen die uit Rotterdam waren gekomen om een familielid welke daar was gesneuveld op het kerkhof te bezoeken. Zij wisten precies den weg en ik voegde mij bij hen. Ik zag ten eerste het beruchte viaduct waar honderden granaten overheen gevlogen waren en dat tenslotte was opgeblazen. Een paar lange ijzeren balken herinnerde er nog aan wat eens een viaduct was geweest. Er zou wel een aanvang worden gemaakt voor den bouw van een nieuw viaduct, want er stond tenminste een betonmolen te draaien. Verder stonden er woonwagens van aannemers en lag er een hoeveelheid hout vlak tegenover het station. Wij vervolgden onze weg en vernamen dat deze steil de hoogte in ging. Dit was feitelijk al het begin van den Grebbeberg. Weldra zagen we reeds de sporen van verwoesting welke de oorlog had teweeggebracht. Wij zagen zeker wel een stuk of tien afgebrande huizen en ik verbaasde mij ten zeerste dat er na een jaar nog niet eens met den herbouw was begonnen.
Daarna zagen wij niets anders dan aan weerskanten bosschen, terwijl het loopen gaandeweg lastiger werd.
Na een minuut of tien bereikten wij Ouwehand's Dierenpark met zijn statige entreé, berucht door de vele bombardementen welke er vlak in de buurt hadden plaatsgevonden. Spoedig was het hoogste punt bereikt en waren wij dus boven op de Grebbeberg. Links bevind zich het militaire kerkhof. Aan den ingang stopte een Duitsche auto en hieruit stapten eenige officieren om hun gesneuvelde landgenoten te bezoeken. De ingang wordt gevormd door een soort prieël van houtwerk gevlochten. Opzij hangt een offerbus waarop vermeld staat: "Voor bloemen bestemd voor het graf van den onbekenden soldaat". Als oud-gediende en mede als blijk van piëteit heb ik ook een kleine bijdrage hiervoor afgezonderd. De ingang wordt bewaakt door rijkspolitie en maréchaussée, doch dit was meer voor de goede orde. Het betreden van dit kerkhof was geheel vrij. Toen wij binnentraden zagen wij eerst tal van graven van gesneuvelde Duitschers. Niet alle waren hier ter plaatse gevallen, doch ook vele blijkens de opschriften te Scherpenzeel, Renswoude, Ede (De Klomp). Het waren er heel wat.

De graven waren versierd met eenvoudige houten kruisen waarop de namen der gevallenen waren vermeld, doch er waren er ook waar alleen op te lezen was "Der unbekannte Soldat". De graven zijn alle versierd met begonia's, hetgeen weliswaar stemmig aandoet doch tevens van groote eentonigheid getuigt. Voorloopig bekeek ik deze graven dan ook zeer oppervlakkig want het was mij in de eerste plaats te doen om de Hollandsche graven, want eigen volk trekt meer dan vreemde persoonen, hetgeen zeer logisch is. Ik stond weldra voor de Hollandsche graven. De opschriften waren zeer roerend en voor een groot deel van godsdienstige strekking. De gevallen kameraden waren voor het grootste deel van 8 R 1. Deze waren destijds in depôt geweest in de Palmkazerne te Bussum de plaats mijner inwoning. Tijdens één mijner verlofdagen heb ik de troepenverplaatsing van deze menschen nog bijgewoond en vertelden ze mij dat ze naar Rhenen gingen. Wie weet hoeveel hiervan gesneuveld zijn. Ze kwamen meest uit den Achterhoek. Vervolgens lagen er velen van 19 R 1, uit Overijsel afkomstig, verder enkele van 24 R 1 en 10 R 1 en verder nog enkele huzaren.
Bij al deze regimenten bevonden zich ook onderofficieren en zelfs een groot-majoor. Op vele graven lagen bloemen en in menige tombe prijkte het portret van den gevallene.

Evenals bij de Duitschers waren ook hier graven met het opschrift "de onbekende soldaat", waarbij voorts nog vermeld stond "gedenkt aan de zaak waarvoor hij gevallen is." Typisch was het dat R.K. en Protestantsche soldaten door elkaar lagen, heel anders dan op een burgerkerkhof waar beide afzonderlijk zijn. Rechts stond een groot monument van 19 R 1 waarop te lezen was "Gods oordeel is recht", terwijl links een monument van 8 R 1 stond met het opschrift "Den Vaderlant ghetrouwe". Hierop waren alle namen der gesneuvelden in gebeiteld.
De Duitschers hadden slechts een heel eenvoudig monument. Van mijn metgezellen nam ik afscheid en vervolgde alleen mijn weg. Erg vervelend was het dat het juist begon te regenen, terwijl ik geen parapluie of regenjas bij mij had. Het was wel zeer noodzakelijk dat er regen viel, doch voor de vacantiegangers was het minder aangenaam. Enfin als dat het ergste was wat ik hier meemaakte dan ging het nog wel. Er waren ergere dingen gebeurd dan een beetje regen en ik mag nog dubbel dankbaar zijn dat ik hier op den Grebbeberg nog een regendag mocht beleven. Dat kunnen degenen die hier begraven liggen niet meer vertellen. Zeer onder den indruk verliet ik deze plaats. Ik keek even achterom en zag de straatweg steil naar beneden loopen. Dit was de beruchte "Nude" welke naar Wageningen loopt. Hier kwamen in den namiddag van 13 Mei 1940 de Duitschers vandaan en vond het hevige treffen plaats. Ik ging den weg terug naar Rhenen want ik wilde nog meer zien. Vooreerst kocht ik een paar ansichtkaarten bij een karretje waarna ik langs hôtel "de Grebbeberg" ging. Een nieuwe uitspanning is inmiddels weer opgebouwd, doch daarnaast staat het oude hôtel totaal uitgebrand.

Het moet daar blijkbaar blijven bestaan als een bezienswaardigheid en tevens als publieke trekpleister. Een eindje verder stond ik voor den ingang van Ouwehand's Dierenpark. Ik kocht een kaartje en nam op mijn gemak het een en ander in mij op. Het is een pracht diergaarde, zeker wel zoo groot als "Artis", doch minder bevolkt. Er waren overigens mooie dieren te zien zooals papegaaien, apen, olifanten, kameelen, een pracht collectie pelikanen en tropische ooievaars en kraanvogels enz. enz. Het was alleen maar erg jammer dat het bleef doorregenen. Midden in het dierenpark trof ik de fundamenten van een afgebrand huis aan. Ook het aquarium heb ik nog bezichtigd, doch het was lang niet wat het aquarium in "Artis" was. Om ongeveer half twaalf had ik het mijne er al weer van en verliet deze inrichting weer. Onderwijl had ik knap trek gekregen in een boterham, maar waar moest ik deze nuttigen ? Alles was even nat. Na nog een eindje geloopen te hebben ging ik de bosschen in, ik mag wel zeggen de beruchte bosschen, want daar heeft zich feitelijk het geheele drama afgespeeld. Ik heb mijn twaalf uurtje genuttigd vlakbij een oude half ingestorte loopgraaf waaruit allerlei lappen en vodden staken.

Wat dit te betekenen had weet ik niet. Gelukkig werd het even droog. Ik had een mooie doorkijk in de diepte en zag een korenmolen rustig met zijn wieken draaien. Op deze plaats zijn de Duitschers aanvankelijk driemaal afgeslagen. Na deze picnic aanvaardde ik den terugtocht, doch raakte enigszins uit de koers. Na eenig zoeken vond ik de rechte weg weer terug en kwam tenslotte bij een ruïne van een afgebrand huis terecht. Hier vlogen twee pauwen op en verdwenen in het Bosch. Hoe die dieren daar verzeild raakten is mij een raadsel. Eindelijk had ik den grooten weg weer bereikt en ging ik weer op het station aan. Het was onderwijl opnieuw aan het regenen getogen en een honderd meter verder ging ik weer eens schuilen onder de boomen. Zoodoende bleef ik nog aardig droog. Het was twaalf uur geworden en in de verte klonk de sirene van de houtzagerij "de Stoomhamer" vlak bij het station.

Het was precies luchtalarm. Ik ging maar weer verder en spoedig was ik weer bij het station. Daar heb ik nog een kwartier geschuild in een autogarage. Langs den weg gingen auto's met het opschrift "Wederopbouw". Er was hiervan echter nog weinig te bespeuren. Ook kwamen er eenige Groote zware Duitsche vrachtauto's voorbij. Hoewel het weliswaar bleef doorregenen had ik toch geen zin om zoomaar weer de reis af te breken en terug te gaan. Ik wilde ook nog eens de stad in, regen of geen regen. Nu ik heb er geen spijt van gehad. De regen verminderde en toen ben ik achter het station om de stad ingegaan. Vooreerst zag ik het gemeentehuis waar op Zaterdagavond 12 Mei 1940 een bataljon verzameld was geweest om een tegenaanval op den Grebbeberg te ondernemen, inderdaad een historische plek. Tegenover dit gebouw stond een autogarage die er deerlijk gehavend uitzag, doch even verder zag ik iets wat ik niet anders kan beschrijven als een enorme chaos. Tientallen huizen lagen voor den grond. De geheele binnenstad was verdwenen. Wel waren er eenige nieuwe huizen bij de kerk bijgebouwd, doch het geheel bood een aanblik van enorme ravage.

Het was Rotterdam in het klein ! Ik zag verscheidene z.g. "noodwinkels", houten gebouwtjes evenals er thans te Rotterdam zijn. Na al dit schoons aanschouwd te hebben ging ik maar weer verder in de richting Elst. Buiten de stad nam ik mijn intrek in een graanmaalderij om maar weer eens te schuilen. De molenaar had niets te doen en was bezig een stoel te repareren. Achter deze maalderij stond weer een heel blok afgebrande huizen en verderop lag een hoop puin. Precies recht tegenover dit gebouw lag het dorpje Lienden nog geen 500M verder aan de overkant van de Rijn. Na geruimen tijd met den baas geboomd te hebben aanvaardde ik weer den terugtocht. In de stad heb ik mij over de ruïnes heen gewerkt om bij de Rijn te komen. Ik keek zoo maar in de kelders der huizen, waaruit verwrongen gaspijpen naar buiten staken. De Cunerakerk en toren die in dit verlaten stadsbeeld goed tot hun recht kwamen waren geheel in de steigers.

Waarschijnlijk is deze kerk inwendig ook zwaar beschadigd. Van buiten is dit echter niet te zien. Vervolgens ging ik door een sterk afhellende straat totdat ik aan den oever van de Rijn stond.


Er ging juist een aak voorbij en een grindelevator was druk aan de gang. Voor het laatst heb ik nog even geschuild in een schuurtje waar een vrouw druk aan het wasschen was en de poes om haar heen liep. De regen verminderde en vervolgens ging ik weer verder thans langs de trambaan met aan één zijde een hooge dijk vol boomen, een fraai gezicht.
Daarna liep ik onder de spoorbrug door die thans geheel vernieuwd is en kwam weer op het punt van uitgang bij het station terecht. Daar ik nog meer dan een uur tijd had heb ik maar weer den Grebbeberg bestegen. Nu ging ik meteen het Bosch in en kwam bij eenige barakken van den arbeidsdienst terecht. Ik sprak den opzichter en zeide: "Vertel me nu eens waar is hier nu het ergst gevochten?" "Hier," zeide hij "waar je nu loopt en verder overal in dit bosch". Er is hier niemand meer levend uitgekomen. Als blijk van wellevendheid liep hij een heel eind met mij op. Wij zagen finaal stukgeschoten boomen en boomen waarvan een groot stuk schors was afgeslagen. Ik moet eerlijk zeggen dat het een griezelige boel was. Tenslotte kwamen wij zonder dat het mijn bedoeling was weer bij het kerkhof terecht. Onderwijl zagen wij in het Bosch nog eenige ledige granaatrekken liggen van de Hollanders. Bij het kerkhof nam ik afscheid en bedankte hem voor de begeleiding. Ik had nog wat tijd over en ben ten tweede male nog even op het kerkhof geweest en wat langer stilgestaan bij de graven der Duitschers.

Ik heb alle rijen zowel van de Hollanders als de Duitschers geteld en schatte het totaal op 600. Volgens mijn metgezel waren het er echter veel meer, maar ik vond het al erg genoeg. Tegenover het kerkhof bevonden zich de bosschen waar de z.g. "Koningstafel" staat. Dit Bosch is thans afgezet want er bevinden zich landmijnen in die een groot gevaar opleveren. Vanaf de weg zag ik echter in dit Bosch tientallen ontwortelde boomen. Het leek precies of er een windhoos in huisgehouden had. Het begon al aardig op half vier aan te loopen en ik besloot nu om den trein van kwart over vier te pakken welke mij weer huiswaarts zou brengen. Het was onderwijl droog geworden, maar niettemin was het grootste deel van den dag verregend. Hetgeen ik echter heb willen zien heb ik gezien en de regen heeft mij er niet van kunnen tegenhouden zoodat ik toch met veel voldoening op deze reis kon terugzien. Bij het station heb ik in een noodwinkel nog een reep chocolade gekocht. Men verkocht daar ook alpacalepeltjes z.g. "Grebbelepeltjes" met inscripties van den oorlog. Ik heb er geen gekocht daar ze mij te duur waren. Wel kwamen er nog eenige touristen binnenstappen die er een kochten. Het was inmiddels tijd geworden om op te stappen.
Spoedig was ik weer op het perron.De trein stoomde binnen en daar ging het weer op huis aan. Het weer dat tijdelijk opgeknapt was begon opnieuw zeer te verslechteren. Bij Woudenberg ontlastte zich een zware stortbui zooals er deze dag nog niet was voorgekomen en het bleef doorregenen tot voorbij Hilversum. Te Bussum was het weer droog en ik kwam ondanks deze regendag nog vrij droog thuis. De volgende dag zou ik per fiets naar Woudenberg en Scherpenzeel gaan, want zoo dacht ik "misschien is het weer morgen wel weer beter". Ik huurde een fiets in de hoop een fijn tochtje te kunnen maken. Aldus was deze dag alweer tot een goed einde gebracht ondanks de regen. Ik heb nu tenminste en schat van herinneringen en gegevens uit het veelbesproken Rhenen meegebracht.

30 Juli 1941. Vandaag stonden dan Woudenberg en Scherpenzeel op het programma. Het weer zag er allesbehalve aanlokkelijk uit al was het droog. Zware buien dreven langs de lucht welke zich ieder ogenblik in stortbuien konden ontlasten. Ik heb mijn fietstocht dan ook maar laten varen en ben met den trein van 11 uur gegaan. Het weer hield zich echter boven verwachting tamelijk goed. Te Amersfoort moest ik weer een uur wachten op den trein voor Nijmegen. In tegenstelling tot den vorigen dag was het thans op het station zeer stil. Om half één stoomde de trein binnen en tien minuten later was Woudenberg bereikt. Wat deed het eigenaardig aan toen ik daar thans als burger verscheen. Mijn eerste werk was de stelling te bezichtigen achter de fabriek waar wij vier benauwde dagen en nachten hadden doorgebracht. Toen ik daar kwam zag ik … een akker vol stamboonen. Alle barakken waren weg. Het was gewoonweg onherkenbaar geworden. De stelling bestond ook niet meer, hoogstens lagen er een paar planken en schotten welke er nog aan herinnerden. Wat een verandering ! Daarna ben ik de straatweg afgeloopen in de richting van de dorpskom.

Ik kwam nog langs het kruispunt waar ik met 2 man tijdens de Pinksterdagen van 1940 op post heb gestaan om vrachtwagens aan te houden en de inhoud neer te schieten. Ik had nooit kunnen denken dat ik daar ruim een jaar later nog eens als burger tijdens een vacantietrip langs zou komen. Een goede 100M verder kwam ik langs de huisjes waarin wij van 20-25 Mei waren ingekwartierd. Al deze huisjes zijn nu bewoond. Ik ontmoette nog een burger die mij strak aankeek alsof hij zeggen wilde: "Ik heb jou meer van mijn leven gezien". Het is best mogelijk, maar ik kende hem niet. Daarna ging ik maar weer terug en heb eens een bezoek gebracht aan het weiland waar wij maandenlang bezig waren geweest met het maken van stellingen, schillen en punten van paaltjes en spannen van prikkeldraad. Van al deze dingen was niets meer te zien dan alleen één gepunt paaltje dat in een hoekje lag. Vervolgens ben ik op mijn gemak op Scherpenzeel aangestevend. Vóór de Potbrug zag ik tot mijn verwondering nog steeds eenige afgebrande huizen. Er was daar sinds verleden jaar nog niets veranderd. Het wachthuisje bij de Potbrug stond er ook nog als mede de groote stelling aan de linkerzijde die wij het vorige jaar hebben leeggehaald.

Uit de stelling aan de rechterzijde waren alle schotten en betimmeringen verwijderd. Aan de overzijde lagen stapels hout opgeslagen uit deze stellingen afkomstig. Van het hout dat eertijds voor onze defensie diende speelt nu de vijand mooi weer. 't Is wat moois lezer ! Op het terrein stond een bord met het opschrift "eintritt verboten". Daarna vervolgde ik mijn weg. Bij "Lambalgen" heb ik even aan de kant van den weg gezeten en wat uitgerust. Toen ging ik weer verder totdat ik aan den ingang van het dorp was. Op de plaats waar eertijds het hôtel "de Holevoet" stond

zijn thans nieuwe fundamenten gelegd en men was er druk bezig met timmeren. In de Dorpsstrat kocht ik een paar ansichtkaarten in een kruidenierszaakje. De verkoopster keek mij aan dacht wellicht "Ik heb je meer ontmoet".

Om haar uit de droom te helpen zei ik "Oude kennis hè ?" Ik maakte me toen bekend dat ik ex. Korporaal Gerretsen was. Ik had daar herhaaldelijk de brandstoffenvoorraad opgenomen waar toen een deel onzer 4e sectie was ingekwartierd. Postzegels verkocht ze niet of had ze althans niet meer. Ik ben toen naar het postkantoor gegaan hetwelk thans is gevestigd in het voormalige buiten van Mevr. Rooyaards van Scherpenzeel, welke dame thans te Hilversum is komen wonen. Het nieuwe postkantoor is nog niet klaargekomen. Voorts zag ik dat er een geheel nieuwe straat is verrezen met nieuwe huizen. Dit heeft niets met de verwoesting van den oorlog te maken en was dus doodgewone nieuwbouw. Bij de kerk heeft een enorme verandering plaatsgevonden. Er staat een hele rij nieuwe huizen in een half-cirkelvormige boog geschaard. Hier hadden de huizen gestaan welke door den oorlog waren verwoest. Daarna ben ik naar de ingang van de bosschen gewandeld welke er destijds zoo schunnig uitzagen. Alles was nu weer gewoon en in de muziektent waar onze 2e sectie was ondergebracht zijn alle ruiten weer ongezet. Alles bood dus weer een normaal beeld.

Na nog een klein ommetje te hebben gemaakt kwam ik langs café "de Zwaan" waarop het "fraaie" opschrift was te lezen evenals elders in ons land "Verboden voor Joden". Ik was zodoende bij hôtel " de Rat" aangeland, doch heb eerst een bezoek gebracht bij de overburen. De vrouw des huizes was alleen thuis en zij keek vreemd op toen ze mij zag. Zij was erg vriendelijk en onthaalde mij op een kan chocolade. Na een half uurtje te hebben geboomd ben ik naar de boer gegaan waar wij meer dan een half jaar ingekwartierd waren geweest. Ook hij was zeer verrast toen hij mij zag evenals zijn vrouw en dochter. Ik heb ook daar een tijdje gezellig zitten keuvelen en vernam dat ik niet de eenige was die bij hem was geweest. Andere kameraden hadden hem al eerder bezocht. Na afloop van het onderhoud ben ik op den hooizolder geweest waar wij den gehelen winter hebben gelegen. Deze was thans met hooi gevuld. De houten trap welke destijds door eenige militairen aan de buitenzijde was getimmerd is ook weg. Na dit interieur nog eens in oogenschouw te hebben genomen heb ik afscheid van deze familie genomen.

Daarna heb ik nog even met een andere buurvrouw aan de overzijde gepraat. Toen was de tijd om en was het oogenblik al weer genaderd om weer thuiswaarts te gaan. Bij de kerk was een metselaar bezig den toren aan de onderzijde te voegen. Ik raakte met hem aan de praat en tenslotte vroeg hij of ik nog niet bij de dominee was geweest. Hij zou het zeer op prijs stellen als ik even bij hem aanging. Ik heb hieraan dan ook voldaan, maar om des tijds wille was het onderhoud maar heel kort. Hij was zeer ingenomen met mijn bezoek. Hij drukte mij hartelijk de hand en wenschte mij alles goeds toe. Tenslotte heb ik de Marktstraat bezocht die zoo vreselijk geteisterd was. Er staan nu een heel rij nieuwe huizen die nog niet geheel voltooid zijn. Het was met recht "alle hens aan dek". Er werd druk getimmerd, gemetseld enz. Het was een enorme bedrijvigheid. De wederopbouw is hier dan ook heel wat verder gevorderd dan in Rhenen. Na alles weer eens gezien te hebben ben ik weer naar het station gewandeld.

Het weer werd er echter niet mooier op. Een donkere lucht kwam opzetten en even buiten het dorp kreeg ik een fikse regenbui te incasseeren. Gelukkig had ik nu een jas bij me en ik had nog tijd om even in een schuur te schuilen. Het bleef echter doorregenen totdat ik bij het station was; daarna knapte het op. Bij den overweg heb ik nog wat nougat gekocht en een winkeltje waar wij als soldaten tallooze malen reepen kwatta enz. hadden gekocht. De verkoopster herkende mij nog en vroeg of ik nog even wilde binnenkomen, maar ik bedankte voor het gastvrije aanbod, daar het mij aan tijd ontbrak. Ik stapte op het station aan en ontmoette valk voor het stationsplein een heer uit Bussum die voor zaken in Woudenberg was geweest. Hij was n.l. vertegenwoordiger van een firma die in tegels handelt. Wat doet U hier was zijn verbaasde vraag. Enfin, wij hebben samen gereisd tot Bussum toe. Het deed mij inderdaad eigenaardig aan toen ik op het perron te Woudenberg op den trein van kwart over vier stond te wachten, thans in burgercostuum zijnde.

Tallooze malen heb ik daar gestaan toen ik met verlof ging en deze zelfde trein was toen een militaire trein. Ik ben overigens in goede orde weer thuis gekomen en kon nu tenminste met dankbaarheid terugzien op twee welbestede dagen, waarbij het alleen jammer was dat het weer niet erg meewerkte, maar volgend jaar kom ik er misschien nog wel eens weer en laat ons hopen dat niet alleen het weer maar ook de omstandigheden dan anders mogen zijn.

Mijn verdere lotgevallen tijdens de Duitsche bezetting handelend over de jaren 1942-1945

Evenals elders in dit boek zullen diverse verhalen wederom betrekking hebben op mijn eigen levenservaringen en geef ik dus geen gedetailleerd overzicht van de gebeurtenissen in ons land zelf. Hierover zullen de dagbladen en boeken U wel de noodige inlichtingen verschaffen. Ik zal dan beginnen met Maart 1942. In genoemde maand werd in de dagbladen bekend gemaakt dat bij Laren een telegraafkabel van de Duitsche Weermacht was doorgesneden. Of één der burgers sabotage had gepleegd of dat één der soldaten van het "Herrenvolk" zooals de Duitschers zich gaarne plegen te noemen het zelf hadden gedaan om ons te plagen zal ik maar in het midden laten. Het slot van 't liedje was dat de bevolking van Bussum, Hilversum en Laren hiervoor moesten boeten en 3 uur wacht moesten loopen bij de telegraafpalen bij het kamp van Laren.

Kunt U zich grooter onzin van die moffen voorstellen om wanneer ze den dader van dergelijke aanslagen niet kunnen vinden ze dan doodleuk de bevolking hiervoor laten "opdraaien "? Het is een echt staaltje van naziterreur. Ik genoot ook de "eer" een kaart thuis te krijgen om op Maandag 23 Maart des namiddags van 2-5 uur wacht te kloppen te Laren z.g. "kabelwacht". Gelukkig trof ik het dat ik het zaakje overdag en niet 's nachts behoefde op te knappen want dat is zo'n lolletje niet. Het was weliswaar onder mijn werktijd, maar het kon niet anders. Als ik niet kwam zouden ze me wel leeren. De N.S.B.ers waren van dit baantje vrijgesteld ! Die landverraders stonden bij den Mof in een goed blaadje. Ik moest me om 2 uur aanmelden aan de Palmkazerne op de grens Bussum- Laren. Ik ging dus op den vastgestelden dag naar genoemde kazerne. Het weer was wel koud, doch fraai en zonnig. In het wachtlokaal zaten tientallen Bussummers, Hilversummers en Laarders. Voorts zaten er Duitsche soldaten bij een tafel te schrijven. Even later kwamen andere Duitschers met het geweer over den schouder ons zeggen dat wij hen moesten volgen.

Wij gingen naar buiten en na ongeveer 10 minuten te hebben geloopen stonden wij bij de bewuste telegraafpalen. De oude wacht kon naar huis gaan en wij (een Hilversummer en ik) konden 3 uren 100M heen- en weerloopen. Op elke 100M werden 2 andere personen neergezet. Het was een erg vervelend baantje, doch af en toe kwam er nogal eens een stoomtram voorbij en dit bood nogal afwisseling. In een café aan den overkant kochten wij ieder een sigaret van een dubbeltje per stuk, voor dien tijd verschrikkelijk duur. Om 5 uur zat de wacht erop en kwamen de Duitschers weer met andere slachtoffers opdagen die van 5-8 uur moesten loopen. Wij werden weer afgelost en konden naar de Palmkazerne om onze fietsen te halen. Ik reed naar mijn baas en heb daar mijn onderbroken werk verder afgemaakt. In den jare 1943 werden wij Bussummers opnieuw gestraft. Nu was het van veel ernstiger aard.

Op 15 Maart 1943 zag een voorbijgaande "zeer ijverige" politieagent op de spoorbaan bij Crailoo tusschen Bussum en Hilversum iets branden. Naderbij gekomen zag hij dat het een tijdbom was welke daar was gedeponeerd. Er rijden 's nachts weliswaar geen personentreinen, doch wel goederentreinen die alles wegslepen uit ons land naar Duitschland. Verbeeld je dat zoo'n trein met gestolen goed eens ontspoorde ! Dat kon die brave dienaar van de Heilige Hermandad toch niet over zijn kant laten gaan. Als het een beetje mensch was geweest had hij de zaak wel blauw-blauw gelaten, maar nee, mijnheer was blijkbaar N.S.B.er en dit feit moest aan de groote klok gehangen worden. De Ortskommandant werd in de zaak gemoeid en toen had je het lieve leven gaande. Er verschenen aanplakbiljetten dat alle Bussummers overdag en 's nachts 4 uur achter elkaar langs de spoorbaan vanaf het station tot aan de plaats waar het misdrijf was geschied wacht moesten loopen. Het duurde nog al even voordat ik aan 't bod was, doch eindelijk kreeg ik ook een oproep. Het ging alphabetisch.

De personen met letter G. moesten zich 's nachts op 5 April om half 3 aan het politiebureau aan den Huizerweg aanmelden om voor de wacht te worden ingedeeld. In het holst van den nacht moest ik er dus uit gelijk met andere slachtoffers. Het was niet alles om zoo uit je warme bed gehaald te worden. In het politiebureau zaten de agenten in het wachtlokaal rondom de kachel en gaven ons alle de noodige instructies waar wij moesten loopen. Ze zeiden met een blik van verstandhouding die aan duidelijkheid niets te wenschen overliet "Zie jullie maar wat je er van maakt". Uit hun toon kon men merken dat ze de zaak allesbehalve ernstig opnamen. Als ze gedurfd hadden zouden ze gezegd hebben "Wij hebben lak aan die heele Mof". Ik kreeg als metgezel een winkelier in galanterieën uit de Havenstraat, een aardige kerel. Wij moesten wachtloopen vanaf den overweg Nassaulaan tot aan de chocoladefabriek van Bensdorp. Het weer was helder en windstil maar zeer koud zooals het in het voorjaar kan zijn. Mijn kameraad had zijn zakken vol chocolade en sigaretten en af en toe tracteerde hij mij nog al eens.

Het was een gevaarlijk baantje langs de rails te loopen want overal liggen biels en andere oneffenheden en dan het gevaar van door den trein gegrepen te worden. Er kwamen nogal veel lange treinen vol gestolen goederen langs en de groote jumbo's leken wel zwarte spoken in den nacht. Toen het dag was geworden zag ik dat het gevroren had. De grasbermen en spoorbiels waren wit. Het was dan ook geen lolletje geweest in dien kouden nacht heen en weer te stappen. Om 7 uur gingen wij naar huis. Wij gaven elkaar de hand en ieder ging zijn eigen kant uit. Wij hadden in het geheel geen contrôle gehad noch van de politie noch van de Duitschers. Het was dus echt pesterij geweest. Ik ging thuis nog een uurtje slapen maar kon niet meer warm worden. Ik was door en door koud. Dat ik weinig frisch was toen ik op het kantoor kwam laat zich denken, maar men moet wat voor de "goede" zaak over hebben !

In het laatst van April 1943 werden wij opgeschrikt door de mededeeling van "mijnheer" Christiansen dat alle legeronderdeelen zich moesten aanmelden voor krijgsgevangene om naar Duitschland gevoerd te worden omdat eenige soldaten zich hadden misdragen. Vermoedelijk hadden ze zich bij de "ondergrondsche" aangesloten, doch laat het geweest zijn wat het wil, het druischte geheel in tegen het volkenrecht om in de eerste plaats 3 jaar na de capitulatie opnieuw soldaten tot krijgsgevangene te maken, terwijl het ten tweede onzinnig was om ter wille van enkelen die zich volgens Duitsche begrippen misdragen hadden eenige honderduizenden voor te laten opdraaien, maar zo is nu eenmaal de Moffenmoraal. Onnodig te zeggen wat een consternatie dit allerwege veroorzaakte. Ook ik was er verslagen van. Mijnheer Christiansen dreigde met de zwaarste straffen als aan dien oproep geen gevolg werd gegeven. De oproepingen zouden niet ineens maar telkens stukje bij beetje bekend worden gemaakt. Ik zag mijzelf in den geest reeds in Duitschland in een groot kamp zitten, doch er bestaat een spreekwoord "De pap wordt niet zoo heet gegeten als ze wordt opgediend". Dat bleek ook nu weer.

Toen de eerste oproeping verscheen stond er tevens bij dat men niet behoefde te komen als men werkzaam was bij de voedselvoorziening, de post, politie, spoor- en tramwegen, kortom wanneer men kon aantonen dat men onmisbaar was. Mijn baas heeft zich alle moeite gegeven om z.g. "Ausweise" en "Bescheinigungen" dit zijn vergunningen voor vrijstelling voor mij te krijgen, hetgeen hem dan ook gelukte, daar ik in een bedrijf zat dat voor de voedselvoorziening werkte. Wanneer ik dan zou worden opgeroepen kwam ik tenminste beslagen ten ijs. Er verschenen thans in de kranten iedere week mededeelingen welke onderdeelen zich moesten melden en waar. Het duurde nog geruimen tijd voordat mijn onderdeel aan de beurt was, doch eindelijk begin Juli stond er vermeld dat het 15e reg. Inf. zich op de 13e moest melden te Amersfoort, barakkenkamp, Zonnebloemstraat. Ik had nu weliswaar goede papieren, maar desondanks voelde ik mij toch weinig op mijn gemak, want de Mof is nu eenmaal niet te vertrouwen.

Zoo brak dan eindelijk de 13e Juli aan. Mijn moeder zou met me meegaan tot het station Amersfoort uit gezelligheid doch ook uit nieuwsgierigheid hoe het zaakje zou afloopen. Wij gingen al vroeg op pad met de trein van ongeveer 8 uur uit Bussum. Het weer was vrij goed doch niet erg zomersch. Het was winderig en af en toe viel er een licht regenbuitje. Toen wij te Amersfoort aankwamen was het een groote drukte van personen om zich aan te melden voor Moffrika, ongetwijfeld een zware gang. Ze kwamen uit alle hoeken en gaten van het land, zooals Rotterdam, N. Brabant enz. Bij het station stonden allerlei soorten vehikels om ons mede te nemen, zooals Jan Pleziers, veewagens enz. Auto's waren er natuurlijk niet, daar de Mof de meeste had gestolen. Ik ging in een veewagen. Wij zaten gepakt als haringen in een ton. Na ongeveer een kwartiertje gereden te hebben stopte deze wagen voor het bewuste barakkenkamp. Het zat daar vol met Rijksduitschers.

Ik had wijselijk mijn bagage meegenomen zoals dekens, een koffertje enz. Ik zeg hier met opzet "wijselijk", want men had mij al gewaarschuwd om niet met ledige handen te komen, ook al had men zoo goed als zeker de overtuiging dat men vrij was, want dan zouden de moffen allicht zeggen "Zoo vader, jij rekent er blijkbaar al op dat je vrijkomt, wij zullen jou maar naar Duitschland sturen". Men zij dus met dergelijke trucjes op zijn hoede. Toen wij op het plein voor de barakken waren werden wij allen in de rij gezet en moesten als soldaten marscheeren, maar het was slechts een klein eindje. Toen wij in één der barakken waren stonden er tal van tafels met letters erboven A, B, C enz. Daarachter zaten de Duitschers. Ik moest bij letter G zijn. Ik deponeerde mijn bagage naast mij op den grond en kreeg zooals wij allen een papiertje, waarop wij onze naam, woonplaats, geboortedatum en het onderdeel van het regiment moesten zetten waaronder wij gediend hadden.

Toen moest ik weer naar het tafeltje en overhandigde het ingevulde briefje. Nu moest hij mijn persoonsbewijs en acte van vrijstelling zien. Hij bekeek het gevalletje, zette op den achterkant van de "Ausweis" een stempel erop en deelde mij toen mede dat ik weer naar huis kon gaan. Wat was ik blij, dat kunt U denken. De anderen die niet zoo gelukkig waren moesten daar achterblijven en wachten op verder transport per spoor naar Duitschland om daar zoo lang als de oorlog duurde te blijven. Beklagenswaardige stakkers. Opgeruimd ging ik weer het terrein af. Aan den uitgang stonden Roode Kruissoldaten te collecteeren voor degenen die achterbleven. Uit dankbaarheid heb ik ook spontaan geofferd. Thans kon ik geen wagen meer bemachtigen om mij terug te brengen naar het Station en ben toen maar gaan loopen. Het was een heele wandeling, zeker wel 3 kwartier. Onderweg kwam ik honderden menschen tegen die weer op de heenreis waren als slachtoffers van de "Naziterreur". Ze waren zwaar gepakt en gezakt. Toevallig sprak ik nog een Roterdammer waarmede ik in Scherpenzeel had gediend. Daarna ging ik weer verder.

Vlak voor het station sprak ik 2 kameraden, een Delftenaar en een Brabander waarmee ik op den hooizolder eveneens in Scherpenzeel had gelegen. Ook de dochter van den boer van hôtel " de Rat" was voor de nieuwsgierigheid naar Amersfoort gekomen. Mijn moeder had inmiddels al dien tijd in het wachthuisje van de tram gezeten om mijn terugkomst af te wachten. Ik had met haar afgesproken dat wanneer ik niet terugkwam zij er maar uit moest opmaken dat het mis was en met zooveel anderen "eingespert" zou zijn. Ze had wel al dien tijd leelijk in zak en asch gezeten omdat ik zoo lang wegbleef, maar gelukkig kwam ik weer opdagen en was het een blij terugzien. Wat was alles toch wonderlijk goed afgeloopen. Wij gingen het perron weer op en wachtten op den trein naar Bussum. Na een half uur arriveerde zij en zonder verdere incidenten bereikten wij onze plaats van bestemming, doodgelukkig zijnde dat de dingen waartegen wij maandenlang als bergen tegenop gezien hadden zoo prachtig waren verloopen. Wij hadden bij aankomst te Bussum geen trek meer om naar huis te loopen en aangezien er geen auto's meer rijden hebben wij een "aapje" genomen die ons netjes thuis gebracht heeft.

Thans heb ik iets van plezierigen aard mee te deelen. Zooals ik al eerder in dit boek had geschreven heb ik op 29 Juli 1941 de Grebbeberg te Rhenen bezocht. In Augustus 1943 had ik weer een paar vrije dagen en besloot er nog eens weer heen te gaan, maar nu zouden wij samen gaan, mijn moeder en ik. Wij zouden op 17 Augustus gaan. Toen de bewuste dag was aangebroken was het weer wel gansch anders dan toen ik er den laatste keer was. Nu geen dreiging van regen, integendeel. Het was wel wat frisch, maar prachtig weer en reeds 's morgens scheen de zon in volle glorie. Het beloofde een fraaie dag te worden en dit is geheel in vervulling gegaan. Het werd bovendien nog warm ook, dus echt zomer. Wij gingen al vroeg met den trein van 8 uur van Bussum naar Amersfoort. Moeder was echt opgewekt en scheel ook veel voor een uitstapje te voelen. Om kwart voor 9 waren wij te Amersfoort, maar verder gingen wij nog niet. Ik had heel wat anders op mijn programma. Wij zouden met de electrischen tram van de Ned. Buurtspoorweg Mij. een groote tocht door een deel der provincie Utrecht maken met als eindpunt Rhenen.

Ik dacht wel "het zal wel aardig centen kosten, voor een tocht van 2 ½ uur", maar wij waren ten hoogste verbaasd toen wij van den conducteur hoorden dat de reis slechts 70 cent per persoon kostte. Wij stapten in en daar ging eerst de tocht langs vliegveld Soesterberg dat thans door de Moffen was bezet. Het is een enorm vliegveld en was al eens eenige malen door geallieerde vliegtuigen gebombardeerd, maar het was nu weer gerepareerd. Vervolgens gingen we door Huis ter Heide, Zeist, Doorn, Leersum, Amerongen, Elst (niet te verwarren met mijn geboorteplaats van dien naam), Bennekom. Daar stopte de tram geruimen tijd, maar wij verveelden ons niet, want wij hadden een pracht gezicht op de Betuwe en bovendien was het aangenaam publiek dat met ons meereisde. Het was in één woord een prachtige reis geweest. Eindelijk zette de tram zich weer in beweging en 5 minuten later om half twaalf stopte de tram aan het tramstation te Rhenen. Een enorm aantal touristen bewoog zich door het stadje en de café's waren tjokvol. Allen zaten buiten op het terras te genieten van het fraaie zomerweer.

In de stad zijn een heel complex nieuwe woningen bijgebouwd, maar mooi vind ik de huizen niet met hun felroode pannen. Wij gingen nu de klimpartij aanvaarden, maar hebben eerst samen aan het begin van den Grebbeberg bij het station ons twaalfuurtje (brood en koffie) genuttigd. Vervolgens hebben wij den Grebbeberg bestegen en bereikten na een twintig minuten het soldatenkerkhof. Het bezoek was overweldigend. Wij hebben samen geruimen tijd bij de graven vertoefd en hebben toen nog even op een bank gezeten. Daarna zijn wij den berg afgegaan naar de beruchte "Nude" waar het eerste treffen tusschen Hollanders en Duitschers had plaatsgevonden en het allerergste was gevochten. Er staat een totaal uit elkaar geschoten boerderij. Binnen in dit gebouwtje was een man bezig tabak te kauwen. De omstanders vertelden ons het heele relaas van den oorlog en wij hebben er samen met gespannen aandacht geluisterd. Daarna hebben wij bij hôtel "de Grebbe" (niet hetzelfde als hôtel "de Grebbeberg", dit staat verderop meer op het station aan) een kaartje gekocht als toegangsbewijs voor het bestijgen van de Grebbeberg.

Hier was ik de voorige keer niet geweest omdat het toen, althans het rechtergedeelte, nog niet door de Duitschers was vrijgegeven. Dit gedeelte gingen wij nu beklimmen. Het was een geweldige klauterpartij. Ik heb moeder meegetrokken de hoogte op. Toen hebben wij door de bosschen geloopen. Ik zei "direct krijgen wij een verassing". Wat dit was wilde ik nog niet zeggen. Toen we de bosschen welke onbeschrijfelijk mooi waren hadden doorgewandeld kwamen we aan een ravijn van meer dan 60M diep en daar had je de verassing. Aan ons oog ontrolde zich een landschap van ongekende schoonheid. Men kon de hele Betuwe overzien tot Nijmegen toe en het geheel werd overgoten door zonneschijn. Er stond tevens een bank. Wij hebben er zeker wel een uur gezeten want moeder was er gewoonweg niet weg te slaan. Aan den voet van den berg stroomde rustig en statig vader Rijn. Duizenden vogels zongen tusschen het gras in de Betuwe. Het geleek wel een paradijs. Het is moeilijk in te denken dat daar 3 jaar geleden zulk een afschuwelijk drama had plaatsgevonden. Toen zijn we weer opgestapt en kwamen aan de Koningstafel waarop een bord stond met de namen van de dorpen welke wij heel in de verte zagen.

Weer stond er een bank en nogmaals gingen wij zitten. Wij zagen nu neer op een ander gedeelte van de Betuwe, ook al even mooi als het vorige. Ten tweede malen stapten wij op en een eindje verder stond weer een bank en weer gingen wij zitten. Aan de voet stroomde het riviertje de Grebbe en waren daar een paar menschen aan het visschen. Wij hadden nu het gezicht op Rhenen en Kesteren. Een schitterend uitzicht hadden wij op de spoorbrug en de stad met zijn fabrieken en heuvels. Het torentje van Kesteren stak schilderachtig boven de boomgaarden uit. Wij genoten weer kostelijk van al die schoonheid. Het was zoo zoetjesaan weer tijd geworden om naar huis te gaan en wij liepen kalmpjes op het station aan. Wij gingen over het geheel vernieuwde viaduct. Zooals ik vroeger reeds heb geschreven was dit in 1940 door onze troepen opgeblazen. Thans ziet het er weer netjes uit. Wij zijn toen de diepte ingegaan naar het station, want nu zouden wij onze terugreis korter maken dan onze heenreis per tram en het nu per spoor doen. Er stond een macht volk op het perron te wachten op den trein.

Daar stoomde de trein uit de richting Nijmegen binnen. Deze was tjokvol en ik heb me tot Amersfoort maar vergenoegd met een staanplaats. Na 3 kwartier stopte de trein te Amersfoort en daar maakten we nog een rare scène mee. In onze coupé waren eenige jongelui aan het pruimen eten. Eén ervan spuwde een pit naar buiten en deze kwam heel toevallig in het gezicht van een voorbijgaande … S.S.man. Gemeener kon het toeval niet treffen. Hij stoof de coupé binnen en begon te razen en te tieren als een bezetene. Hij pakte de vermeende dader in zijn kraag en sleurde hem de trein uit. Op het perron kreeg hij een klap voor zijn hoofd van dien Mof die hem over het perron deed buitelen met de woorden "Ich werden Sie lehren mich zu speien "(Ik zal je leeren naar mij te spugen). De klap konden wij alsmede onze medepassagiers in den trein hooren, dus hoeft men niet te vragen of deze ook aankwam. Of hij de goede persoon voor had was zeer de vraag, want hij pakte er maar een willekeurig uit. Deze persoon beweerde althans dat hij er geen schuld aan had. Nu wij weten zoo zoetjesaan wel wat de Moffenmoraal is.

Er werd tegen hem proces-verbaal opgemaakt en toen kon hij tot onze groote verwondering weer in den trein stappen en zijn reis voortzetten. Hij bleek een flink blauw oog van dien schoft opgeloopen te hebben. Zonder verdere incidenten bereikten wij Bussum en konden op een dag met veel genoegen terugzien. Nog even moet ik thans teruggrijpen en iets minder aangename dingen vertellen. Zooals den lezer algemeen bekend is bestaan overal in ons land schuilkelders, dus vanzelfsprekend in Bussum ook. Het heette dat deze den laatsten tijd verontreinigd werden en toen haalden die N.S.B. burgemeesters uit Bussum en Hilversum het in hun dwaze bol om op echt Mofsche manier het publiek weer ervoor te laten opdraaien. Wij moesten om de 2 maanden 2 uren wacht kloppen bij die schuilkelders. Wat die idioten bezielde mag Joost weten, want in geheel ons land bestond een dergelijke verordening niet. Onze burgemeester heeft thans in 1945 zijn verdiende loon en moest in Mei … mest opruimen gelijk zoovele N.S.B.ers hier te lande met dergelijke en andere baantjes werden opgeknapt.

Ik moest wacht kloppen met een andere lotgenoot op 9 Augustus in het Oosterpad, 7 October a/d Huizerweg hoek Prinses Beatrixplantsoen hetwelk toen destijds door de flauwe Moffen moest worden veranderd in Willem de Zwijgerplantsoen evenals zoovele namen van straten die naar beroemde Joodsche letterkundigen of leden van het Koninklijk huis waren genoemd, 27 November vlak voor het station op het Stationsplein en 26 Februari 1944 in de Raadhuisstraat naast het Gemeentehuis.

Op 9 Augustus 1943 was het prachtig zomerweer. Tusschen haakjes zij vermeld dat het wachtloopen was van 7-9 u of van 9-11 u. Ik moest dit van 9-11 u opknappen. Wij werden door iemand van de gemeente gecontrôleerd en moesten onze handteekening op een lijst zetten als bewijs dat wij aanwezig waren geweest en onze "plicht" hadden gedaan.

Op 7 October 1943 was het op dezelfde uren wachtkloppen. Ook nu was het goed weer, maar een beetje winderig. Wij kregen ook nu contrôle terwijl er tevens eenige Duitschers in de omgeving rondliepen.

Op 27 November 1943 trof ik het slecht met het weer en ook met andere dingen. Vooreerst was het pikdonker, zoodat ik bij het vertrek in de Prinsenstraat pardoes met mijn fiets in een heg reed. Ten tweede was het weer guur en regenachtig, terwijl ik slecht gehumeurd was om het feit dat deze dag juist een familielid, een tante uit Blokzijl, over was. Inplaats van nu een gezellige Zaterdagavond in huiselijken kring door te brengen kon ik hier mijn tijd in koude en regen staan te verlummelen.

Op 26 Februari 1944 was het eveneens donker en koud weer, maar gelukkig windstil en droog. Dit was voor de Bussummers en Hilversummers gelukkig de laatste keer geweest want kort daarop werd de dwaze verordening ingetrokken, doch er kwam weer wat nieuws voor in de plaats.

In Mei 1944 hadden de Moffen het plotseling in hun kop gekregen om de inwoners gedurende 14 dagen a 3 weken te laten "spitten" in Schoorl bij Alkmaar. Men moest nu zoo maar uit zijn werk breken en voor het "Herrenvolk" loopgraven en eenmansgaten ("Deckungslöcher") maken want de "Krieg" was maar alles. Of het economische leven hierdoor in de war liep kon ze geen zier schelen. Wij waren maar Hollanders.

Op 17 Mei kreeg ook ik zoo'n "uitnoodiging" thuisgestuurd alsmede eenige leden van het personeel van mijn patroon. Na aan de Arbeidsbeurs meer dan 2 uren in de rij te hebben gestaan kwam ik eindelijk ook aan de beurt. Het bureau zat vol ijverige "NSB" ambtenaren. Ik liet een schrijven van mijn patroon gericht aan den burgemeester aan één der ambtenaren lezen waarin werd verzocht om vrijstelling, daar ik werkzaam was in een bedrijf voor de voedselvoorziening en zoowaar had ik succes. Ik kwam vrij maar ik moest mijn brief toch maar bij mij houden voor het geval er weer eens een oproep mocht komen. Kan de lezer zich meer dwaasheid voorstellen want een normaal denkend mensch zou toch zoo zeggen "vrij is vrij". Enfin ik was er erg mee in mijn schik. Het trof net mooi, want den volgenden dag zou ik juist op reis gaan naar familie te Beuningen bij Nijmegen. Over deze reis kom ik nog nader terug.

Op 9 Juni 1944, dus 3 dagen na de invasie in Frankrijk, kregen alle inwoners 's avonds om 8 uur per post spoedcirculaires gestuurd dat ze zich onmiddellijk vóór 11 uur aan de Laarderweg (Arbeidsbeurs) moesten melden om den volgenden dag naar Schoorl te gaan en werkzaamheden voor de Weermacht te gaan verrichten (spitten en graven). Ik schrok er danig van. Ik ging nu vanzelfsprekend gewapend met mijn brief er heen en dacht "het is maar te hopen dat ik weer vrij kom". Ditmaal behoefde ik niet zoo lang in de rij te wachten als de voorige keer. Alle N.S.B.mijnheeren waren present en het was met recht "alle hens aan dek". Ze hadden het zoo druk als een klein baasje. Ik liet weer het schrijven zien en alweer kwam ik vrij.
Wat een boffer ! Nog even moet ik mededeelen dat ongeveer half Juni 1945 de hoofdambtenaar welke over die "spitgeschiedenis" ging een zekere Weyers, bijgenaamd "Jantje" in het oosten van ons land door de B.S. is gearresteerd en nu in Bussum achter slot en grendel zit. "'t Kan verkeeren" zegt Bredero.

"Ziezoo"' dacht ik, nu zullen ze me wel met vree laten, want nu kennen ze me zoo langzamerhand wel, maar nee hoor, de bureaucratische ezels hielden nergens aantekeningen van en evenals verschillende menschen van ons personeel werd ook ik iedere keer weer lastig gevallen met die verwenschte spitbriefjes. Eind Juli kreeg ik weer zoo'n fraai ding gestuurd, maar er was nu niet zoo'n haast mee als de vorige keer. Ten derde male ging ik met mijn oude brief naar de Arbeidsbeurs en ten derden male kwam ik weer vrij. Wat een Jan Klaassen ! Maar het was voor mij en alle ingezetenen de laatste keer geweest. Wij werden niet meer met "spitpapiertjes" lastig gevallen.

MIJN BEZOEK AAN GETEISTERD NIJMEGEN

Op een prachtige Februaridag (de 22e, 1944) vlogen over Bussum en ook elders over ons land honderden Amerikaansche bommenwerpers om in Duitschland hun "zaakje" neer te gooien. Voor ons Hollanders betekende dit niet veel, daar ze hier nooit kwaad deden en wij ze al zoo dikwijls hadden gezien. Groot was de ontsteltenis echter toen wij den volgenden dag uit de couranten vernamen dat geallieerde vliegtuigen bommen op Nijmegen en een wijk in Arnhem hadden geworpen en eerst genoemde stad vreeselijk was toegetakeld terwijl dit voorval honderden slachtoffers had geëischt. Wij begrepen er niets van hoe onze vrienden zooiets hadden kunnen doen maar de "nazi" pers gaf ons geen verder commentaar. Wel buitte de N.S.B. deze zaak uit om o.a. ook bij ons in Bussum groote aanplakbiljetten op de muren te bevestigen met het opschrift "Arnhem-Nijmegen-Enschedé" met de bijvoeging "Van je vrienden moet je het hebben".

Dat de Moffen destijds Rotterdam zoo ontzettend hadden toegetakeld moesten we maar vergeven en vergeten en in de doofpot stoppen. Dat er in Enschedé en Arnhem militaire doelen waren en natuurlijk gedachtig aan het spreekwoord "Waar gehakt wordt vallen spaanders" er wel eens slachtoffers onder de burgerbevolking vallen, daarover werd wijselijk met geen woord gerept. Wat Nijmegen betreft werd later algemeen aangenomen dat het hier een vergissing betrof en men Kleef op het oog had doch abusievelijk met Nijmegen was verward. Tusschen twee haakjes is een leelijke vergissing, maar het was toch niet uit haat of nijd zooals de Moffen in Rotterdam hadden gedaan al was het een weinig verschoonbaar feit. Op 18 Mei (Hemelvaartsdag) besloot ik eens naar Beuningen te gaan, doch al was er in Nijmegen niets voorgevallen dan had ik evengoed gegaan want ik was door mijn familie uitgenodigd om over te komen. Daar ik echter toevallig in Nijmegen moest zijn wilde ik natuurlijk ook de oorlogsschade in oogenschouw nemen.

Op 18 Mei 1944 ging ik op stap. Het weer was prachtig maar voor den tijd van het jaar ongekend koud. Het had hard gevroren en de daken en het gras zagen wit en dat zoo ver in het voorjaar. Ik had mijn winterjas maar aangetrokken. De reis was zeer mooi en verliep voorspoedig. Het reizigersverkeer was overweldigend. Te Kesteren moest ik overstappen en daar stond een hele macht menschen te wachten op den trein voor Nijmegen want er werd in de Betuwe te Elst een muziekconcours gehouden. Eindelijk kwam de trein welke een kwartier te laat was binnenrollen. In de coupé waarin ik had plaatsgenomen zat een vroolijk stel jongelui met een harmonica onder het zingen van "Ouwe taaie"enz. Eindelijk stoomde de trein het station Nijmegen binnen. Het eerste wat ik daar zag was een heel stel kapotte ruitjes in de overkapping van het station. Verder was er van den linkervleugel van het station een groot stuk afgeslagen en op het terrein stond een tas netjes afgebikte steenen. Toen ik op het Stationsplein kwam stonden mijn neef Anton en mijn nicht Truus mij op te wachten en hadden tevens voor mij een fiets meegenomen, zodat wij dus met z'n drieën konden rijden.

Na elkander stevig begroet te hebben besloten wij alvorens naar Beuningen te gaan eerst de geteisterde binnenstad te gaan bezien. Vooreerst was het wachthuisje op het Stationsplein totaal weggevaagd. Het "Oranjehôtel" de trots van deze omgeving was weg alsmede het "Wehrmachtheim". Onder het rijden deed Anton mij vreeselijke verhalen over de toedracht der zaak. Op het station stond een electrische trein juist gereed om te vertrekken toen deze finaal platgebombardeerd werd en alle reizigers werden gedood. Op het Stationsplein legen honderden lijken, daar ook hier bommen vielen. Al pratende waren wij in de binnenstad aangeland, maar wat wij nu te zien kregen tart elke beschrijving. Ik zie geen kans om alles zuiver in bewoordingen weer te geven. Daarvoor zou men er zelf heen moeten gaan om zich een juist beeld van de verwoesting te vormen.

Ik zal het dan ook enigszins oppervlakkig moeten weergeven. Heele straten met huizen en al waren weg zooals de Groote Houtstraat, Broerstraat, Stikke Hezelstraat, een gedeelte van de Molenstraat enz. In een ander stadsgedeelte waar wij kwamen waren ook vele straten weg. Een inwoner van Nijmegen verzekerde ons dat de verwoesting naar verhouding erger was dan te Rotterdam. De lezer zal zich er dan wel eenig idee van kunnen vormen. Een 3 tal groote kerken, waarvan er één zoo groot als de St. Vituskerk te Bussum lag eveneens in puin. De Ned. Herv. St. Stephenskerk is alleen zwaar beschadigd. De fraaie toren is o.a. voor de helft ingestort.
In één der kerken vertelde Anton zat een man tusschen het puin beklemd en is toen verbrand, terwijl in één der huizen een geheel gezin behalve de man was omgekomen. Toen hij thuiskwam en zag wat er gebeurd was heeft hij zich in een vlaag van waanzin in de Waal verdronken. Het geheele aantal slachtoffers wordt op meer dan 1000 geschat. Wij hebben toen nog even het Kronenburgerpark bezichtigd en de grot en zijn onderlangs de Belvédère geloopen. Toen wij eruit waren kwamen wij langs het gebouw van den Raad van Arbeid. Vlak voor dit gebouw was een bom terechtgekomen en heeft een groote krater in den tuin geslagen en een stuk uit de gevel gehaald. Wij zijn toen op Beuningen aangestevend.

Buiten de stad zagen wij bij de Electr. Centrale een gat van 100 x 100M lang en plm 15M diep. In dit gat was men bezig al het puin van de vernielde huizen te storten.
Over het familiebezoek weid ik niet uit daar dit niet aan de orde is. Ik heb een genoeglijke dag gehad al was het wel jammer dat het 's middags een paar uur geregend heeft. Om 5 uur stapten wij weer op de fiets voor den terugtocht. Het weer was nu droog en de zon brak door de wolken heen.
In de stad gekomen zagen we onder de Heerenpoort een vrachtauto vol Duitschers rijden. Wij reden nu langs de gasfabriek naar het station en kwamen o.a. ook langs hôtel "Bellevue" dat voor een groot deel in elkaar gezakt was. In een ander stadsgedeelte waar alleen groote glasschade was waren alle ruiten er weer netjes ingezet. Tot zoover mijn reis naar Nijmegen en Beuningen. Tijdens de bevrijding in September heeft die stad opnieuw zwaar geleden, maar sindsdien ben ik er nog niet meer geweest. Thans nu ik dit schrijf in Juli 1945 rijden er bij ons te Bussum slechts 6 treinen per dag, 5 goederentreinen en 1 personentrein Amersfoort-Amsterdam v.v., dus naar Nijmegen reizen zal voorloopig niet gaan. Tenslotte nog een kleine opmerking over de omvang der verwoesting. Voor de lezer die Bussum kent kan ik zeggen dat uit Nijmegen 2 happen uitgeslagen zijn. De lengte van elk der happen is van den overweg Nassaulaan tot einde Havenstraat bij de Hoogeweg waar de Jodenkerk staat (of stond), en de breedte van overweg Nassaulaan tot chocoladefabriek Bensdorp en dit in het vierkant. Geen kleinigheid voorwaar.
Ik ben 's avonds vanuit Nijmegen per electrische trein via Elst en Arnhem teruggekeerd. Te Utrecht geleek het sprekend op een mierenhoop, zooveel volk er op het station stond. Zonder verdere incidenten ben ik weer in goede orde te Bussum gearriveerd.

Op 7 September 1944 kreeg de Mof het in zijn bol om de heele burgerij Bussum en misschien ook wel van de andere plaatsen "spijkerwacht" te laten loopen. Er werd n.l. beweerd dat er spijkertjes over de straat waren gestrooid opdat alle auto's en gestolen fietsen (en van laatstgenoemde categorie waren het er nog al wat) lekke banden zouden oploopen. Ook mijn neef Jan Zorgman heeft met een kameraad dit zaakje moeten opknappen en moest evenals alle opgeroepen burgers een witte band om de arm dragen. Gelukkig bofte ik weer daar ik en het personeel van mijn baas van al dat moois was vrijgesteld. 't Zal je anders gebeuren !

Mijn verdere levenservaringen betreffende mijn verblijf te Arnhem, Loenen op de Veluwe en tenslotte de zwerftochten plus de bevrijding op 16 April 1945.

Toen de Engelschen op 17 September 1944 Nijmegen hadden veroverd en op weg waren naar Arnhem gelastte onze regeering te Londen de Directie der Nederlandsche Spoorwegen direct de boel neer te gooien en te staken. Dit lieten de heeren zich geen tweemaal zeggen en 's daags daarna lag over heel Holland de zaak plat. Wat een ongewoon iets dat er te Bussum enz. geen een trein meer reed. Al het spoorwegpersoneel was foetsie en de stationschef was er met de kas vandoor gegaan en bij de "ondergrondschen" ondergedoken. Het bedrag was naar men zegt fl 55.000. Duivelsch waren de Moffen, want nu konden zij ten eerste niet meer oorlogstuig vervoeren en ten tweede ons land niet meer leegplunderen.

Ze gingen tekeer als de duivel in een wijwatervat. Van baloorigheid wisten ze niet meer wat ze deden. In alle mogelijke plaatsen van ons land werden razzia's gehouden. Het volk werd als vee opgejaagd en naar Duitschland of hier ergens in ons land vervoerd om te werken zooals in Schoorl. Of de voedselvoorziening hierdoor in gevaar liep, dat ze zooveel menschen weghaalden kon ze geen zier schelen. Bovendien lieten ze ons netjes hongerlijden voor straf want we hadden nu eenmaal gestaakt. Aanvankelijk mochten de burgers uit de 3 "hongerprovinciën", N-Holland, Z-Holland en Utrecht ook eten halen in het Oosten en Noorden des lands, doch ook dit mocht later van die duivels niet meer, want zoo zeiden die viezerds "alles moet eerlijk verdeeld worden", doch in feite viel er niets te verdeelen, omdat er niets was. Maar om op de razzia's terug te komen.

Op 8 October 1944 was er een groote razzia in Utrecht en heerschte er een ware paniekstemming. Deze dag viel nota-bene nog op een Zondag ook, dus van Zondagsheiliging was geen sprake. De "Krieg" en vooral het Nat. Socialisme gingen voor alles en boven alles. Nu, het is hun er wel naar vergaan. Op 23 October was Hilversum aan de beurt, doch ik had er nog geen erg in dat onze plaats ook gauw aan bod zou zijn.

Toen ik op 24 October 's morgens om 7 uur opstond weerklonk een langgerekte toon van de sirene's om de Duitschers te waarschuwen dat ze heel Bussum moesten afzetten, opdat niemand meer in of uit kon gaan. Alle straten werden door de Duitschers afgezet en overal verschenen aanplakbiljetten waarop te lezen stond dat alle mannen van 17-50 jaar zich moesten melden op het sportpark Zuid. Onze buurman waarschuwde me dat ik maar niet naar mijn werk moest gaan, daar ik anders gevaar liep om onderweg opgepikt te worden. Mijn moeder is naar het kantoor gegaan om de situatie uiteen te zetten. Ze kreeg van mijn baas 2 Ausweisen en 1 Z-kaart mee met de mededeling dat het maar het beste was dat ik mij aanmeldde want ik had goede papieren en ik zou toch wel vrijkomen. Ik zei hem dat ik niet het minste vertrouwen stelde in de mentaliteit van dien Mof, maar hij geloofde mij niet. Evenals ik in het begin van dit dagboek de feiten per dag heb weergegeven zal ik die ook nu weer doen. Als ik data oversla wil dit zeggen dat er niets bijzonders valt te vermelden.

24 October 1944. Om ca 12 uur 's middags ging ik naar het fort (sportpark Zuid) om me gelijk met ongeveer 1500 Bussummers aan te melden. Toen ik daar kwam zaten er Duitschers achter de tafeltjes in de open lucht. Ik kwam bij een officier, een "oberleutnant". Hij geleek sprekend op de vliegenier Moll van de K.L.M. bekend uit de "Uiver" race. Het kon wel een broer van hem zijn. Ik liet hem mijn papieren zien, maar tot mijn groote verbazing en schrik zeide hij heel droogjes "Das gibt alles nichts, sie sind zu alt" (Het geeft allemaal niets "ze zijn" te oud). Of ik al zeide dat ik voor de voedselvoorziening werkte, het was aan een doovemans deur geklopt. Er viel met dien kerel geen garen te spinnen. Eindelijk zei ik: "Und was jetzt Herr Officier "? (En wat nu heer officier ?). "Arbeiten"! zei hij "und Sie Müssen dahinten anschliessen". (Je moet je daarginds aansluiten). Daar stond ik nu tusschen de slachtoffers gepakt en gezakt in afwachting van de dingen die komen zouden. De wind was Oostelijk en met dien wind werd een onophoudelijk dof onweersachtig geluid meegevoerd. Dit was afkomstig van een zware tankslag in…de Betuwe, een afstand van meer dan 80KM en dat was hier te hooren als van een ver verwijderd onweer.

Dat wil nogal wat zeggen ! Na meer dan een uur te hebben gewacht marcheerden wij eindelijk af onder groote publieke belangstelling. Mijn moeder was er ook bij en gaf me nog wat sigaretten, shag en vloetjes die ze nog inderhaast had gekocht. Het was een tragisch moment in ons leven en wij zullen dien dag nooit vergeten al worden wij zoo oud als Methusalem. Onze tocht ging naar Amersfoort. Per spoor konden wij niet gaan, daar de spoorlijn Bussum-Hilversum was versperd door 2 ontspoorde locomotieven (sabotage ?). De Mof wist er echter wel raad op door ons 30KM te laten tippelen. Gelukkig was het schitterend weer hoewel het in verband met het seizoen nogal frisch was, maar ik had de winterjas aan en had het door dit loopen eerder warm dan koud. Wij liepen eerst tot Laren den langen Rijksstraatweg af en mochten toen een kwartier uitrusten. Wij aten een sneetje brood en dronken het een en ander. De ons begeleidende Duitschers waren overigens geen ongeschikte menschen, dat viel nogal mee. Daarna stapten wij weer op en ging het op Baarn aan.

Bij Eemnes kwamen wij nog een paar fietsers tegen, W.A. mannen ! Ik had nooit gedacht dat ik deze landverraders voor het laatst in mijn leven zou zien en bij mijn terugkeer de situatie gansch anders zou zijn. In Baarn gekomen zagen wij een hele troep Laarders gaan onder geleide van de beruchte S.S., want ook in Laren had heden een razzia plaatsgevonden en in Naarden eveneens. Verder zagen wij een wagen vol nonnen. Deze zusters waren blijkbaar uit een klooster gesleept dat nu voor het Herrenvolk moest worden ingeruimd. Tusschen Baarn en Soestdijk werd weer een kwartier gepauzeerd. Daarna ging het op Amersfoort aan. Wij liepen door het dorp Soest en het begon al schemerig te worden. De dorpstoren sloeg juist zes uur. Het is anders een schrikkelijk lang dorp, een gebed zonder eind. Af en toe droeg een van mijn medereizigers mijn zware pak dat zwaarder was dan de zijne en dan wisselden wij om. Ik had van een jongen die een vrachtje hout op een wagentje had een dikke stok gekregen en deze stak ik door mijn bagage heen, daar dit veel makkelijker droeg. Om 7 uur waren wij aan den rand van Amersfoort.

Het was inmiddels al donker geworden. Boven onze hoofden gingen honderden Engelsche vliegtuigen over om hun "zaakje" wat ze bij zich hadden boven Duitschland neer te gooien. Wij liepen langs het barakkenkamp a/d Zonnebloemstraat waar ik mij destijds had gemeld en gingen toen langs de Vlasakkers en staken vervolgens den spoorweg Amersfoort-Utrecht over. Wij hadden geen flauw vermoeden waar wij feitelijk heengingen. Wij liepen maar raak. Eindelijk hielden wij halt vlak voor het … ja raad U eens lezer ! … beruchte concentratiekamp waar onlangs een massagraf is ontdekt. Verder is daar de bekende Ds. v/d Bosch uit Den-Haag gefusilleerd alsmede 1000 Russische krijgsgevangenen. Een schandaal tot in eeuwigheid wat daar gebeurd is. En daar moesten wij nu onzen intrek in nemen ! Voor hoelang dit was wisten wij niet. De Hilversummers hadden er slechts 2 dagen in gezeten en waren toen naar Nijkerk en Westfalen gegaan. Reusachtige schijnwerpers verlichtten het terrein om ons den weg te wijzen. Het kamp was afgezet door dubbele hagen van prikkeldraad, terwijl er verder schildwachten voor stonden, zoodat ontsnappen onmogelijk was.
Wij werden ondergebracht in lege barakken, maar wij kregen niets te eten. Ik had gelukkig nog wel een paar sneetjes brood, maar ik verlangde meer naar warm eten. 't Is me anders je organisatie wel ! Ze ronselen maar volk, maar over de ravitailleering bekommerden zij zich niet. Wij waren toch maar een stelletje saboteurs en terroristen. Wij waren doodmoe en hadden stevige blaren aan onze voeten opgeloopen. Van slapen kwam ook al niet veel door deze ongewone ligging, die overigens nogal fatsoenlijk was. Wij lagen evenals in den militairen dienst in ijzeren kribben en op stroozakken.

25 October. Vandaag is het zeer mistig maar niet koud. Bij daglicht maakt het kamp een zeer naargeestigen indruk. Wij hebben de gestraften zien exerceeren. Ze hadden allen het hoofd kaalgeschoren. Wij bleven den ganschen dag maar in de barakken en hadden niets te doen. Wat een vervelend leven ! Ik was door al die narigheid zeer verdrietig gestemd, daar wij geen van allen wisten wat ons eigenlijk boven het hoofd hing. Eten kregen we maar niet. Ik heb den geheelen dag tot 6 uur toe op 2 snee brood geleefd! Om 6 uur kwam eindelijk een auto van het Roode Kruis eten brengen (aardappelen met andijvie). Het smaakte uitstekend. Als het aan de Moffen had gelegen hadden ze ons misschien laten uithongeren. Om 9 uur kregen wij weer zoo'n portie. Dit vonden wij verdacht en hadden sterk het vermoeden dat wij op transport gesteld zouden worden. Om half 10 gingen wij naar bed, doch ontvingen tevens van een Hollander een waarschuwing om niet te zingen en herrie te maken, daar wij anders zouden worden gestraft. Ondanks deze goede raad begingen er toch eenige de domheid om luidruchtig te zingen en daar had je het lieve leven gaande.
Plotseling verschenen een paar officieren die met stentorstem bulderden "heraus". Wij vlogen allen uit ons bed, doch eigenaardig genoeg lieten zij ons ongemoeid. Per abuis liepen ze naar den andere afdeeling en brulden tegen de menschen die in het geheel geen herrie hadden gemaakt. "Voor de bedden, in de bedden" en dit zeiden ze natuurlijk in het Duitsch wel 10 keer achter elkaar. Ze moesten dit voor straf dus ettelijke malen achter elkaar doen.

Toen was de rust weergekeerd en verlieten de Duitschers de barak weer. Wij gingen weer in bed, maar lang zou het niet duren. Om kwart over tien moesten wij er allen uit en ons buiten verzamelen en onze bagage meenemen. Wij werden het kamp uitgeloodst en gingen langs boschpaden weer op Amersfoort aan. Waar zouden wij nu heengaan zoo vroegen wij ons af, doch aan den anderen kant waren we blij dat wij dit kamp den rug konden toekeeren. Evenals in Bussum hoorden wij hier opnieuw in de verte dof en onophoudelijk kanongebulder en toen wij in Zuidelijke richting keken zagen wij zoowaar onophoudelijk bliksemachtige verschijnselen heel in de verte gevolgd door een dof gedreun. Het was toch nog op een afstand van 57KM, een heel eind weg. Eindelijk hielden wij voor het station halt. Wat zullen wij nu beleven zeiden wij. Worden wij op transport gesteld naar Duitschland ? Inderdaad gingen wij het perron op. Ik voelde me allesbehalve op mijn gemak en vroeg aan een Duitsche soldaat of hij ook eenig vermoeden had waar wij heengingen. Hij antwoordde "Ich weisz es nicht aber Ihr geht nicht weit, etwa 50KM". (Ik weet het niet, maar jullie gaan niet ver, ongeveer 50KM). Dat gaat nog al dacht ik. Als het waar is kan het hoogstens tot de grens zijn. Ondanks de spoorwegstaking was het zeer druk met rangeerende treinen, maar het waren vreemde (Duitsche) locomotieven, groote knapen die lange goederentreinen trokken. Nooit van tevoren d.w.z. vóór 18 September was hier ooit een vreemde locomotief in ons land geweest en het deed eigenaardig aan die dingen te zien. Ook in Bussum kwamen ze af en toe buurten. Steeds maar hoorden wij het zware droefgeestige signaal van de stoomfluiten die zeer verschilde met dat van onze Hollandsche machines. Het geleek wel op dat van een stoomboot. Het was donker weer, doch lichte maan.

26 October. Wij hebben moeten wachten van 's avonds 11 uur tot 's morgens 5 uur voordat onze trein bij elkaar gerangeerd was. Een door en door schandalige behandeling waarvoor geen woorden te vinden zijn. Er viel er af en toe een flauw en dan moest er medische hulp aan te pas komen. Om 5 uur stapten wij in den trein die zeker wel 30 wagens had, geweldig zoo'n sleep. Er stond een kolossaal groote locomotief voor van de Duitsche Rijksspoorwegen. De ruiten waren in de wagens nagenoeg alle kapotgeschoten, maar het was gelukkig niet koud en bovendien windstil. Het duurde nog een uur voordat de heele zaak was ingeladen. Eindelijk om 6 uur zette de trein zich in beweging. Ziezoo, dachten wij nu gaat het misschien op Zwolle aan en zetten ze ons waarschijnlijk aan de IJsellinie aan het werk. Het bleef maar donker zooals het in dit jaargetijde kan zijn.
Eindelijk om ongeveer half 8 stopte de trein op een vrij groot station. Het bleek Apeldoorn te zijn. Ook daar stonden een stel vreemde locomotieven en spoorwagens. De trein bleef daar wel een half uur wachten, waarom weet ik niet. "Ik denk dat we naar Deventer gaan " zeide ik.
Om half 9 zette de trein zich weer in beweging, maar nu geraakte ik het spoor heelemaal bijster, te oordeelen aan de stations waar we nu langs gingen en waar ik nog nooit van mijn leven was gewest. Het ging langs Beekbergen, Loenen, Eerbeek, Laag-Soeren, Dieren, Doesburg. Even moet ik hier stoppen om over laatstgenoemde plaats iets te zeggen alvorens ik verder ga. Wat zag die plaats er vreeselijk uit. Het station was half platgebombardeerd, zoomede tientallen huizen. Enorm zoo'n verwoesting ! De stukken rails van 10M lang lagen als verbogen haarspelden langs de baan. De "Gazelle" rijwielfabriek lag in elkaar en in de bouwlanden bevonden zich groote bomkraters. Toen ging het langs de plaatsen Frankrijk, Rheden-De Steeg. Weer moet ik even stoppen. Wat een vreemde plaatsen, dacht ik. Ik kreeg het zoo benauwd dat ik vuurrood werd en het zweet mij uitbrak. Waar gaan we nu toch in vredesnaam naartoe zei ik. Ik geloof vast dat wij op Zevenaar aangaan en dan over de streep. Ik had een onweerstaanbare aandrang om uit de trein te springen, maar gelukkig heb ik mij beheerscht.

Daarna passeerden wij Velp en langzaam stoomde de trein eindelijk het station Arnhem binnen. Inplaats dat wij direct uitstapten begonnen de Moffen Duitsche lectuur uit de stationskiosk uit te deelen, doch eindelijk klonk het verlossende woord "aussteigen" (uitstappen). Daar stonden wij nu op het perron in Arnhem. Het was er doodstil, want meer dan 100.000 burgers hadden de stad verlaten. Wij hoorden reeds

Einde schrift 1 en begin schrift 2.

de kanonnen van de Engelschen over de stad bulderen. Toen wij op het stationsplein waren dacht ik bij mijzelf "Ik vertrouw het zaakje nog niet erg". De spoorbrug over de Rijn is opgeblazen en nu gaan we naar Westervoort waar een Duitsche trein klaar staat om ons verder op te bonjouren. Het viel echter mee, want onze groep werd in tweeën gesplitst. 700 man gingen naar een gesticht genaamd "Vredehof" en 800 man waaronder ik naar het Ned. Herv. Diaconessenhuis.
In de stad was het een groote chaos. Tientallen winkelzaken waren platgebombardeerd en andere zeer zwaar beschadigd. De electrische trams stonden tegen elkaar gebotst met gebroken ruiten op het Velperplein. De electrische draden van de bovengeleiding der tram lagen over de straat. Overal lagen puin en hoopen glasscherven. Alles droeg de sporen van hevige straatgevechten welke ongeveer 5 weken geleden tusschen Engelsche parachutisten en Duitschers hadden plaatsgevonden. Wij kwamen door de v. Lawick v. Pabststraat welke straat zeer lang was en zoo goed als geheel was PLATGEBRAND of GEBOMBARDEERD. Vreeselijk zoo'n verwoesting. Er heeft zich hier heel wat afgespeeld.

Eindelijk stonden wij voor het groote ziekenhuis dat ik voortaan "Lager" d.i. opslagplaats voor menschen zal noemen want zoo noemden de Duitschers dit gebouw. Wij marcheerden een groot plein op en weldra stonden wij voor de ingang. Wij werden allen in kamers ondergebracht en 60 man waaronder ook ik in de kapel waar de zusters Zondags kerk hadden. Nu was het gebouw leeg en zaten de Duitschers erin. Het ziekenhuis is naar men zegt het grootste van Holland.
Wij stonden nu onder het gezag van de O.T. (Organisation Todt). De O.T. Duitschers waren in het geel gekleed en hadden om den arm een band waarop "Organisation Todt" stond. Deze tak van dienst zorgt voor het maken van loopgraven, versperringen enz. en heeft ook de beroemde ! Atlantikwall in Frankrijk en België laten aanleggen. Over eten werd met geen enkel woord gerept en intusschen rammelden wij van honger. Onze baas was de Lagerführer, een dikke kerel waaraan weinig aardigheid was. Het was een echte model Duitscher, norsch en stug. 's Avonds kregen wij warm eten en een stuk brood dat niet bepaald groot was en waaruit ten hoogste 3 snee kon worden gehaald en dit moest dienst doen voor den volgenden dag, let wel den geheelen dag. Om ongeveer 10 uur gingen wij te ruste doch wij sliepen zoomaar op het stro zonder kussen. Dekens hadden wij natuurlijk wel. Als kussen gebruikte ik maar mijn koffertje.

27 October. Hoewel wij vrij goed geslapen hebben was de nacht toch niet bepaald rustig. Wij werden wakker door het kanongebulder van de Tommy in de Betuwe dat overigens weinig om het lijf had en maar kort duurde, maar het was toch hinderlijk. Om 6 uur stonden wij op. Wij werden dan gewekt door een Duitscher die met een fluitje blaast en telkens met een basstem alle gangen uitgalmt "Aufstehen". Wij gaan ons dan kleeden en wasschen en daarna brood en koffie halen. Om 8 uur wordt er "austreten" geroepen en verzamelen ons op het plein vóór het Lager. Ook nu was dit het geval. Wij gingen de stad in, maar nu weer door geheel andere straten. Wat was het overal een ontzettende verwoesting. Heele straten lagen in puin zooals de Hertenstraat, Ridderstraat en een deel van de Rijnstraat en dan nog overal die ontzaggelijke schade aan de huizen die niet in deze straten stonden maar in de binnenstad zooals b.v. op het Roermondsplein. Plotseling hielden wij halt voor een groot gebouw dat toevallig nog gaaf was. Het daarin aanwezige Duitsche personeel reikte ons allen een schop aan. Wij moesten dus aan het graven, dat begrepen wij nu wel.
Daarna liepen wij weer verder totdat wij aan de Rijnkade waren vlak aan den Rijn. Er waren langs de geheele kade kilometers lange loopgraven gemaakt en deze moesten door ons worden uitgediept.

Wij werden aan het werk gezet een de Rijnkade hoek Roermondsplein. Wat zag die kade er verschrikkelijk uit. Alle groote hôtels, café's en winkelzaken waren over een afstand van 3KM totaal PLATGEBRAND. Aan de overkant in de Betuwe zagen wij een halfverwoeste houtfabriek en verder lag de prachtige groote verkeersbrug over de Rijn in tweeën in het water.

Deze was in September 1944 door de Duitschers opgeblazen. Af en toe klonk er in de Betuwe een kanonschot. Het werk wat voor mij en velen onzer zeer ongewoon was verliep nogal naar wensch. Wij hadden knap honger en af en toe aten wij een snee brood. Om half 12 moesten wij bij een groot ingestort gebouw ongeveer 300M verder puinruimen, een knap beroerd baantje. Het heele werk stond onder toezicht van O.T. bazen, maar wij behoefden heusch niet hard te werken. Als we maar wat uitvoerden waren ze al lang tevreden. Om 12 uur was het een half uur schaften en maakten wij het restant van ons brood op. Een eindje verder aan de Nieuwe Kraan was een ander ploegje van ons aan het graven. Toen het half één was ben ik daarheen gegaan want dat puinruimen lag me niet erg. De O.T.ers hadden het niet eens in de gaten dat ik gedeserteerd was.

Ik trok mijn winterjas uit want hoewel het weer somber was, was het zeer zacht. Wij waren dicht bij een haventje dat vol lag met gezonken woonarken en plezierbootjes. Op de steile walkant lag een dood paard dat 6 weken geleden al moet zijn getroffen (Erg frisch, vind U niet lezer ?). Het geheel bood een desolaat beeld. Om 4 uur kwam een Roode Kruisauto ons eenige appelen brengen, maar onze honger werd er maar matig door gestild. Inmiddels was de Tommy zeer actief geworden in de Betuwe. De granaten gierden door de lucht en de Mof schoot net zoo hard terug. "'t Was niet mooi meer" zouden ze tegenwoordig in Amsterdam en bij ons zeggen, doch het duurde betrekkelijk kort. Om 6 uur was het werk afgeloopen en behoefden wij daar den volgenden dag niet meer terug te keeren. Het was weliswaar nog niet geheel af, doch de Fransche en Italiaansche krijgsgevangenen in ons Lager moesten de rest afmaken. 't Was me anders een lange werkdag geweest ! Daarna gingen wij weer terug op het Lager aan door de verlaten stad. In het halfdonker leek het wel een griezelige spookstad met al die tientallen afgebrande huizen en groote gebouwen.
De stad die eertijds 100.000 inwoners telde was nu geheel verlaten. Men kwam geen levende ziel tegen.

Geestelijk opgevat lag er een zware Oud-Testamentische vloek over deze stad. Om half 7 bereikten wij doodmoe het Lager. Vlak bij de keuken moesten wij ons weer verzamelen en werd er gevraagd wie van ons verpleger, electriciën, timmerman, enz. enz. was. Het heele Lager moest van binnen door die vaklui worden opgeknapt. Een aller-akeligst gevoel bekroop mij want ik had nu wel in de gaten dat we niet over een paar weken naar huis zouden gaan maar als GEïNTERNEERDEN werden beschouwd. Ja, ja lezer 't is wat moois dat Moffentuig. Het zal wel een paar maanden duren dacht ik en daar troostte ik mij voorloopig maar mee. Daarna kregen wij warm eten. Ik moet zeggen dat het ons zoolang wij in Arnhem hebben gezeten hieraan niet heeft ontbroken. Alleen was het te weinig en…vetloos en vleesch zag men nooit. Brood kregen wij deze avond weer niet, omdat het er weer niet was, doch dit was voor den volgenden dag. Ik herhaal nog eens "Wat een organisatie !". Ze weten je wel op straat op te pikken, maar om behoorlijk voor alles zorg te dragen, ho maar !

28 October. Vanmorgen hebben we maar een klein stukje brood gehad en een eindje worst, want…(Multatuli zou zeggen "Mijn verhaal wordt eentonig") er was weer niet. Daarop moesten wij weer leven en hard werken. Wij gingen een heel andere kant uit n.l. naar Schaarsbergen, een buurtschap ongeveer 3KM van Arnhem verwijderd op den weg naar Otterlo. Toen wij pas op weg waren verschenen eenige geallieerde vliegtuigen en maakten een rondje boven de stad. Er werd door de Duitsche afweer geducht op geschoten, maar er werd er geen een van geraakt. Het afweergeschut was niet zooals in Bussum eenige kilometers verwijderd doch vlakbij. Het was een helsch spektakel en wij zochten achter de huizen dekking om niet door granaatscherven die natuurlijk overal in het rond vlogen geraakt te worden. Deze scène speelde zich af op den Bakenbergscheweg. Er staat een heele nieuwe woonwijk van 1937, maar de huizen zijn deerlijk gehavend door granaattreffers.

't Is verschrikkelijk zoo'n schade. De groote spiegelruiten in de serre's zijn finaal weg en weer en wind hebben er vrij spel in de mooie huiskamers met kostbare piano's en inboedels. Het kan er naar hartenlust binnen stormen, regenen, sneeuwen en hagelen. Midden op den weg stond een totaal stukgeschoten auto zonder wielen. Wij troffen goed weer. Het had wel in den nanacht wat geregend, maar er volgde een fraaie dag op, wel wat frisch, maar dit bracht het jaargetijde nu eenmaal mee. Om 9 uur waren wij op Schaarsbergen. De natuur stond in prachtige herfstdos en de bewoners van dit plaatsje waren niet geëvacueerd. Wij werden vlak aan den weg aan het graven gezet. Als kameraden had ik een paar overburen uit Bussum, hetgeen wel gezellig was. Het weer was inmiddels zoo zacht geworden dat ik mijn jas uittrok en hem zoolang neerhing op een groot Engelsch vliegtuig dat daar boven op een boerderij was gevallen op 17 September. De eigenaar vertelde ons dat dit vliegtuig door de Duitschers was neergeschoten en de bemanning was omgekomen. Zijn boerderij met inventaris was afgebrand maar hij had zichzelf met zijn gezin nog kunnen redden.

Wij stonden nu onder toezicht van O.T. bazen en 2 S.S.mannen genaamd Willy en Gustav, een paar aardige kerels, hoewel er overigens van de S.S. niet veel moois valt te vertellen. In de buurt was een Roode Kruispost en een zuster deelde een groote hoeveelheid noodbrood, bestaande uit kleine brokjes aan ons uit, daar wij ons beklag deden dat wij rammelden van honger. Een uur later kregen we een portie "heete bliksem". Het smaakte als koek ! Daarna gingen wij weer aan het werk. Af en toe kwam er weer een geallieerd vliegtuig over, doch ook eenige Duitsche die in de verte met elkaar een luchtgevecht leverden. Om half 5 was ons werk afgeloopen. Wij hadden maar een half uurtje te loopen, doch moesten ons op den weg herhaaldelijk in de bosschen dekken voor geallieerde vliegmachines waarop ditmaal met zware mitrailleurs werd geschoten. Een hagelbui van gloeiende kogeltjes zagen wij 1000M hoog in de lucht vliegen, maar de vliegtuigen vervolgden kalm hun weg. Zonder verdere narigheden bereikten wij ons Lager.

29 October. Hoewel het vandaag Zondag is moeten wij evengoed van het "Herrenvolk" werken maar slechts tot half één. Vanmorgen hebben wij onder begunstiging van prachtig herfstweer een wandeling gemaakt naar de Amsterdamschestraatweg, de weg naar Ede. Hier moesten wij in de bosschen loopgraven maken. Van de O.T. mannen kregen wij elk 6 sigaretten merk "Consi". Vanaf dien tijd kregen wij althans tot December steeds 3 per dag, later 2 en na Nieuwjaar niets meer. Het was voor de Amerikanen ook prachtig weer om bommen te gooien. Honderden vliegende forten gingen over onze hoofden geladen met cadeautjes voor Duitschland. Er werd af en toe op gevuurd, doch de afweer was niet bijzonder krachtig. Toen het werk af was zijn we de straatweg terug in zijn geheel afgeloopen tot in de stad. Aan de kant van den weg lag een stukgeschoten "jeep" met een groote witte ster erop. Het was geen Canadeesche auto zooals er thans honderden door Bussum en andere plaatsen rijden doch een zwarte "jeep" uit de Ver. Staten. Aan het einde waar in de weg een flinke hoogte zit genoten wij van een prachtig panorama. Men kan 18KM ver zien.

O.a. zag ik de 2 groote schoorstenen van de electr. Centrale te Nijmegen en de bosschen bij Berg en Dal. Verder zag ik de totaal stukgeschoten en uitgebrande toren van Elst. Laatstgenoemde plaats heeft ontzettend van den oorlog te lijden gehad. De prachtige Herv. Kerk is totaal verwoest. Toen wij weer in het Lager waren ontmoette ik een jongen die brieven van Bussum had meegebracht. Er was er ook een van mijn moeder bij. Ik was er zeer over in mijn schik. 's Middags hadden wij vrij, doch het was verboden om Arnhem te bezoeken, dus moesten wij binnenblijven. Enfin, wij verveelden ons niet. Bij den ingang van het Lager stond een vrachtauto van de Technische Noodhulp uit Bussum. Daar de posterijen waren uitgeschakeld zou deze dienst als "noodpost" fungeren en al onze pakjes en brieven van Arnhem naar Bussum brengen en omgekeerd. Hoewel het weliswaar een gedeeltelijke N.S.B. beweging was, waren deze menschen toch voor ons van onschatbare waarde en hadden wij toch om de plm. 10 dagen steeds verbinding met onze familie, heel wat anders dan voor degenen, die in Duitschland zitten.

's Avonds kregen we bij ons warm eten groote Duitsche brooden voor den volgenden dag en sindsdien is er te Arnhem in de voedselvoorziening geen enkele stagnatie meer opgetreden. Zelfs tijdens de schrikkelijke hongerperiode in het Westen van ons land gedurende den winter, waartoe ook Bussum behoorde en de burgerij 400 gram per week kreeg, ontvingen wij dezelfde hoeveelheid PER DAG. Later werd het 300 gram tegen het voorjaar.

30 October. Vandaag zijn we weer naar Schaarsbergen geweest en moesten in een weiland lange loopgraven maken. Het weer was allesbehalve aangenaam. Er stond een complete storm uit het Oosten en het weer was donker en zeer koud. Gelukkig bleef het den geheelen dag droog en toen we 's avonds binnen waren viel er regen, doch daar hadden wij gelukkig geen last meer van.

31 October. Heden zijn wij naar den "Kattenberg" geweest. De route was als volgt: Langs Park Sonsbeek, Zijpendaalscheweg en door de bosschen heen naar landgoed "Zijpendaal". Wij staken toen den Schelmscheweg over en kwamen aan genoemde berg, een beboschte heuvel. Vanaf heden kregen wij steeds als opzichter een politieke leider mee, een in 't bruin gekleede man met een groot hakenkruis op zijn arm, een z.g. "O.T. man", een echte Hitleriaan. Overigens was het geen kwade kerel. Het was echter niet steeds dezelfde. Er waren aardige maar ook vervelende kerels bij. Op den Kattenberg moesten wij in de bosschen loopgraven maken. Terwijl wij daar bezig waren trok een heele karavaan huifkarren vol menschen en beddengoed over den Schelmscheweg. Ze kwamen uit de richting Velp. Waar ze heengingen wisten wij niet. Ze kwamen uit Gennep, een dorp in N. Limburg waar hevig gevochten werd. Ze hadden al dagenlang zoo gezworven.

In het schaftuur kwam een kameraad bij ons die een heel stel bruinbrooden in Velp had gekocht. Wij kochten van hem ¾ brood tegen den prijs van 75 cent, hetgeen in verhouding van den zwarten handelsprijs niet duur was. Het smaakte best. Bovendien deelde de O.T.man aan ons gebraden ossenlappen uit, blijkbaar uit een Duitsche keuken afkomstig. Ook dit smaakte "premier" hoewel ze iets aan de taaie kant waren. Wij vroegen hem eens langs onzen neus weg hoe hij over den "Krieg" dacht. Hij zeide dat Italië door verraad was gevallen en dat Duitschland deswege weer geheel moest "stabilisieren". Verder verkondigde hij de enormiteit dat Berlijn nooit in de handen van den vijand zou vallen. Hij zal nu wel anders opkijken. Om 3 uur gingen een stel Amerikaansche vliegtuigen over ons heen, maar wij konden ze niet zien daar de lucht betrokken was. Om half 5 rukten wij weer in onder het zingen van diverse liedjes zooals "Sarie Marijs woont zoover van mijn hart" enz. Wij moeten den moed maar inhouden, er is toch niets aan te doen.

1 November 1944. Vandaag zijn we weer naar Schaarsbergen geweest. Het weer was guur met af en toe regen maar na den middag knapte het heelemaal op en werd het mooi. Bovendien kregen we om 12 uur warm eten, een buitenkansje. We hadden een keuken ingericht in een verlaten graanmaalderij met goedkeuring van Willy en Gustav. Dus wij kregen nu 2 x per dag warm eten, alleen…vetloos. Op de vlakte kon men op grooten afstand een hevig trommelvuur hooren. Dit zal wel in de buurt van Gennep zijn geweest. Toen wij om half 5 weer inrukten duwde een onbekende burger mij een doosje sigaartjes in de hand om onder de kameraden te verdeelen. Een aardig blijk van medeleven.

2 November. Deze dag zijn wij onder de gemeente Oosterbeek geweest n.l. in de bosschen waar in September 40.000 Engelsche parachutisten waren gedaald en daar zulk een tragisch einde hadden gevonden als gesneuvelden en gevangenen door de overmachtige pantser SS. Troepen van den Duitscher. Het lag overal bezaaid met groote ledige trommels z.g. levensmiddelenbommen die destijds voor de Tommies waren uitgeworpen. In een boom hing een groote parachute van echte zijde. Een onzer kameraden, een sportleeraar, heeft het ding naar beneden gehaald en wij hebben hem onder elkaar in stukken gesneden. Ik heb een lap naar huis gestuurd met het verzoek aan moeder om er een das of zakdoek van te maken. Het weer was aanvankelijk erg mistig, doch om 9 uur de zon door en werd het een prachtige doch natuurlijk frissche herfstdag.

3 November. Opnieuw zijn we naar de richting Oosterbeek gegaan, doch zijn tevens in Oosterbeek zelf ook geweest. Het weer was af en toe regenachtig, doch niet erg koud. Wij hebben nu alle bosschen doorkruist. Wat een verschrikkelijke rommel was het daar. Wat hebben de Tommies daar een herrie achtergelaten ! Ontelbare conserveblikjes, banden met scherpe geweerpatronen, heele uniformen, puttees, levensmiddelenbommen, garen en band, zandzakken enz. enz. In één woord verschrikkelijk zoo'n bende. Ik stond in mijn eentje een snee brood te eten vlak bij een zeer diep ravijn waar de spoorweg Utrecht-Arnhem doorgaat, toen ik plotseling vlak achter mij een hevige slag hoorde. Ik keek eens om en zag een licht stuk Duitsche veldartillerie (kanon) dat zoojuist een granaat afvuurde naar de Betuwe. Het ding kon mij echter geen kwaad doen daar hij pardoes over mij heen schoot.

Er waren anders bedroefd weinig Duitsche stukken geschut in dit Bosch en dan nog van licht kaliber. Nee, dan zat de Tommy er beter in. Den geheelen dag vuurden ze als een bezetene in de Betuwe. Ze waren zeer dichtbij, op zijn hoogst 11KM, zoo ongeveer tusschen Elst en Nijmegen. Het was een angstwekkende kanonnade. Het moest er nog knap gevaarlijk zijn waar wij waren, want een paar dagen later vertelden menschen van een andere werkploeg dat er een paar granaten in het Bosch vielen en ontploften. Deze dag werd er gelukkig niet in die richting geschoten. Warm eten kregen wij daar niet, alleen op Schaarsbergen, maar daar zouden wij wel weer terugkomen. In het schaftuurtje zijn wij samen, een schipper van het expeditiebedrijf te Bussum waar ik werkzaam ben en ik naar het dorp Oosterbeek-Hoog geweest.

Gruwelijkzooals dit dorp eruit zag. Wat een stukgeschoten huizen en verder zwaar beschadigde en afgebrande. Op straat ligt het bezaaid met granaatscherven en de straat zelf zit vol granaattrechters. Alles was stil en verlaten. Er liepen alleen een paar Duitschers rond. Onze politieke leider Herr Binder liep huisje in huisje uit om schoenen en kleren te stelen en uit te delen aan onze menschen die er slecht inzaten. Hij noemde dat "organisieren". Wij Hollanders noemen het "gappen". Sindsdien is het woord "organiseeren" overal in Holland bekend geworden tot zelfs in de dagbladpers en bij mij op het kantoor in Bussum. Als één der heeren iets missen zeggen ze "Wie heeft mijn potlood georganiseerd ?". Wij moesten honderden zakken met zand vullen en op de spoorbaan deponeeren. Deze moesten als verschansing dienen tegen den vijand. Alsof de Tommy niet mans genoeg is om het zaakje opzij te schuiven.

4 November. Thans was Schaarsbergen weer aan bod. Het weer was vrij goed doch knap koud en af en toe vielen er lichte regen- en hagelbuitjes. Er moesten nu bunkers gemaakt worden in het weiland groote kuilen van 3M diep en 3M breed als onderkomens voor de soldaten. Van boven moesten ze afgedekt worden met lange dennenpalen, waarover een laag zand en stro opdat het niet zou inregenen. In de bosschen was een "zaagploeg" aan den gang en wij hebben verscheidene palen en bosschen stro naar de bunkers gesleept. Het is er lekker warm in zoo'n bunker want er komt geen tochtje binnen.

5 November. Zondag en zooals gewoonlijk tot half 1 op Schaarsbergen gewerkt aan de bunkerbouw. Het weer was erg triestig, doch zacht en tevens droog. 's Avonds beleefden wij in het Lager iets verschrikkelijks dat mijn heele leven zal bijblijven al zijn er naderhand nog veel erger dingen voorgekomen waarover ik elders zal schrijven. De Duitschers hadden de stommiteit uitgehaald om bij Sonsbeek in het verlengde van ons Lager een batterij te plaatsen en daarmee begonnen ze tijdens onze afwezigheid mee te vuren op de Betuwe. Dat de Tommy dit niet onbeantwoord zou laten was te voorzien. Toen wij goed en wel te ruste lagen weerklonk een vreeselijk geloei als van een orkaan. Op elke vlaag volgde een hevige donderslag. Het heele Lager geraakte in paniekstemming. Stel je voor, een 40 tal Engelsche granaten gierden rakelings langs ons gebouw, zijnde kanonskogels van 40cM lang en 15cM breed en gevuld met explosieve stoffen en bovendien roodgloeiend doordat ze met groote vaart door de lucht gingen.

Wij pakten heel ons hebben en houden bij elkaar en gingen onder in het gebouw in den schuilkelder, waar wij den ganschen nacht doorbrachten. Verbeeld je als zoo'n ding het Lager was binnengevlogen dan zou het allicht slachtoffers en brand bovendien hebben veroorzaakt, maar gelukkig was het na een kwartier weer kalm en heeft het zich niet herhaald. God heeft ons voor een ramp gespaard. 's Morgens zagen wij dat vlak bij den ingang van het Lager een groote lamp aan gruzelementen was geslagen en in de grond een krater was gevormd door inslag van 2 granaten. Of ze ook dichtbij geweest waren !

6 November. Na in den vroegen morgen het zooeven genoemde schoons van de uitwerking van de granaten te hebben aanschouwd zijn wij weer naar Schaarsbergen getippeld. Voordat wij daar zijn moeten wij steeds bij café "de Menthenberg" den Schelmscheweg oversteken. Maar owé nu had de Mof vlak achter dit café een batterij neergezet en had ermee op de Betuwe gevuurd. Daar zouden we lol van beleven ! Op Schaarsbergen gekomen zijnde begonnen wij in het weiland nieuwe loopgraven te maken. Wij kregen assistentie van Zeistenaars die ook door een razzia in hun plaats waren opgepikt en naar Arnhem waren vervoerd. Ze vertelden ons dat ze te Amersfoort op het station door Engelsche vliegtuigen waren bestookt en er een bom was gevallen vlak naast de trein. Nu zal de lezer misschien denken "Waarom vallen onze vrienden treinen vol Hollanders aan ?". Maar dit weten ze niet want ze denken met Duitschers te doen te hebben. Om ca 10 uur werden wij plotseling opgeschrikt door een vreeselijk gegier en geloei. Er kwamen een stel granaten van de Tommy REGELRECHT OP ONS AF. Een enorme paniek maakte zich van ons meester.

Ik zag één ervan op slechts 300M in het Bosch met een donderende slag in den grond slaan waarna een kolom rook en een fontein zand metershoog omhoog spoot. Vlak achter ons op slechts 100M sloeg een andere een krater in den grond. Ze schoten vrij nauwkeurig in de richting waar het Duitsche stuk was opgesteld. Wij sprongen als een haas in de loopgraven om dekking te zoeken. Na een aantal oorverdoovende klappen was alles weer stil. Toen kropen wij er weer uit en vervolgden onze arbeid, maar de schrik zat er bij ons danig in. Het is gelukkig verder den geheelen dag rustig gebleven. Een half uur later hoorden wij het ontstellende bericht dat één onzer collega's, iemand uit Naarden door één der granaten op slag was gedood. Hij was in de buurt van het Duitsche geschut vlak achter een hooiberg gaan staan om zich te beveiligen toen een Engelsche granaat vlak voor zijn voeten ontplofte. De man werd letterlijk uit elkaar geslagen en was morsdood. Het was ook wel dom om daar juist te staan. Het zal voor zijn vrouw een vreeselijke tijding geweest zijn dat haar man op zulk een wijze om het leven was gekomen.

7 November. Het weer is leelijk van streek. Er woedt een zware storm en de regen valt in stroomen neer. Bovendien is het zeer koud, maar de Mof laat ons evengoed werken, weer of geen weer. Op het plein vóór het Lager waar wij opgesteld stonden zagen wij achter elkaar een serie bliksemflitsen gevolgd door daverende kanonnades. Dit was weer dezelfde Duitsche batterij die bij het bewuste café weer lustig op de Betuwe zat te vuren. Tijdens onze marsch naar Schaarsbergen hield de regen gelukkig op en het is verder den geheelen dag droog gebleven. Na het gebruikelijke middagmaal om 12 uur zijn wij weer aan het werk gegaan, doch om ongeveer 3 uur moesten wij ons weer dekken, thans voor een paar Amerikaansche vliegtuigen die op zoek waren naar Duitsche batterijen. Ze doken omlaag en begonnen met hun boordwapenen ongenadig te ratelen (mitrailleurvuur). Blijkbaar hadden ze een geschutsstelling ontdekt en waren bezig dit onklaar te maken. Na een minuut of 10 verdwenen ze weer en gingen wij weer rustig aan den gang,

9 November. Het heeft vannacht zoowaar gesneeuwd en een dun laagje bedekte den grond. Overigens was het weer uitermate ongunstig en guur. Herhaaldelijk braken er sneeuw- en hagelbuien los, doch tegen den middag klaarde het op. Wij konden zoodoende niet veel uitvoeren en zaten maar in den bunker te boomen met een Duitschen jongen van de Hitler-Jugend. Hij had een koffergrammophoon meegenomen en draaide eenige plaatjes af. Verder was er nog een communist uit Bussum aanwezig, een vroeger raadslid en zat een reuze boom op te zetten over de politiek. Ik moet eerlijk zeggen dat het een zeer interessante causerie was. Al is men zelf geen communist, toch is het wel eens aardig om hem over vadertje Stalin te hooren praten. 's Middags hadden wij vrijaf omdat het in Duitschland "heldengedenktag" was en de Duitschers deden er hier natuurlijk aan mee. Toen wij in het Lager waren was juist de Technische Noodhulp uit Bussum met post en pakjes gearriveerd en was er ook voor mij een aangename verassing bij n.l. een pakje met brief van thuis.

's Middags hebben wij den gevallen kameraad van Maandag j.l. begraven. Hij is achter ons Lager voorloopig ter aarde besteld omdat het lijk wegens de spoorwegstaking niet naar Bussum kon worden vervoerd. De Lagerführer hield een toespraak in het Duitsch waarin hij nota-bene verkondigde dat hij gevallen was voor het nieuwe Europa. Als of wij als razziaslachtoffers op het nationaal-socialisme waren gesteld. Wij waren over deze woorden natuurlijk lichtelijk geërgerd en zouden hem na den oorlog wel een "Hollandsche" begrafenis bezorgen.

10 November. Veel nieuws heb ik over dezen dag niet te zeggen alleen dat wij heden voor het laatst op Schaarsbergen hebben gewerkt. Wij zouden nu naar Burgers' Dierenpark gaan om loopgraven te maken. Ik had er ook al weer genoeg van om tegen die kale weilanden aan te kijken en bovendien waren alle menschen dien dag geëvacueerd.

11 November. Wij zijn vandaag naar een ander werk gegaan, doch het was niet bij Burgers' Dierenpark, doch een heel eind verder a.d. Apeldoornscheweg in de richting Woeste Hoeve. Wij moesten aan den kant van den weg mitrailleurnesten maken. Het was prachtig weer doch tamelijk frisch. Bovendien was er nogal passage. Er kwamen enkele Amerikaansche vliegtuigen over en even later waren ze aan het bombardeeren, maar het was gelukkig een geducht eind weg. 's Middags moesten wij loopgraven maken aan een boschrand, een paar honderd meter terug. Warm eten kregen wij niet daar de keuken bij Burgers' Dierenpark nog geïnstalleerd moest worden.

Om half 4 was het werk afgeloopen, doch wij moesten wel een uur loopen voordat wij "thuis" waren. Wij liepen langs den Hommelschenweg en hadden daar een mooi vergezicht op de Betuwe. De Engelschen hadden een groot rookgordijn gelegd met z.g. "nevelwerpers" opdat de tegenpartij niet zou zien wat ze daar uitvoerden. Tusschen twee haakjes vermeld ik nog dat wij zoolang wij in Arnhem hebben gezeten nog niet anders dan rook en vuur in de Betuwe hebben gezien. Het is daar beestachtig toegegaan. Eindelijk waren wij midden in de stad, voor zoover het tenminste nog stad genoemd kon worden. Wij liepen het Sonsbeeksingel af, langs park Sonsbeek, Pels Rijckenstraat, Sweerts de Landastraat en bereikten eindelijk ons Lager a.d. van Lawick van Pabststraat.

12 November. Zondag. Het weer was regenachtig doch niet erg koud. Wij hebben ons werk a.d. Apeldoornscheweg afgemaakt, maar het was geen pleziertje om in den regen te werken. Om 12 uur rukten wij in. Onderweg kwamen we langs een groote infanteriekazerne die danig was beschoten. Bijna alle ruiten waren eruit. 's Middags heb ik een brief naar huis geschreven. Dit deed ik elken Zondag.

13 November. Vannacht heeft het een beetje gevroren en zag het er naar uit dat het een mooie dag zou worden, maar spoedig betrok de lucht en werd het somber. Wij hebben nu tegenover Burgers' Dierenpark in de bosschen loopgraven gemaakt. Men kon de leeuwen hooren brullen. De geheele diergaarde was nog intact en de Duitschers zorgden voor de fourageering. Om half 3 begon het te regenen, eerst zachtjes aan, doch later regende het pijpenstelen. Om half 4 moesten wij er uitscheiden want het was geen doen meer. De steile straten geleken wel watervallen en de vijvers in park Sonsbeek en Zijpendaal waren over de straat geloopen, zoodat wij over de enkels door het water waadden. Doornat kwamen wij thuis, doch gelukkig betrof het alleen onze overjassen. De rest was drooggebleven en de jassen kon men op de radiatoren van de centrale verwarming drogen. Om 8 uur beleefden we weer eens een sensatie, ditmaal geen gevaarlijke. Bijna heel Arnhem waaronder ook de omgeving van ons Lager was verlicht alsof het dag was. De heele lucht was felrood gekleurd.

Op het plein van het Lager kon men bij wijze van spreken bij nacht wel dubbeltjes zoeken. Er was een geweldige brand op het Velperplein uitgebroken of liever gezegd door een schurkenstreek van den Mof veroorzaakt. De Rotterdamsche bank en het daarnaast gelegen gebouw van de firma Vroom & Dreesmann stonden in lichte laaie. Wij konden den brand vanuit het Lager goed waarnemen. Huizenhooge vlammen uit de beiden reuze gebouwen schoten de lucht in. Het was een fantastisch, doch adembenemend schouwspel. Den ganschen nacht heeft deze "reuzenfik" geduurd.

14 November. Wij hebben vandaag weer bij Burgers' Dierenpark gewerkt, doch niet in de bosschen doch in een weiland in de buurt ervan. Het weer was donker en zeer koud en af en toe viel een weinig motregen. Om 11 uur hoorden wij boven de wolken een eigenaardig snorrend geluid als van een motorfiets. Plotseling brak het af en ongeveer 15 seconden later hoorden wij in de verte een doffe klap. Wat moet het volgens ons anders geweest zijn dan een vliegtuig waarvan de motoren plotseling afsloegen en toen ergens was neergestort ? Een logische gevolgtrekking, nietwaar lezer ? Maar 's avonds hoorden wij dat het heel wat anders was geweest dan een vliegtuig, een allervreselijkst ding dat over ons heen was gegaan n.l. een V1 (vliegende bom) bevattende 1000KG dynamiet. Het is vermoedelijk zooals dat in technische termen luidt een blindganger geweest want bij den val was de lading niet ontploft, anders was de slag wel zwaarder geweest. 's Middags kregen wij weer warm eten.

Om 3 uur werd het weer zeer ongunstig. Een uur lang viel er sneeuw, maar ze bleef gelukkig niet liggen. 's Avonds was het opnieuw "fik", maar nu ergens in de Betuwe, waarschijnlijk bij Elst. Een heele fabriek stond in brand, maar dit zal wel door een granaattreffer van de Engelschen zijn veroorzaakt. Ja lezer, wij maken hier wel wat mee en dit was nog lang niet alles. De verhalen worden steeds spannender.

18 November. Over deze dag is betrekkelijk weinig te vermelden. Het weer was regenachtig doch zacht en wij konden nogal eens schuilen in een villa aan den overkant van de straat. Wij moesten aan de boschrand diepe gaten graven, kleine bunkers (z.g. schietbunkers). 's Middags knapte het weer op en scheen de zon. Toen wij 's avonds op het Lager aangingen hoorden wij een hevig geratel van mitrailleurs in de lucht. Er werd in de Betuwe een zwaar luchtgevecht geleverd tusschen Engelsche en Duitsche vliegers. Wij konden er echter niets van zien, daar wij in de bosschen van Sonsbeek liepen.

19 November. Een halve dag gewerkt, omdat het Zondag was. Het weer was mooi en voor den tijd ongewoon warm. De natuur was geheel in de war en het leek wel voorjaar. Ik heb mijn jas moeten uittrekken en dat in November ! Toen wij 's middags aan het Lager arriveerden was er zojuist een vrachtauto uit Bussum aangekomen met 19 nieuwe "razzia" slachtoffers. Deze waren te Bussum door de "ijverige" Landwacht als onderduikers opgepikt en naar Arnhem vervoerd.

20 November. Weinig nieuws. Nog steeds is het weer buitengewoon zacht, doch het werken was allesbehalve aangenaam. Er vielen van tijd tot tijd hevige slagregens, die de straten in beekjes veranderden.

22 November. Het weer was deze dag zeer ongunstig. Onafgebroken woedde de storm en deze ging vergezeld van stroomende regen en natte-sneeuwvlagen. Het was nog knap koud bovendien. Wij hebben mest geschuild in een hooischuur en een gezellige boom opgezet met een Oostenrijksche korporaal in dienst van de Duitsche Weermacht. Hij kon ook vloeiend Engelsch spreken. Ik heb natuurlijk ook flink Engelsch gebabbeld in gezelschap van een leeraar van het Lyceum te Bussum en een advocaat.

23 November. Thans beleefden wij eens een ongewone dag. Wij kregen opdracht om vandaag inplaats van zooals tot nog toe was geschied voor de O.T. nu voor de S.S. te gaan werken en wel aan den overkant van den Rijn. Stel je voor lezer nota-bene in de Betuwe waar de Tommy zat met zijn honderden kanonnen en vliegtuigen. Wij zouden F 10,- extra krijgen als gevarengeld. Het Ned. Roode Kruis schijnt geprotesteerd te hebben tegen deze manier van doen, maar het scheen niets geholpen te hebben, want de pret ging door. Om 8 uur waren wij aan de Rijnkade en werden met een groote gierpont bediend door een Duitschers overgezet. Het weer was somber maar zacht, dus heelemaal geen vliegweer. Het was een imposant schouwspel over de 90M breede Rijn te varen. Het is daar net zo breed als het IJ vanaf het Centraal Station tot aan het dok a/d Meeuwenlaan. Toen wij aan den overkant waren gingen wij een lange straatweg af genaamd "de Praets" d.i. de weg naar Elden. Aan de kant lag een dood paard dat daar al meer dan 2 maanden had gelegen. Na nog een goede 300M te hebben geloopen moesten wij naar een gebouwtje van de polderbemaling gaan om steekschoppen te halen om in de klei te werken.

Een zwaar en vies baantje. Aan den ingang van den straat naar Elden werden wij aan het werk gezet en moesten een groot rond gat graven. Het was een geweldig zwaar werk en daar begon het bovendien ook nog te regenen. U kunt begrijpen lezer hoe wij eruitzagen. Den geheelen tijd liep er een S.S.officier heen en weer te ijsbeeren een z.g. "Sturmführer" een hond van een kerel. Ik maakte een gemoedelijk praatje met hem en zeide "Schwere Grund hier (zware grond hier), "Schwer ?"zei hij, Morgen früh wird der Deich durchgestochen und dann können Sie bis an den Knieen ins Wasser stehen". (Morgenvroeg wordt de dijk doorgestoken en kun je tot je knieën in het water staan). Maar de mensch wikt en God beschikt en hij mogen dan al denken dat hij als S.S.er alles te zeggen heeft, almachtig is hij niet, dat moet hij zich niet verbeelden. Er is dan ook niets van gekomen. Wel is de dijk doorgestoken, maar veel later en wie er tot zijn knieën in het water heeft gestaan weet ik niet, ik tenminste niet en ik hoop dat geen een Hollander dit te beurt is gevallen. Behalve dat wij om 12 uur een half uurtje geschaft hebben heeft dit onmensch ons den heelen lieven dag in een bijna tropische stortregen laten werken.

Onze jassen waren door en door nat. Zoo nat is mijn goed gelukkig naderhand nooit meer geweest als toen. Tegen het weer zal ik maar niet protesteren want als het eens mooi weer was geweest wat zou ons dan ten deel zijn gevallen ? Er is dien dag geen schot gelost en geen enkel vliegtuig heeft zich vertoond. Om 4 uur was het karwei "plat" en gingen wij weer op Arnhem aan. Wat maakt die stad wanneer men deze vanuit de Betuwe bekijkt een troostelooze indruk. Wat een afgebrande huizen ! Toen wij de "Praets" weer afliepen was het even droog, doch toen wij op de pont stonden te wachten ontlastte zich een plasbui van geweld en wij waren reeds drijfnat. Dit kwam er ook bij ! Het geleek wel een wolkbreuk. De Rijn was geheel buiten de oevers getreden en was nu wel 150M breed. Daar kwam de pont aan, maar deze kon niet eens fatsoenlijk aanleggen. Er moesten eerst loopplanken worden uitgelegd en dit vorderde heel wat tijd. Er moesten tevens karren van de Weermacht op en afgeladen worden en de paarden plasten tot hun middel door het water en de wagens tot aan de assen. Een paar menschen van ons moesten meeduwen, maar het ging zeker niet hard genoeg naar de zin van het Herrenvolk.

Ze scholden ons uit voor "verfluchte Holländer" (vervloekte Hollanders). Niet erg vriendelijk en wij hadden er toch zoo'n zin in om te helpen !!! Eindelijk konden wij overvaren en zonder verdere narigheden bereikten wij de overzijde. Wij liepen in clubjes naar het Lager, maar het was nagenoeg donker en het clubje waar ik ook bij was raakte de koers kwijt. Na lang heen- en weerzwerven kwamen wij eindelijk op het Velperplein terecht en gingen ook langs de 2 groote afgebrande panden (Rott. Bank en V & D). Er hing nog een vieze lucht van verbrand hout. Wij kwamen een O.T.man tegen en deze heeft ons netjes "thuisgebracht".

24 November. Opnieuw moesten wij deze dag over de Rijn gaan werken. Gelukkig was het weer ook nu somber, maar droog. Toen wij bij de Rijnkade stonden te wachten op de pont werd de zaak plotseling afgelast, daar het water zoo hoog was gestegen dat de pont niet kon aanleggen. Ik was er niets rouwig om. Wij moesten weer terug om ons werk bij Burgers' Dierenpark af te maken, maar er was met dat al een mooi stuk uit den dag gehaald en dat vonden we fijn. Wij liepen dus weer door de stad terug en over het spoorwegviaduct. Op het stationsemplacement stonden een paar totaal uitgebrande dieseltreinen. Ja, ons spoorwegmateriaal heeft er gedurende den oorlog ook flink van langs gehad.

26 November. Weer hebben wij in het weiland bij Burgers' Dierenpark gewerkt. Het was maar een halve dag, daar het Zondag was. Het weer was prachtig voor den tijd van het jaar. Er gingen nu ook weer een paar Amerikaansche vliegtuigen over. Als het weer mooi wordt komen ze los. Bovendien zagen wij vanaf het naburige vliegveld Deelen een paar "bliksemstralen" de hoogte ingaan. Aan het eind zag men een klein stipje. Dit was een V2 welke vanaf een auto werd afgeschoten. Het is evenals de V1 een helsch apparaat. Met duizelingwekkende vaart gaat het ding dat 16M lang is de hoogte in, waardoor de omringende waterdamp zich plotseling verdicht en voor het oog zich als een bliksem voordoet. Als het ding 10.000M hoog is n.l. in de stratosfeer, valt hij niet naar beneden (al is zooiets in Vierhouten wel eens gebeurd) doch gaat plat liggen en vervolgt dan zijn weg om ergens in Londen of Antwerpen neer te storten en daar een ontzettende ravage aan te richten. Ze zijn geladen met 2000KG springstof, dus 2 x zooveel als de V1. Een zeer vernuftige doch ook duivelsche uitvinding.

Onderstaand ziet U een schetsteekening van het afschieten van een V2:

Vanaf dien dag werden tot eind Maart herhaaldelijk dergelijke bommen afgeschoten, o.a. op tal van plaatsen in het Oosten des lands en ook te Wassenaar in Z. Holland. Deze laatsten kon men ook te Bussum aan de haven zien (n.l. de V2 's die in Wassenaar werden afgeschoten).

27 November. Vandaag is het werk op Burgers' Dierenpark afgekoomen en zijn weer ergens anders aan het werk gegaan, meer op Velp aan. 's Middags hebben wij loopgraven gemaakt aan de weg vlak bij het kerkhof "Moscowa". Het weer was betrokken doch zacht en droog.

28 November. Tot 12 uur hebben wij nog bij "Moscowa" gewerkt, maar het weer was winderig en er stond een snijdende koude Oostenwind en de lucht was betrokken. Om 1 uur toen wij ons warm eten op hadden zijn wij daar nog even teruggekeerd om de zaak af te maken. Onderweg zagen wij onder het tramviaduct een 30 tal Russische krijgsgevangenen onder aanvoering van Duitschers loopen. Het zijn flinke stevige kerels. Deze moesten evenals wij hetzelfde doen, graven en spitten. De meeste waren in burger, doch enkelen droegen ook militaire kleeding. Op hun kwartiermuts prijkte de Sovjetster. 's Middags zijn wij in de bosschen aan het werk geweest achter het Openluchtmuseum, een verzameling van Oud-Hollandsche boerderijen en molens. Het weer was nu regenachtig geworden. Men was weer druk bezig met bunkers maken en wij moesten in dien regen afgezaagde boompjes sleepen.

29 November. In hetzelfde Bosch moesten wij nu loopgraven maken. Het weer was nu prachtig en tevens zacht, hoewel het 's middags weer somber was, maar er viel geen regen. Wij hadden nu als politieke leider een echte koeliedrijver. Nooit ging het hem hard genoeg naar den zin. Zijn "ratel" stond geen oogenblijk stil. Hij riep maar "komm, komm, komm, los, los" (spreek uit als loos). Nu is het woord "los" in onze Hollandsche taal moeilijk weer te geven wat de beteekenis betreft. Het stelt zooiets voor als "gauw, gauw, vooruit, opschieten". Hij kreeg van ons den scheldnaam van "grammophoonplaat", en dien naam heeft hij steeds gehouden. Hij was een hartstochtelijke "Hitler" aanbidder. Toevallig is hij destijds een van de eersten geweest die in handen der Canadeezen is gevallen. Nu porren ze hem aan. 's Middags moesten wij op de schietbanen a/d Apeldoornscheweg voorbij "Moscowa" loopgraven maken en daarmee waren wij in den namiddag van 1 December klaar. Het weer is gedurende die 3 dagen zacht en droog doch ook triestig gebleven. Dit is nu eenmaal in den tijd van het jaar als het niet wintert.

2 December 1944. Vanaf Burgers' Dierenpark tot Schaarsbergen moesten wij nu alle loopgraven camoufleeren d.w.z. met bladeren bedekken, want de Tommy mocht vooral niet zien wat wij in die weken hadden uitgevoerd. Daar wij zoodoende niet steeds op dezelfde plaats waren, maar steeds doorliepen, als maar afdekkende bood dit nog al wat afwisseling en de tijd ging er ook gauw mee om. Bij de "Kattenberg" moesten wij een terrein oversteken, waar afweerbatterijen stonden. Wij kwamen langs een Duitsch kerkhof waar zeker wel 100 gesneuvelden lagen, allemaal slachtoffers van een bombardement dat daar een paar maanden geleden heeft plaatsgehad. Er lag aan den boschrand ook een neergestort Engelsch vliegtuig. Het terrein zag er verschrikkelijk uit. De afweerkanonnen waren gewoon verpulverd en de loopen er totaal afgeslagen. Verder lagen er tal van ontwordelde boomen. Wat een woestenij ! Het was daar echt "Spaansch" toegegaan. Helaas begon het weer te regenen en het weer werd hoe lager hoe guurder. Toen wij op Schaarsbergen echter klaar waren werd het droog. Hier zouden wij nooit meer terugkeren.

3 December. Thans wachtte ons een geheel ander karwei. Wij moesten naar het station en vandaar naar Westervoort loopen over de spoorbaan en helpen met spoorwagens lossen, waar diverse goederen inzaten (Zondagsheiliging !). Ik heb steeds bij mijzelve de verzuchting geslaakt "Hoe lang moet die goddelooze Sabbathschenderij nu nog duren ? Zat ik maar weer in Bussum in de kerk onder het geklank van het Evangelie. Kerkdiensten werden hier ook niet gehouden, noch voor R.K. noch voor protestanten, aangezien er geen geestelijken waren Op den duur is hieraan echter wel tegemoet gekomen. Wij maakten dus een Zondagochtend wandeling door de stad. Het was kalm doch zeer guur weer. De lucht zat vol stapelwolken en als het zomer was zou er zeer zeker een onweer zijn losgebarsten. Toen wij bij het station waren wisten de leiders blijkbaar niet waar ze zijn moesten. Wij liepen over de spoorbaan een heel verkeerde richting uit, wel 2 uur lang en kwamen tenslotte in Velp terecht wat heelemaal de bedoeling niet was. Wij gingen een zijstraatje in en moesten in een boschje boompjes uittrekken voor een goed schootsveld. Allemaal larie natuurlijk, maar het was hun te doen om ons zoet te houden.

De heele razzia heeft trouwens gediend niet zoozeer om ons te laten werken, want dit had een aannemersfirma wel kunnen doen en veel gauwer, maar om ons van de straat te houden, opdat wanneer de Tommy in de overige provincies een inval mocht doen wij de Duitschers niet in de rug zouden aanvallen zooals de partisanen in België en Frankrijk hadden gedaan. Onderwijl liep de grammophoonplaat maar weer te schreeuwen "Komm, komm, komm, los, los". Er werden onder ons minder vriendelijke uitdrukkingen aan zijn adres gebezigd als "Laat die vent d… vallen" enz. Maar hij hoorde het niet en verstond bovendien ook geen Hollandsch, wat ook maar goed was. Er viel een fiksche hagelbui, zoodat de lol er gauw af was. Om half één aanvaardden wij den terugtocht, nu niet meer langs de spoorbaan maar langs de Velperweg, een zeer lange weg. Wij kwamen een complex huizen voorbij waarop stond vermeld "Hoofdkwartier N.S.B.". Het zal er nu wel niet meer opstaan. "Tempus mutantur" zegt een Latijnsch spreekwoord hetgeen beteekent: De tijden veranderen. Onderweg deed het niet anders dan regenen en hagelen. Wij waren blij dat wij weer thuis waren. 's Avonds was er voor het eerst kerkdienst voor protestanten.

Een predikant was er weliswaar niet, maar een Rotterdammer leidde de dienst, hetgeen heel goed ging. Eenige dagen later was het ook dienst voor R. Katholieken. Daar was wel een geestelijke n.l. een kapelaan uit Velp. Nu zal de lezer misschien denken: "Hoe zit dat nu, er kan geen dominee komen en wel een kapelaan." Dat zat hem in een heel zonderlinge bepaling van de Duitschers. De dominee mocht wel komen maar dan moest hij ook…spitten. (stel je voor !). Dat Z. Eerwaarde daar weinig voor voelde valt te begrijpen en de kapelaan kon vrij komen. Ra, ra wat is dat ! Als dat geen meten met twee maten is wat is het dan ?

4 December. Heden moesten wij weer in de Betuwe werken onder de S.S. Wij werden weer overgezet met de groote gierpont. Het weer was zeer stormachtig en guur, maar ik had een dikke wollen das die ik van thuis had ontvangen om mijn ooren gedaan. De Duitschers hadden inmiddels de dijk bij Elden doorgestoken en de Engelschen waren genoodzaakt geweest een heel eind terug te trekken tot Nijmegen. Op de "Praets" gekomen zijnde zagen wij één groote golvende vlakte; een onbeschrijfelijk naargeestig gezicht. Daarop dobberden een aantal doode koeien en paarden. Wat is de oorlog toch verschrikkelijk als men het ziet. Onderweg kregen wij een zeer zware hagelbui te incasseeren met hevige rukwinden. Foei, menschen wat was het koud ! Wij moesten nu in Arnhem-Zuid werken, bij het Burgemeester de Monchy-plein. Er staat een heele nieuwe woonwijk van 1937, doch een stuk of drie straten zijn totaal platgebrand. Wat niet verbrand is heeft ernstige glasschade. Wij moesten de huiskamers op de hoeken van de straat vol zand gooien tot het plafond toe en verder opvullen met nieuwe matrassen welke uit de naburige huizen werden gehaald.

Is het niet vreeselijk dat er zoo met de spullen van de geëvacueerden wordt omgesprongen ? Wij zagen ook weer dienzelfden "Sturmführer" van laatst met zijn "Deich durchstochen", verder een "Obersturmführer" die maar zat te razen en te tieren. Af en toe kwam er bij ons een soldaat van de S.S., een oude kerel van ongeveer 65 jaar, een volbloed nazi, ook al een kribbebijter. Verder was er een onderofficier, een z.g. "Oberscharführer"(spreek uit : obersjaarfurer). Om mijn gemoed op papier te luchten moet ik uit den grond van mijn hart bekennen dat die S.S.ers op een enkele uitzondering na een stelletje schooiers zijn. Er zit geen greintje menschelijkheid in. De lezer zal wel genoeg het een en ander uit de dagbladen of brochures hebben gelezen over dit tuig en anders moet de geachte lezer zich maar eens het boekje aanschaffen "de hel van Buchenwalde". Ik heb het verleden week (Juli 1945) van iemand te leen gehad en gelezen, maar 't is wat moois.
Alles onder de S.S.schavuiten. Maar genoeg hierover. 's Avonds moesten wij weer overvaren. Het is met dien pont een ware lijdengeschiedenis. Als men denkt met het werk klaar te zijn kan men soms 1 ½ uur wachten. Eerst moeten de paarden, wagens en auto's van de Weermacht op- en afgeladen worden en dan kunnen wij er pas op. Het is ook eens voorgekomen dat midden op den Rijn de kabel brak en door een nieuwe moest worden vervangen. Wij waren toen pas om 9 uur binnen, totaal uitgehongerd, want wij moesten den heelen dag op een paar snee brood leven, doch het werd spoedig beter.

5 December. Overdag weer hetzelfde werk over den Rijn verricht. Het weer was vrij goed. 's Morgens koud en een dikke mist, maar 's middags trok deze op en werd het veel zachter. Wij hebben in de kapel heel gezellig St. Nicolaas gevierd. Wij kregen o.a. een paar lekkere koeken, een appel en ik meen ook een ei, zoo goed kan ik mij dit niet meer herinneren. Vergeet niet lezer dat ik thans in Juli 1945 elke dag met al zijn bijzonderheden uit mijn hersenen moet opdiepen en nergens aanteekening van gehouden heb (24/10 1944-4/6 1945) dan zult u het toch niet kwalijk kunnen nemen als mij een kleinigheid ontgaat. Het was een heel gezellige avond. Een strijkje zorgde voor muziek en verder ook een paar harmonicaspelers en voordragers. Sinterklaas en Zwarte Piet hadden een prachtige statiekleeding. Hoe zou men aan deze costumes gekomen zijn ? Uit de huizen gegapt ? De Duitschers hebben wellicht het leeuwendeel op hun geweten met hun "organiseeren", maar vele Hollanders waren ook niet brandschoon. 't Is schandalig ! Ik heb er nooit aan meegedaan.

7 December. Donker en koud weer en af en toe regent het dat het giet. Het is dit jaar een buitengewoon natte herfst. Wij moesten zeer zware balken draagen naar de bunkers, ongeveer 200M ver. Daar ze mij al te zwaar waren vroeg ik aan den Oberscharführer of ik er geen mannetje bij kon krijgen maar daar wilde die schurk niets van weten. Hij deed heel leelijk en zijn geheele optreden maakte op mij den indruk dat ik als een saboteur werd beschouwd. Ze zullen ook dien kerel nu wel klein gekregen hebben. Later schijnt hij wat ingebonden te hebben en mochten wij het hout met een handkar halen. Het waren zware mahoniehouten balken van 3 tot 10M lang.

8 December. Vandaag was het nu eens een mooie dag, wel wat frisch maar best om te werken. Ook de Amerikaansche vliegtuigen lieten zich niet onbetuigd en de Tommy evenmin, maar deze laatste gaf weinig blijk van activiteit. Zoo af en toe hoorde men eens een granaat afvuren, doch ze waren te ver uit de buurt om schade aan te richten. Er kwamen echter wel ongeveer 40 zware Amerikaansche bommenwerpers over ons heen om in Duitschland weer een vrachtje te loozen. De afweer was vrij levendig en volgens sommigen moet er ook nog een zijn neergeschoten. Ik heb er echter niets van gezien, daar ons ploegje in de huizen werkte. Om 2 uur moesten een paar van onze kameraden een groot gat maken om een cadaver van een koe te begraven. Ze bonden een dik touw aan de pooten en sleepten hem zoo in het gat. Toen zand erover en klaar was Kees. Wij hadden het een beetje gemakkelijker. Onze taak bestond in het begraven van een kalf onder toezicht van een Hollandsche S.S.er die minder stroef in de omgang was dan de Duitschers. Om 3 uur moesten wij weer een huis ontruimen dat weer vol zand gestort moest worden voor een nieuwe bunker.

Er hadden eerst Duitschers in gezeten en deze hadden een kleine 100 "kuggen" achtergelaten die helaas niet meer eetbaar en dik beschimmeld waren. Het groene stof vloog eraf. Op last van de Oberscharführer (de bullebak) moesten al die brooden worden begraven. Verschrikkelijk om zoo met de etenswaar om te springen dat ze zoover bedorven waren. Het werd hoe langer hoe guurder buiten en tenslotte begon het hard te regenen, maar het hield nogal gauw op.

9 December. 't Is vandaag de witte wereld. Toen we buiten kwamen zagen we dat het in den afgeloopen nacht had gesneeuwd. De sneeuw lag een centimeter dik, doch op straat lag haast niets. Het lag meest op het gras, op de daken en in de tuinen. In de loop van den dag zette de dooi krachtig in en viel er eenige regen, maar later kwam de zon erdoor en werd het goed weer al bleef het weliswaar guur. Wij moesten een stapel puin en steenen opruimen. Het was een heel karwei en iedere keer zat die Oberscharführer ons maar op de vingers te kijken of soms niet zaten te "bummelen" (spreek uit: boemelen) d.i. de lijn trekken, lapswanzen.

10 December. Een fraaie Zondag. Het weer was zeer mooi, doch de wind koud. Enfin, daar is het winter voor. Het is al heel mooi dat het tot op heden haast nog heel niet gevroren heeft, hoewel men dit beter kan hebben dan al die regen. Wij zijn vóór half één nog klaargekomen met het puinruimen. Om 9 uur had te Elst een hevige tankslag plaats tusschen de Tommy en de Duitscher. De granaten gierden door de lucht en onafgebroken ratelden de mitrailleurs. Wij hadden er een prachtig gezicht op en zagen groote rookwolken opstijgen. Ook achter Nijmegen was het niet pluis, doch daar woedde de slag niet zoo zwaar, maar in Elst was het raak. Het was op een afstand van slechts 12KM zooiets als Bussum-Baarn. Nog nooit heb ik een veldslag van zoo nabij aanschouwd. Het was werkelijk interessant. Boven het slagveld cirkelden een paar geallieerde vliegtuigen maar ze wierpen geen bommen uit. Na 20 minuten was het weer stil. Het was kort maar hevig geweest. Heelemaal stil is het in de Betuwe nooit geweest. Als het weer niet ongunstig was werd er vooral 's nachts steeds geschoten, maar op den duur waren wij er niet bang meer voor en sliepen rustig door, behalve na 16 December, maar daar schrijf ik nog later over.

Verder ging hier het gerucht dat er in de huizen waar wij thans werken zich in den afgeloopen nacht Tommies hadden schuilgehouden. Overal liepen Duitschers in deze straten te patrouilleeren, maar er was niets te vangen. Het verhaal was onwaar of ze waren alweer foetsie. Om 11 uur zagen wij echter zoowaar een Tommy tusschen 2 Duitschers loopen die als krijgsgevangene werd opgebracht. Het was een Engelsche sergeant-majoor, een flinke kerel, maar hij had zich blijkbaar in geen weken kunnen wasschen. Hij zag er verwilderd uit, droeg geen hoofddeksel en was zoo zwart als een neger. Het was een zielig gezicht.

11 December. Vanmorgen regende het dat het goot, doch om 8 uur werd het droog en het is droog gebleven. Het bleef evenwel somber, maar zacht. 't Zijn nu eenmaal de donkere dagen vóór Kerstmis. Wij kregen nu een paar andere bazen, een oberscharführer en een Hollandsche S.S.Schütze (korporaal) met een platte pet op waarop een doodskop stond. Eerstgenoemde heette Georg Händler. Hij was wel wat schreeuwerig zooals haast iedere Mof, maar ook heel wat menschelijker dan wij gewend waren. De Hollander heette De Koning. Met deze man, een Rotterdammer, leefden wij op zeer goede voet. Het was beslist een aardige kerel. Er ontstonden soms tusschen hem en één onzer kameraden stevige debatten over de politiek, doch hij was zeer sportief en wist ook de inzichten van den tegenstanders te respecteren al bleven beide partijen op hun standpunten staan. Ik mag zoo'n discussie wel als het maar niet in hatelijkheden en vechtpartijen ontaardt. Voor het eerst kregen wij nu ook hier warm eten. Het smaakte uitstekend, dat moet ik zeggen. 's Morgens om 10 uur kregen wij ook koffie (surrogaat) doch zonder suiker of melk daar die artikelen niet te krijgen waren.

14 December. Thans hadden wij een heel ander karwei. Wij moesten nu heelemaal vanaf Arnhem-Zuid naar Elden loopen, minimaal 3 kwartier. Het was stikmistig en zeer koud. De dijk die de Duitschers hadden stukgemaakt moest met behulp van een groote ploeg Zeistenaars weer worden gedicht. Er moesten honderden kruiwagens vol zand in dit gat geworpen worden. Wat ziet dat dorp er verschrikkelijk uit. Het is nagenoeg platgeschoten. Langs den dijk liggen cadavers van koeien en in de boomgaarden eveneens. Verder lagen daar tienduizenden appelen in het water te rotten van uitstekende kwaliteit o.a. goudreinetten. Wij stopten onze zakken vol en sneden de witte plekken eraf. Ze waren nog best eetbaar. Wij hebben het gat een heel eind gestopt. Wij hadden het gezicht op de spoorbrug tusschen Oosterbeek-Laag en Elst. Deze ligt ook al in tweeën in het water, zoodat geen treinverkeer meer mogelijk is. Vlak voor de brug staat een lange dieseltrein totaal uitgebrand. 's Middags hebben wij bakstenen aan elkaar doorgegeven. Wij stonden als een ketting naast elkaar.

Nr 1 gaf een steen aan nr 2 en 2 aan 3 enz., totdat de laatste man laat ik zeggen nr 40 de steen in ontvangst nam en hem in het gat smeet. Dat wij het bij het stilstaan erg koud hadden behoeft geen betoog. Om 4 uur toen wij weggingen trok de mist op en kwam er blauw aan de lucht, maar het begon meteen te vriezen, de eerste vorst van eenige beteekenis van dezen winter. Onderweg kwam ik nog langs een huis waar mijn familie woont. Dit is nog intact behoudens het feit dat de ruiten eruit geschoten zijn en de Mof erin zit. De geheele bevolking was natuurlijk geëvacueerd. De Tommy vond het blijkbaar ook goed weer om te vliegen. Ze begonnen al in den avond om 7 uur en dat ging den ganschen nacht door, maar ze doen hier in Arnhem ook al evenmin kwaad als bij ons in Bussum als ze overtrekken. Het waren er honderden welke op Duitschland afgingen.

15 December. Ik heb vrij goed geslapen, behalve dat ik af en toe wakker werd van de scherpe knallen van de Duitsche afweer welke op de honderden Engelsche vliegtuigen vuurde. Wij hebben nu weer in Arnhem-Zuid gewerkt aan de bunkerbouw in de huizen. Het weer was prachtig na de nachtvorst. De Tommy was weer een beetje actiever. Af en toe vuurden ze eenige granaten af en nogal dichtbij, maar alles is toch zonder ongelukken afgeloopen. 's Avonds zijn wij in groepjes met een klein trekpontje overgezet daar de groote pont deze dag voor de Weermacht moest dienst doen.

16 December. Deze dag is wel de aller-afschuwelijkste en vreeselijkste geweest die wij beleefd hebben tijdens ons verblijf in Arnhem al zijn er een paar maanden later nog wel eenige dagen gevolgd die haast even erg waren, maar deze dag… Het is nu 30 Juli 1945 terwijl ik hierover schrijf maar als ik 's avonds op bed lig griezel ik er nog van. Ik zal probeeren het verhaal zoo duidelijk mogelijk weer te geven. 's Morgens om 6 uur hoorden wij een aller hevigst gedreun boven de stad en ook pardoes boven ons Lager. Het stierf echter langzamerhand weg, doch even later volgde een zware slag. Ik dacht: "Dit is natuurlijk op zijn minst een kolossaal vliegend fort met 4 motoren" (Amerikaansch vliegtuig) en is na motorpech neergestort, maar wij gisten er ook maar naar, maar 's avonds zou het raadsel op ontzettende wijze worden onthuld. Om 8 uur gingen wij zooals gewoonlijk op marsch naar de Betuwe. Toen wij op de Oude Kraan liepen vloog er een groot vurig ding over de stad valk over ons heen. Kijk daar eens even zeiden wij, wat is dat nou voor een raar ding. Het was voor het oog een bonk vuur van 3M lang en het bewoog zich langzaam en met groot spectakel door de lucht.

Het lawaai was NIET ONGELIJK aan hetgeen een 2 uur geleden dit z.g. vliegtuig gaf. De Duitschers zeiden: "Das ist jetzt een Vau Eins"(Dit is nu een V1). Gruwelijk was de aanblik van dit duivelsche ding, maar dit kwam ook omdat het nog donker was en de vuurstralen beter te zien waren dan overdag. Doch bij daglicht is het ook een raadselachtig ding. Een half uur later gebeurde er weer wat anders. Er ontketende zich in de Betuwe een veldslag van ongekende hevigheid. Er vlogen zeker wel 18 duizend gierend door de lucht gevolgd door titanische donderslagen. Het was vreeselijk zoals daar de oorlog woedde. Wij konden niet overvaren en de Duitschers gaven ons verlof om maar wat te gaan wandelen want het was geen doen. Het was een ongekend zware aanval van de Engelschen, en buiten dit vreeselijke kanongebulder en fluitende granaten klonk zonder ophouden het geratel der mitrailleurs. Na 3 kwartier bedaarde het en was het stil. Toen konden wij weer overvaren. Wat is het toch een gemeene streek om ons toch maar als burgers te laten werken in die ontzettend gevaarlijke Betuwe, maar het is gelukkig kalm gebleven, hoewel het meer geluk dan wijsheid was.

Om 10 uur ging er weer zoo'n V1 over. Wij konden hem nu niet zien, daar de lucht betrokken was. Er viel een weinig sneeuw en later wat regen. Het onding maakte weer veel herrie, maar even later hield het gesnor weer plotseling op en volgde een geweldige slag. De ruiten dreunden ervan. Vermoedelijk is dit apparaat bij Nijmegen terechtgekomen. Als zoo'n ding neerstort is dit niet altijd als een ongeluk te beschouwen. Ze zijn afgesteld om op een bepaald punt neer te vallen. Verwar dit ding voorla niet met een vliegmachine want het is er geen een, maar een vliegende bom, geladen met dynamiet en benzol. Alleen het voorkomen doet aan een vliegtuig denken, maar dit is dan ook alles. Onderstaand ziet U een schetsje van zoo'n satanisch ding, een huiveringwekkend monster.

's Middags vlogen er nog een stuk of wat van die dingen door de lucht, maar ook die kwamen we niet te zien.
's Avonds maakten de jongens op mijn kamer nogal wat herrie zoodat ik de slaap niet direct kon vatten. Tegen 12 uur was ik ook toevallig even wakker. Plotseling weerklonk er een gesnor zoo verschrikkelijk dat hooren en zien verging. Geen 10 vliegende forten die zoo'n herrie kunnen maken. Als dat maar goed afloopt dacht ik en tot algeheele ontzetting stopt het geluid opeens VLAK boven ons hoofd. Wij werden wit als een lijk. Ziezoo dacht ik wij kunnen ons testament maken. Direct zijn we allen binnen 10 seconden met zijn 700 op slag dood. Na ongeveer 15 seconden volgde zulk een aller-verschrikkelijkste slag zooals voor geen menschelijk oor meer is berekend. Ik kan het niet beter beschrijven dan dat het 100 x harder was dan de vreeselijkste donderslag welke ik ooit heb gehoord. Gelukkig was ik op een dergelijke klap voorbereid en kwam het niet onverwachts. Het gebouw dat muren heeft van een halve meter dik zwaaide als een dronkaard en een oorverdovend gerinkel van glas weerklonk. Tientallen ruiten waren gesprongen. Het was een V1 geweest die òf onklaar geraakt of tekort was afgesteld.

Hoe het ook zij, het monster viel achter ons neer boven op een blok onbewoonde huizen op een afstand van … een goede 100 METER. Een geweldige explosie had plaats. Wanneer men een stukje dynamiet van een half ons laat ontploffen gaat een huis de lucht in. Hier zat maar eventjes 1000KG in. Een geweldige brand brak uit en een 6 tal huizen zijn totaal afgebrand. Het is God's bewarende hand geweest die ons voor een vreeselijke ramp heeft gespaard. Het ding is door Hem zoo bestuurd dat het nadat het geluid stopte nog een ondeelbaar oogenblik is doorgezeild en toen is neergeploft. Er waren bij ons slechts een paar licht gewonden door glasscherven. Gelukkig was het weer windstil anders was de heele keet bij ons afgebrand. Tot overmaat van ramp begon men beneden te schreeuwen: "Brand, brand". Wij pakten ons zaakje doodkalm bij elkaar en gingen naar beneden. De Duitschers kwamen ons inmiddels al tegemoet en kalmeerden ons. Er was hier niets aan de hand en wij konden rustig gaan slapen. Ze hadden gelijk. In de gang hing een blauwe walm welke men wel kon snijden. Het rook precies naar afgeschoten klappertjes uit een kinderpistool. U kunt zich dan de lucht wel eenigszins voorstellen, zulk stinken.

Om U tenslotte nog een denkbeeld te geven van de ramp kan ik de lezer meededelen dat bij ons op den avond van de 2e Kerstdag te Bussum een geweldige slag werd gehoord, waarbij in de Kapelstraat een groote winkelruit sprong en in de Torenlaan eenige kleine ruiten. Iedereen vluchtte de deur uit om te zien wat er loos was doch niemand kon er achter komen wat het precies was. Later bleek ook dit een V1 geweest te zijn die op het landgoed "Hilverbeek" tusschen Hilversum en 's Graveland terechtgekomen was. Dit was een afstand van … 7KM. Zegge 7000M. Kunt u zich eenig idee vormen wat het zeggen wil als zoo'n cadeautje vlak bij je neerkomt ? En nu stap ik van dit lugubere onderwerp af. In het Gooi was het blijkbaar een verdwaalde geweest, want daar kwamen ze zeer zelden, maar over Arnhem hebben er van 16 December 1944 tot 31 Maart 1945 meer dan…2200 gevlogen meest op weg zijnde naar Antwerpen. Een gezellige boel hè ? Enfin wij zijn rustig naar bed gegaan terwijl het buiten heerlijk "fikte".

17 December. Toen ik 's nachts om 4 uur even naar de W.C. ging zag ik dat alles om het Lager nog steeds helrood verlicht was. Een gloeiende vonkenregen daalde neer. Het was in die pikdonkere nacht een fantastisch schouwspel. 's Morgens toen wij naar de Betuwe zouden gaan brandden alleen de resten op den grond nog. Het geheele complex was schoon afgebrand. Het was Zondag en het weer koud en nat. Om half een waren we klaar, doch met de pont hadden wij leelijk pech. Door onbekende oorzaak geraakte de pont op drift met ongeveer 200 personen aan boord. Ze dreef stuurloos een heel eind de Rijn af, doch eindelijk pikte een motorboot van de Weermacht hem op en toen was het euvel verholpen. Een 40 tal menschen stonden echter nog aan den oever te wachten waaronder ook ik doordat de pont niet alles in één keer kon meenemen. Gelukkig was het maar voor mijn idee dat ik maar moest wachten want midden op het water uit de koers raken is ook zoo'n lolletje niet. Wij werden met het kleine pontje overgezet. Toen we weer bij het Lager kwamen was de brand uit. 's
Avonds was het weer kerkdienst en heeft de voorganger gedankt voor ons aller behoud.
Hij las uit Psalm 91 voor: "Wie gezeten is de schuilplaats des Allerhoogsten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Hij zal U beschermen voor de pijl die des daags vliegt (V1) en voor de pestilentie die in de donkerheid wandelt. Geen plaag zal Uw tent genaken."

18 December. Heden zijn wij weer naar Elden geweest om het gat in de dijk dicht te stoppen. Toen wij op het plein voor het Lager stonden zagen wij in de verte in het Oosten op grooten afstand weer een rosse gloed aan de lucht. Waarschijnlijk weer een huis dat in brand stond. 't Wil in Arnhem wel branden lezer ! Op den dijk tusschen Arnhem en Elden zagen we weer een stuk of wat V1's achter elkaar boven ons heengaan. We konden ze nu goed zien en zagen nu voor het eerst hoe zoo'n ding er bij dag uitziet. Het weer was donker maar zeer zacht, dus best om te werken. Er stond geen zuchtje wind. Om 12 uur hebben wij bij een half kapotte boerderij geschaft, maar het was er knap gevaarlijk. De Tommy schoot weer met granaten en de klappen waren gevaarlijk dichtbij, want zoo'n afstand is dat niet voor een kanonskogel vanaf Nijmegen afgeschoten. 's Middags raasde er weer een V1 door de lucht. Wij oogden hem na en het bekende gezanik begon weer. Opeens hield het gesnor op en hoorden we een geweldige klap die mijlenver in het rond weerklonk.

Het was nu gelukkig een mooi eind weg, maar toch zagen we het ding neerstorten en een groote pikzwarte wolk huizenhoog opstijgen. Onderstaand ziet U een schetsje hoe dit neerstorten in zijn werk gaat.

19 December. Nog steeds is het weer zacht en donker. Vandaag maakten wij weer een scène mee die minder mooi was. Toen wij de Praets waren afgeloopen begon de Tommy eenige granaten af te vuren. Eén ervan plofte midden op straat op een afstand van slechts 300M links van ons. Gelukkig was het een verdwaalde maar het was toch een raar gezicht en daar moesten wij nu direct langs want het was vlak bij de huizen waar wij werken. Wij zijn er dan ook langs gemoeten, waar zooeven dat onding ontplofte (een schande !), maar er gebeurde gelukkig niets. Wij moesten nu loopgraven camoufleeren (met graszoden afdekken), een werkje in de open lucht, maar er is niet meer geschoten. Wij hadden weer een andere Hollandsche S.S.er, ook een heel geschikte vent. Om kwart voor 4 liet hij ons inrukken, maar dat was niet naar des Oberscharführer's zin. Het moest 4 uur zijn. Hij kafferde onze baas uit dat het niet mooi meer was. Wij moesten rechtsomkeert maken en nog even doorwerken. Hij uitte allerlei verwenschingen naar den Oberscharführer die hier niet voor publicatie geschikt zijn.

21 December. Niet veel bijzonders te melden. Wij zijn weer naar Elden geweest en hebben ook weer de nodige V1-tjes gezien die vandaag geen kwaad deden. Ze knetterden rustig voort op Antwerpen aan. Op den terugweg hoorden wij op den Rijn een paar zware klappen. Zij waren bezig om de resten van de verkeersbrug op te blazen. Verder zagen we steeds vanaf dit oogenblik dat wanneer het avond werd boven de gasfabriek een roode gloed. Dit was een partij cokes van duizenden mudden welke daar lag te smeulen. Overdag zag men alleen maar rook. Dit kwam niet door sabotage of iets dergelijks maar door een scheikundig proces. Evenals hooi moet cokes af en toe worden omgekeerd anders treedt er broei op. Nu Arnhem een verlaten stad is kon dat natuurlijk niet, bijgevolg dat de heele lading aan het branden ging. Het is hier met recht zooals Bunyan zegt de stad "Verderf" in alle opzichten.

Opnieuw hadden wij pech met de motorboot. Deze kon de pont niet trekken omdat hij naar Wageningen moest. Wat kon den Moffen die Hollanders schelen. Of ze den ganschen dag al gewerkt hadden en ook graag naar "huis" gingen hadden ze lak aan. Wij moesten maar een paar uur wachten. Bovendien hadden N.S.D.A.P. en de Weermacht elkaar niet best verstaan. Het scheen tusschen die 2 instanties ook al haken en oogen te zijn, dus konden onze bazen ook netjes wachten. Gelukkig was het weer stil en zeer zacht. Onderwijl zagen we weer eens een V2 welke afgeschoten werd. Een lange "bliksem" schoot omhoog en aan het eind zagen wij een klein vurig puntje dat zijn weg op 10.000M hoogte onhoorbaar vervolgde. Spoedig gingen ook 2 V1's over, maar deze gingen zooals altijd laag en maakten weer een knappe herrie. Bij avond zijn het precies kometen (staartsterren) die langs de lucht gaan.

23 December. Na maandenlange regenen somber weer is het nu eindelijk eens winter geworden. Het heeft tamelijk hard gevroren en op den weg naar Elden stond een vinnige bries, maar het was gezond weer. Afgescheiden van de vele V1's die nu dagelijks door de lucht snorren is er geen bijzonders te vermelden.

24 December. Hetzelfde opgewekte winterweer als den vorigen dag. Wij zijn voor het laatst naar Elden geweest en zijn klaargekomen met het gat in den dijk te stoppen. De Duitschers waren bezig met het slaan van pontonbruggen. Tegen 12 uur waren wij al klaar en hadden nu eens een vrije Zaterdagmiddag, hetgeen ons tot nog toe niet was overkomen. Een echt buitenkansje. Op den terugweg was het weer een ogenblik gevaarlijk. Wij liepen langs een kolkje en zagen zoo maar een heele serie granaten in het water ploffen. Groote fonteinen spoten omhoog. Dit was weer eens een cadeautje van de Engelschen die vanuit Nijmegen op Elden (waar Duitsche stellingen waren) schoten. Dit gevalletje speelde zich af op een afstand van slechts ongeveer 80 meter. Wij moesten nogal een poosje wachten op de pont, daar een stelletje Amerikaansche vliegtuigen boven de Rijn cirkelden. Het is dan veel te gevaarlijk om over te varen met het oog op beschieting. Niettemin waren wij om 3 uur nu al binnen.

25 December. Eerste Kerstdag. Wij hebben den geheelen dag vrijaf gehad, maar dit was niet omdat de Duitschers hun "Weinachten" als een Christelijke feestdag beschouwden, maar om zich eens flink uit te leven er flink wat "Schnaps" naar binnen te slaan. Ze hebben gevreten en gezopen dat het niet mooi weer was. Dat is de nazi-mentaliteit. Ik zou zoo niet spreken als ik het zelf niet had meegemaakt. Inplaats van geestelijke liederen werden er allerlei operettes en het flauwe "O, Tannenbaum" gespeeld een ode aan den dennenboom omdat hij het heele jaar door groen blijft. Verder dans. Dus echt wat men noemt brood en spelen. Er was één stomdronken Duitscher die den Lagerführer te lijf wilde. Ze lagen over den grond te rollen. Erg stichtelijk vindt U niet lezer ? Deze heele slemppartij speelde zich 's morgens af terwijl wij kerkdienst hadden. Tot vervelends toe zongen de Moffen "Stille nacht, heilige nacht", maar natuurlijk met andere woorden. Bij zoo'n zootje was voor Christus al evenmin plaats als voor 2000 jaar geleden in de herberg. Overigens hebben wij ons in dit hol, want anders wensch ik het niet te noemen, knap verveeld. 's Avonds hadden wij echter nog een Kerstverrassing. Wij kregen een zakje met 26 speculaasjes en 3 appelen bij het warmen eten.

26 December. Sinds dien datum tot ongeveer eind Maart hebben wij haast niet meer kunnen slapen. Er kwamen deze nacht achter elkaar 60 V1's over. Ik had het vreselijk benauwd en bad iedere nacht om bescherming. Iedereen was er als de dood voor. Nog liever 1000 Engelsche vliegtuigen boven ons hoofd zeiden wij dan die afschuwelijke dingen. Er ging geen enkele nacht voorbij of altijd moest ik denken "Behoed ons want wij vergaan" als die dingen overkwamen. Als ik 's nachts naar de W.C. ging zag ik door de ramen buiten de lucht vol "staartsterren" die met veel lawaai door het luchtruim gingen, allemaal vurige langwerpige dingen. HERHAALDELIJK is het voorgekomen dat er een met donderend geweld in de stad of daarbuiten neerplofte en dan kreeg ons gebouw door den luchtdruk een reuzen opstopper. Alles bij elkaar was heel geschikt om zenuwziek te worden. De Arnhemmers verlieten hun stad omdat het er niet meer uit te houden was vanwege de bommen en granaten en ons Bussummers sturen ze naar Arnhem. De wereld draait raar.

26 December. 2e Kerstdag bestaat bij de Mof niet. "Arbeiten" is het parool. Hitler boven alles evenals vroeger Herodes. De grammophoonplaat stond met het woord "arbeiten" op en ging er mee naar bed. Je hoorde dien kerel dien den heelen dag maar door zat te draven altijd maar over "arbeiten" praten. Vóór 12 uur hadden wij een surrogaat-vrijheid. Wij moesten werken in de bosschen tusschen Arnhem en Oosterbeek bij de spoorlijn in de buurt van de gevangenis welke totaal uitgebrand is. Op de lijn stonden 4 kapotgeschoten locomotieven en 1 die door een bom totaal uit elkaar geslagen was. Het had weer zeer hard gevroren maar het weer was prachtig. Wij hebben groote bossen stro en takken gehaald en daar een flink vuur van gestookt om ons te warmen. 's Middags moesten wij in de bosschen werken voor de Weermacht en voor die instantie hebben wij steeds gewerkt tot het eind toe.

27 December. Vandaag zijn we aan de Rijnkade geweest, doch gelukkig niet in de Betuwe. De Duitschers waren bezig met een aantal nieuwe ponten en steigers te maken en wij moesten de oude steigers afbreken en al die zware balken wegsjouwen, een zwaar karwei. Voordat ik echter verder ga moet ik eerst even meededelen dat wij vanmorgen eerst een eind door de stad hebben geloopen en weer door geheel andere wijken n.l. in de buurt van de Groote of St. Eusebiuskerk (Ned. Herv.). Een ontzaggelijke verwoesting kregen wij daar te aanschouwen. De heele wijk was finaal platgebrand. Stelt U zich een oogenblik voor lezer dat U in Amsterdam liep en U zag dat de Kalverstraat, Nieuwendijk en het Rokin was afgebrand benevens de Oude en Nieuwe Kerk dan krijgt U eenig idee hoe het daar in deze buurt van Arnhem uitziet. De Eusebiuskerk is totaal uitgebrand benevens een groote Roomsche kerk met 2 torens.

28 December. Nog steeds is het prachtig weer. Wij hebben nu de Rijnkade afgeloopen tot voorbij de gasfabriek en moesten daar een groote hoop grint vlak maken. Datzelfde mogen nu de N.S.B.ers in het strafkamp te Laren doen. Ik heb het op 30 Juni 1945 met eigen oogen aanschouwd. Ik stond er gewoonweg verbaasd over dat het recht zoo zijn loop gekregen heeft. Maar om op de zaak terug te komen. Het was er bovendien zeer gevaarlijk. Vanuit de richting Westervoort vuurden de Engelschen weer ettelijke granaten af. Ze kwamen fluitend en gierend op ons af (beestjes van een halve meter lang zooals ik al eens eerder mededeelde) en waren wij genoodzaakt ons werk ieder keer te onderbreken. Wij maakten als een haas dat wij wegkwamen en zochten dekking achter een muur op een fabrieksterrein. Verder hebben zich deze dag geen verdere incidenten voorgedaan. Om ongeveer 11 uur werden wij door de Duitschers per kano overgezet naar de Betuwe. Ik voelde mij weinig op mijn gemak in dit ranke vaartuigje, doch wij bereikten veilig den oever. Er moest een bok geplaatst worden om een kabel te spannen voor een nieuwe veerpont die de Duitschers daar in de vaart zouden brengen.

Om 2 uur waren wij met dit werkje klaar en de terugtocht per kano verliep eveneens vlot. Om 4 uur was het werk aan de Rijnkade af, althans voor vandaag. Wij zijn dwars door de stad teruggeloopen langs de v. Oldebarneveltstraat, Boulevard Heuvelink, ook wel kortweg Boulevard genoemd. Aan het eind van deze straat ligt de Arnhemsche Muziekschool geheel in puin. Er is daar een brandend vliegtuig opgevallen en de motor lag nog tusschen het puin. Verder gingen wij langs de Rietgrachtstraat naar het Velperplein waar wij ook langs het gebouw Musis Sacrum kwamen. Het gebouw is nog geheel intact, doch de ruiten zijn eruit. Wij kwamen langs groote gebouwen die totaal in elkaar lagen door bomtreffers van September j.l. Vervolgens liepen wij langs het Jans Buitensingel en Eusebiusbuitensingel, Sweers de Landastraat, Burgemeestersplein, Pels Rijkenstraat en tenslotte de verwoeste Lawick van Pabststraat en waren toen eindelijk aan het Lager. Het was een heele kuier geweest, maar het was goed weer en het vroor niet zoo hard meer.

29 December. Vannacht heeft het zwaar geijzeld en de straaten waren verschrikkelijk glad. Wij konden onszelf haast niet op de been houden en af en toe viel er nogal eens iemand. Zand strooien ging ook al niet in een onbewoonde stad. Wij zijn weer langs dezelfde straaten gegaan en weer naar de Rijnkade bij de gasfabriek. Wij moesten een geul hakken dwars over den weg, maar de grond was zoo hard bevroren dat er geen doorkomen aan was. De Duitschers besloten nu de zaak met dynamietpatronen te laten springen. Ze stopten de patronen in den grond, deden er een lont aan en staken toen deze aan. Wij moesten ons telkens verwijderen. Wanneer het touwtje dan tot den patroon toe opgesmeuld was volgde een daverende klap en zagen wij de zandkluiten meters hoog de lucht in vliegen. Dan konden wij het zand er uit scheppen. Als we dan weer niet verder konden en de grond te hard was herhaalde het spelletje zich opnieuw. Toen wij om 4 uur klaar waren zijn we weer langs dezelfde straten gegaan als den vorigen dag. De klinkerwegen waren goed begaanbaar maar in de stad waren de asphaltstraten zoo glad als spek. Voor de huizen hadden de Duitschers nu asch gestrooid.

Wij zagen een groote Duitscher "slee" (zware vrachtwagen) vol pakjes. Hij stond daar echt wat men noemt te "hannesen". Hij kon haast niet vooruit komen. Telkens tolden alle wielen in het rond. Het was een tractor met aanhangwagen, trailer genaamd. Wij moesten helpen duwen en anderen strooiden zand voor de wielen of haalden matjes of stukken zeil uit de huizen. Het schoot echter slecht op. Vlak bij de Steenstraat kwam het heele gevalletje dwars over den weg te staan en botste de tractor tegen een boom. Nu was er geen redden meer aan en konden wij onzen weg vervolgen. Wij kwamen tegen half 6 pas thuis. Nog even moet ik vermelden dat wij langs een heerenhuis kwamen, waarin het in de huiskamer heerlijk "fikte". Men kon zien dat de brand aangestoken was, doch ze schijnt gauw gebluscht te zijn want den volgenden dag stond het huis er nog.

De Moffen hebben met groote vrachtwagens alles uit Arnhem weggestolen en de inhoud der kasten over den grond geworpen, zooals linnengoed, serviezen, spaarbankboekjes, portretten, boeken, papieren enz. enz. teveel om op te noemen. Verder staken ze maar hier en daar uit baloorigheid de brand er in. Denk maar aan dat heerenhuis, aan de R. Bank en V & D. De evacué's die in 1945 terugkwamen zullen het wel prettig gevonden hebben dat ze hun huizen in zulken staat terugzagen.

30 December. Vannacht vlogen er zooals altijd weer vele V1's over. Plotseling hoorden we een vreeselijke klap, waarbij het Lager zat te schudden. Er was zoo'n satansch ding achter het station gevallen, dus tamelijk dichtbij. Ja, lezer we slapen hier reuze gezellig. Hè wat was dat vannacht weer wat zeiden we 's morgens tegen elkaar bij het aantreden. Wij zijn vandaag voor het laatst naar de Rijnkade geweest. Wij zouden hier niet meer terugkomen en in de Betuwe evenmin. Het was weer hetzelfde als den vorigen dag n.l. de straat opblazen en dan het zand wegscheppen. Om 4 uur was onze dagtaak ten einde. Het weer was bijtend koud geweest. Eerst een beetje sneeuw, toen wat motregen en tenslotte een dikke mist met lichte dooi.

31 December. Thans moesten wij weer evenals een week geleden loopgraven maken in de bosschen tusschen Arnhem en Oosterbeek. Het was prachtig vriezend winterweer met nu en dan een licht sneeuw- of hagelbuitje. Achter Oosterbeek zagen we een groote pikzwarte rookkolom. Het maakte den indruk dat een heele straat in brand stond want toen ons werk om half 1 (het was Zondag) beëindigd was rookte het nog steeds. Van Oudejaar vieren was bij ons geen sprake, want er waren wel enkelen die 's avonds oliebollen bakten van "georganiseerd" meel uit de huizen, maar wij hadden niets. De meesten gingen om 9 uur naar bed, want de geheele Oudejaarsavond interesseerde mij geen zier. De O.T. mannen hielden er weer flinke drinkgelagen op na en om 12 uur waren ze voor het meerendeel stomdronken van de "Schnaps". Eén der Moffen had zelfs de schofterigheid begaan om inplaats van behoorlijk de nacht WC te gebruiken een niet nader te detailleeren souvenier in de gang te deponeeren en dat moesten de corveëers nu opruimen. Van "Herrenvolk" gesproken, lezer. Aldus was het Oude Jaar geëindigd met zijn razzia's, naziterreur maar ook met de bevrijding van Zeeland, Brabant en Limburg.

1 Januari 1945. Daar lag dan het Nieuwe Jaar met zijn totaal onbekende toekomst voor ons. Wat moesten wij er van zeggen. Zou de oorlog lang duren ? Zullen wij op den duur nog naar Duitschland moeten ? Wanneer zullen we nu eens eindelijk thuiskomen ? Als Duitschland eens mocht verliezen wat zal de Tommy dan met ons doen ? 1001 Vragen hielden ons bezig, doch van de toekomst vermocht geen sterveling de sluier op te lichte. Gelukkig is het echter te weten dat God alle dingen bestuurt en ook voor ons evenals voor wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan ook voor ons wel wegen zal vinden waarlangs onze voet zal gaan en dit is in de loop der tijden op verrassende wijze bewaarheid. Ik schreef een brief naar huis met erboven : 1945 en omringd door vraagteekens. 's Morgens hebben wij elkaar op het plein Nieuwjaar gewenscht en zijn toen weer naar de bosschen getogen om te spitten. Het was een zeer fraaie winterdag, prachtig helder en windstil winterweer. Op den eersten dag van het Nieuwe Jaar was de Duitsche Luftwaffe zeer actief. Wij hadden sinds eind October geen een Duitsch vliegtuig meer gezien en thans vlogen er 6 stuks heel laag over.

Elders moet het aantal verbijsterend groot zijn geweest. Het was alsof de Stervende (in dit geval Duitschland) nog eenmaal al zijn kracht wilde verzamelen. Over Vierhouten hebben 700 Duitsche vliegmachines gevlogen, een echte Nieuwjaars-demonstratie, maar er kwamen er maar 50 van terug. Ze hebben zeker een uitstapje naar Engeland gemaakt en zijn bepaald van een koude kermis thuisgekomen. De onderofficier dien wij vandaag bij het werk hadden was een aardige kerel, heel wat anders dan die S.S.ers. Na afloop kregen wij zooals gewoonlijk 2 sigaretten, maar dit was danook de laatste keer. Wij hebben ze sindsdien niet meer gehad.

2 Januari. Veel bijzonders is er van dezen dag niet te melden. Het weer was somber en kil. Wij moesten nu loopgraven in een weiland maken. Een ander ploegje meest van jongelui hadden volgens den grammophoonplaat niet genoeg uitgevoerd en zouden 's avonds gestraft worden. Bij het naar huis gaan waren ze allerminst onder den indruk, want ze zongen uit volle borst "Hei, hei, meisje lief je bent van mij". Zulk raar volk die Hollanders dat ze zich zoo weinig van dien Mof aantrekken.

5 Januari. Het heeft vannacht zwaar gestormd en geregend, maar weer of geen weer, de V1's gaan hun gang. Wat is dat toch verschrikkelijk als men die dingen waar aan nogal technische fouten kleven tegen de storm in hoort voortzwoegen. Men houdt zijn hart vast. Ik hoorde er 3 neerploffen op vrij grooten afstand, 1 is er buiten de stad gevallen bij Oosterbeek, een tweede is te Schaarsbergen neergestort en over de derde moet ik iets uitvoeriger schrijven. Aan den Apeldoornscheweg, 3KM buiten Arnhem zijn ongeveer een 40 menschen van ons Lager overgeplaatst naar een barakkenkamp dat zich daar bevindt. Het is de z.g. "houtzagersploeg". Ze moeten den heelen dag hout zagen voor de O.T. Welnu, vannacht is daar een V1 neergeploft VLAK achter deze barakken. Zeer toevallig was het een blindganger. Door onopgehelderde oorzaak is alleen de benzol opgebrand, maar de lading dynamiet intact gebleven, hetgeen zelden voorvalt.

Bij granaten komt zooiets ook weleens voor. Ze vallen dan neer zonder te ontploffen, hetgeen ook doorgaans een witte raaf is. Wie weet wat voor vreselijks er gebeurd zou zijn als die V1 was geëxplodeerd. Gelukkig is ook hun leven gespaard gebleven. 's Middags heb ik in het schaftuurtje een woonwijk bezocht tusschen Arnhem en Oosterbeek. Wat zag het er uit. Wat een gehavende huizen. In de verte werden weer een paar granaten afgevuurd. Over die granaten schrijf ik thans voorloopig niet meer, anders wordt het verhaal te langdradig. Alleen wil ik den lezer erop attent maken dat er altijd dag in dag uit en ook 's nachts bijna onafgebroken is geschoten. Voeg daarbij de vliegtuigen en V1's, dan krijgt U eenig idee in wat voor een heksenketel wij al dien tijd hebben verkeerd.

Aan de Rijnkade zijn 5 slachtoffers gevallen tengevolge van beschieting, allen Zeistenaars die in een andere afdeling in Arnhem zaten, n.l. de Oranjeschool in de buurt van den Velperweg. Het weer was dien dag donker en guur en 's middags begon het hard te regenen. De politieke leider waarin nog wel wat menschelijkheid stak liet ons om kwart voor 4 uitscheiden, doch op den terugweg kwam een auto aangereden. Een Oberleutnant stapte uit en gaf onzen baas een geducht standje dat hij ons een kwartier te vroeg had laten gaan. Als het "arbeiten" hem niet beviel zou hij het tegen den "Kreisleiter" zeggen, dan werd hij voor straf overgeplaatst. Het was een echten krentenk… Wij moesten weer terug en om 4 uur konden wij inrukken.

7 Januari. Toen wij 's morgens in de bosschen waren werd het opeens ongewoon donker. Wat zou dat voor weer worden dachten wij. Er stak een ijskoude wind op en plotseling ontlastte zich een geweldige hagelbui. Ze striemde ons in het gezicht en daar stonden wij nu geheel wit bij elkaar te hurken. Het was zulk erbarmelijk weer dat men er geen hond zou doorsturen, laat staan een mensch. Eindelijk bedaarde het en werd het lichter. Af en toe viel er nog wel wat regen, maar erg was het toch niet. Het bleef echter grimmig koud. Wij moesten den ganschen morgen dennenboompjes uit een Bosch halen en 100M achter ons aanslepen naar de loopgraven. De wanden moesten versterkt worden voor het instorten. Het was een buitengewoon vermoeiend en vervelend werk. Ik moet echter ook zeggen dat wij er goed voor betaald werden. Over den Rijn verdienden wij F 15,- per dag (inclusief F 10,- gevarengeld). Hier kregen wij per dag F 5,- en Zondags F 7,50 hoewel het maar een halve dag was. Ik heb heel wat honderdjes naar huis gestuurd met de T.N. (Technische Noodhulp).

Toen wij om half 1 weggingen werd het weer zeer ongunstig. Het begon hard te regenen en daarna zwaar te sneeuwen. Miljoenen groote dikke vlokken dwarrelden neer en wij kwamen als sneeuwpoppen in het Lager aan. Gelukkig maar dat het Zondag was. Onderweg hadden wij weer een groote Duitsche "slee" gezien volgeladen met "georganiseerde" meubelen en beddengoed welke uit de huizen waren geroofd.

8 Januari. Thans ligt er een dik pak sneeuw en nog steeds sneeuwt het lustig door, maar dat "mag niet hinderen", evengoed "arbeiten". Wij gingen er met dit weer evengoed op uit. Daar het ook al geen 18 karaats sneeuw was en het bovendien niet vroor konden wij lekker natte kleeren en doornatte voeten oploopen. Een nieuw staaltje van naziterreur. Het mag in de bosschen al een sprookjesachtig idee geven want voor iemand die er oog voor heeft was het een magnifiek gezicht; voor ons was het een plaag en wij konden het zaakje wel wegkijken. Toch hebben de bazen de hand nog over het hart gestreken en om 1 uur konden wij inrukken. Het eenige wat wij te doen hadden was een schuurtje sloopen tusschen de Rijksstraatweg en Schaarsbergen. Ik heb op de kamer meteen andere sokken aangetrokken want die bezat ik genoeg.

9 Januari. De sneeuw ligt nu ongeveer een decimeter dik en het vriest bovendien, maar niet hard. Ook het sneeuwen heeft opgehouden al valt er af en toe nog een buitje. Nu moesten wij loopgraven maken op dezelfde plaats waar wij de vorige dag waren geweest. De onderofficier welke nu de baas was, was een tamelijk zenuwachtige en driftige man. Als het werk niet erg opschoot maakte hij ons ijskoud voor saboteurs uit en dreigde ons naar Duitschland te sturen. Het moet echter ook gezegd worden dat hij op zijn beurt ook niet veel leven had want hij was verantwoordelijk voor den goeden gang van zaken want de "Kampfkommandant" zat hem achter zijn hakken. Soms kon hij ook wel eens aardig zijn, maar in doorsnee was het toch een vervelende vent. Wij hadden allemaal een hekel aan hem. Er ging ook al een praatje dat hij eens een Hollander had neergeschoten. Of het waar is weet ik niet. Als het zoo is zal zijn geweten hem misschien ook wel geplaagd hebben.

's Avonds hadden wij een minder prettig incident op de kamer. Er bestaat in het Lager een verordening dat wij 's avonds om 10 uur naar bed moesten en het licht uitgedaan moest worden wegens bezuiniging. Ik was reeds om 8 uur onder zeil gegaan, doch mijn kameraden zaten om kwart voor 12 nog te kokkerellen. Daar komt opeens de Lagerführer binnenstormen en daar had je het spul gaande. Hij begon op te spelen en zei dat hier voortaan geen licht meer mocht branden. Ze moesten 2 dagen de bunker in, een soort cel beneden in het gebouw. Ik had gelukkig niets met dat moois te maken, dus ging ik vrijuit. Andere kamers hadden zich eveneens aan dit feit vergrepen. Als straf mocht er nu nergens licht meer branden. Echt op zijn Duitsch. Wanneer een paar menschen zich hebben misdragen laten ze de heele goegemeente er voor opdraaien.

10 Januari. Weinig nieuws te vermelden. De politieke leiders deden 's morgens ook al een duit in 't zakje want ook zij begonnen over het licht te boomen, ze maakten het nog een graadje erger dan de Lagerführer, want ze vertelden ons dat wij bij een strafploeg zouden worden ingedeeld. Er is gelukkig nooit iets van gekomen. Het weer was somber maar het vroor toch dat het kraakte. Wij moesten sneeuwruimen aan den Rijksstraatweg.

14 Januari. Wij hebben weer boompjes moeten slepen uit de bosschen naar de loopgraven. Het weer was prachtig. Het vroor licht en het was volkomen windstil. Om half 1 was het werk afgeloopen omdat het Zondag was. Onderweg zagen wij weer 2 Duitsche vliegtuigen zeer laag overkomen. Ze raakten haast de toppen van de boomen. 's Middags om 4 uur moesten wij in het Lager in een grote zaal allen bij elkaar komen. Het was appel voor den Lagerführer. Hij had allerlei dingen op zijn hart, goede en slechte. Er zou o.a. een voetbalclub worden opgericht en dan kon men Zondags van 2 tot 4 achter het Lager voetballen, waar ik natuurlijk heelemaal niets voor voelde. Het was ook niet verplicht. Verder mochten wij in de stad niet meer organiseeren want de Feldgendarmerie had orders gekregen om iedereen die in de huizen werd aangetroffen neer te schieten. Het werd echter oogluikend toegelaten, want Zondagmiddag werd er georganiseerd dat de spanen eraf vlogen. Men zag ze dan met zakken vol aardappels, brandstoffen enz. gaan. Vervolgens kwam het licht weer ter sprake en werden onze overtredingen weer opgediept. Ook andere grieven werden aangesneden.

De W.C.'s waren niet schoon genoeg en tenslotte ging het aantreden 's morgens niet vlug genoeg. Als hierin geen verbetering kwam zou hij ons op militaire manier africhten en laten exerceeren. Kortom, het was ongemakkelijk heer, die veel noten op zijn zang had. Hij was in vredestijd schoolopziener in Westfalen en toch verkondigde hij ondanks zijn geleerdheid onlangs dat Columbus Amerika in 1495 had ontdekt, terwijl toch iedere schooljongen wel weet en de lezer wellicht ook wel dat dit in 1492 was. Om half 6 was het appel ten einde, maar wij hadden met dat al weinig aan onzen Zondag gehad. 's Avonds zag ik weer een V1, terwijl meteen ook een V2 als een lange bliksem werd afgeschoten. Onhoorbaar vervolgde het gloeiende puntje haar weg op 10KM hoogte. Eerstgenoemde "komeet" maakte echter herrie genoeg. Dit is van een andere makelij en vliegt maar op een paar honderd meter hoogte.

15 Januari. Het is vandaag merkwaardig weer. Het vriest en regent tegelijk en het is ook mistig, maar dooien doet het in het geheel niet. Het is onaangenaam weer om te werken. Wij zijn nu aan het loopgraven versieren geweest met dennetakken aan de Witsenstraat, een nieuwe wijk buiten de stad die nog vrij intact is gebleven.

19 Januari. Verschrikkelijk weer is het in één woord. Er woedt een hevige storm welke vergezeld gaat van dichte sneeuwval en nog wel natte sneeuw ook, daar het niet vroor. En in dit weer moesten wij nu werken in de loopgraven in het Bosch waar wij verleden week ook gewerkt hebben. Ik moest o.a. van een stapel ondergesneeuwde dennenboomen takjes afhakken om de loopgraven te versterken. Bij het aanpakken van elk boompje werden mijn handen natuurlijk kletsnat, zoodat ik ook aan mijn wanten niets had. Ik had het erg koud. Hoewel de storm weliswaar spoedig bedaarde bleef het weer toch zeer slecht. De eene sneeuw- en hagelbui voor en de andere na ontlastte zich. 't Was me een dagje ! En in dit erbarmelijke weer heeft de geheele bevolking van Tiel vandaag moeten evacueren, daar hun stad vrijwel was platgeschoten. Wat een toestand lezer !

20 Januari. Van 6 – 11 uur heeft een zeer zware veldslag in de Betuwe gewoed. De granaten gierden weer onafgebroken door de lucht, maar het was niet zoo dichtbij als de vorige keer, maar bij Zetten, een dorp tusschen Kesteren en Nijmegen. Het weer was zeer ongunstig. Er viel een ongenadig pak sneeuw. De sneeuw lag nu wel 2DM dik en het vroor er behoorlijk bij. De Engelschen waren deze dag niet erg gelukkig, want Zetten werd door de Duitschers heroverd. Soms klaarde het weer even op en zag men een stel Am. vliegtuigen overtrekken, maar spoedig betrok de lucht opnieuw en viel de sneeuw er zoo dicht dat men haast uit zijn oogen niet kon zien. En evengoed maar "arbeiten". 's Middags moesten wij tot 5 uur blijven werken. Als oorzaak werd niet genoemd het ongunstige weer, maar … nu breekt mijn klomp lezer … omdat er niet genoeg was gedaan. Stel je voor zulk bar weer ! Wat zegt U daar nu van lezer ? Ploerten zijn het, anders niet !

21 Januari. Het is vandaag bitter koud. Er hangt een dichte mist en het vriest een steen dik. Het is Zondag, maar weer of geen weer "Arbeiten" is de leus. Wij hebben weer een nieuwe loopgraaf bij de Witsenstraat moeten maken en moesten den grond met geweld met houweelen openhakken, zoover zat de vorst erin. Toen wij om half 1 weggingen trok de mist op, maar het bleef somber en om 3 uur begon het weer lustig te sneeuwen en dit duurde den ganschen avond en nacht door.

22 Januari. Er ligt thans 30CM sneeuw. Wij beleven hier in het Oosten van ons land bar winterweer. Geen wagen kan er meer door. Alle verkeer per as is hopeloos in de war. Er moet naar ik hoorde bij ons in Bussum en andere provincies lang niet zooveel sneeuw zijn gevallen als hier. Mijn persoonlijke meening is ook dat het hier veel kouder is. Het is heel goed mogelijk, want hier hebben wij min of meer een landklimaat en het Westen waaronder ook Bussum en het Noorden waaronder Zwolle en omstreken zoomede Friesland een zeeklimaat. Een landklimaat is ruw en zeer koud in den winter en zeer warm en droog in den zomer. Wij hadden met ons tweeën een mooi klusje. Over een afstand van 500M moesten wij balken aanvoeren. Wij laadden de balken op een ladder welke als slee moest dienen en zeulden zoo dit zware zaakje voort over de slecht begaanbare weg waarop de sneeuw meer dan een voet hoog lag. Het weer was prachtig maar het vroor hard. De Amerikaansche vliegtuigen cirkelden vrij laag over ons terrein. Ik vermoed dat ze de loopgraven en versperringen die wij gemaakt hebben netjes gefotografeerd hebben. Toen ze weggingen kregen ze een serie afweergranaten van de Duitschers achterna.

23 Januari. Vandaag moesten wij loopgraven maken op de hoek van de Breitnerstraat, 200M voorbij de Witsenstraat, maar moesten eerst alvorens te beginnen een berg sneeuw wegruimen alvoorens men kon beginnen met het openhakken van den grond. Tot mijn schrik bemerkte ik dat ik mijn brood had vergeten. Wat te doen ! Ik ging naar een Duitsche keuken in de buurt en dischte daar mijn dramatische verhaal op. Ik kreeg van 2 onderofficieren bijna een heele groote Duitsche kuch nog meer dan ik had vergeten met de bemerking "Sie können doch auch hier kein Schnee essen" (je kunt toch ook geen sneeuw eten). Zoo ziet U lezer dat alle Duitschers toch niet zoo kwaad zijn, maar het meerendeel deugt niet hoor ! Er waren bij ons den geheelen dag arbeiders uit Velp aan het maken van een groote versperring zijnde 2 rijen zware boomstammen met 2M hoog zand daartusschen.

Als men ziet wat een enorme barricades er overal in Arnhem zijn gemaakt moet men zich toch verbazen hoe de geallieerden het hebben klaargespeeld om de heele zaak opzij te schuiven, want het was me wat ! Deze barricade waarover ik het zooeven had stond onder toezicht van een "Obergefreiter" (korporaal). Zijn arbeiders mochten om 12 uur uit de Duitsche keuken eten, en daar ons ploegje erg klein was mochten wij ook mee-eten, een echt buitenkansje met die koude. Het was meest snert, maar ze smaakte best.

28 Januari. Veel zaaks heb ik over dezen dag niet te zeggen dan alleen dat het in den afgeloopen nacht hier verbazend gesneeuwd heeft en de sneeuwval tot vanmorgen 11 uur aanhield. Het vroor zoo hard als sinds den beruchten winter van 1942 niet meer was voorgevallen. De groote thermometer aan het ziekenhuis wees 10 graden vorst aan, dat is voor overdag wel uitzonderlijk laag. Het was gelukkig Zondag, zoodat om half 1 het karwei al weer af was. Het is me anders een regiem waarvoor wij werken. Adolf zwaait de knoet maar over ons land en volk, maar daar komt eens een eind aan. De wildste geruchten doen de ronde onder ons. De Rus zou al een eind in Duitschland zitten en op weg zijn naar Berlijn enz. Het is moeilijk na te gaan in hoeverre dit op waarheid berust daar wij hier nooit iets aan de weet komen, maar er komen nog wel eens vrouwen op bezoek en deelen nog wel eens iets mee over het wereldgebeuren.

30 Januari. Vanmorgen moesten wij uit een Bosch aan den overkant van den Rijksstraatweg boomstammetjes halen en op onze nek sjouwen de loopgraven, 500M verder. Wij gelijken veel op een stel dwangarbeiders in Siberië. Het weer past er ook best bij. Aanvankelijk was het droog, maar zeer koud en donker. Het vroor stevig. Maar om 9 uur stak een hevige storm op welke vergezeld ging van buitengewoon zware sneeuwval en er lag al zoveel sneeuw. De storm was zoo vinnig dat hij je door merg en been ging. Als ik de winter van 1942 niet had bijgewoond, kon ik gerust zeggen dat ik nog nooit zoo'n pak sneeuw had gezien. Het sneeuwde 7 uren aan één stuk en in dit barre weer moesten wij maar werken. Warm eten kregen wij ook al niet meer overdag, zoodat we 's avonds rammelden, want koud weer hongert erg. Het zijn me toch ook varkens, die Moffen. 's Avonds was het droog en opeens veel zachter geworden en om 6 uur viel er motregen. Zou de strenge winter over zijn ? Het begint er wel op te lijken.

31 Januari. Plotseling is het gaan dooien. Men weet niet hoe men het heeft na al die weken van sneeuw en kou, maar de straten zien er vreselijk uit. Moeder natuur moet een halve meter sneeuw opruimen en dat valt niet mee. Wij kunnen naar hartelust natte voeten ophalen. Er was vandaag weer veel leven in de brouwerij wat de V actie aangaat. Verscheidene V1's vlogen weer over ons heen, maar boven de wolken zoodat wij ze ditmaal niet konden zien. Tegen het einde van de werkzaamheden werd het mistig en begon het te regenen, maar het was lang zoo koud niet meer.

1 Februari 1945. Het heeft vannacht zwaar gestormd en geregend, maar het is nu zacht weer en droog. Er gingen opnieuw veel V1's over en enkele hoorden wij heel in de verte afslaan en neervallen. 's Middags kwam er echter plotseling een met zwaar gesnor heel laag over en … sloeg opeens af. De Duitschers vlogen als gekken om een goed heenkomen te zoeken en sprongen in de loopgraven om dekking te zoeken. Ze waren voor hun eigen fabrikaat nog banger dan wij. Wij hielden ons kalm. Even later volgde de klap, maar het viel erg mee. Het was tamelijk ver weg.

3 Februari. Het is opnieuw winter geworden. Het vriest weer en af en toe vallen er hagelbuitjes, maar overdag werd het mooi zonnig weer, mar het bleef knap koud. Wij moesten nu prikkeldraad versperringen om de boomen maken dicht bij Schaarsbergen.

4 Februari. Het is maar goed dat het Zondag is want wij troffen het vandaag weer bitter slecht met het weer. Den ganschen morgen heeft het geregend en het was nog guur op den koop toe. Wij hebben zoodoende niet veel kunnen doen. Om half 1 toen wij weggingen was het droog maar ondertusschen waren onze jassen maar weer drijfnat geworden. In het kreupelhout zong al een vogeltje … piete, piete, piete. Zou dit pietje het voorjaar al voelen naderen ? Het lijkt er anders nog niet veel op. Of zou het beestje soms de Tommy verwachten en alvast bij voorbaat het liedje van de bevrijding gaan zingen ?

5 Februari. Wij hebben overdag wel niet veel bijzonders beleefd maat 's avonds wel en niet veel moois. Mijn kameraden hadden zich op de kamer weer zeer misdragen. Ze waren pas tegen elf uur naar bed gegaan en hadden bovendien een heele rommel gemaakt. Ik was gelukkig weer zoo verstandig geweest vóór 10 uur onder de krullen te gaan. Daar kwam Herr Lagerführer binnen en toen was de boot aan. Ze moesten binnen 10 minuten maken dat de herrie opgeruimd was en niet eerder naar bed gaan voordat hij weer terug was en gezien had dat alles in orde was. Inplaats van dit voorschrift precies op te volgen kleedden zij zich gauw uit, gingen naar bed, draaiden het licht uit (wat ook nog niet mocht want ze moesten op de Lagerführer wachten) … lieten de rommel liggen. Wat een sufferds ! Als men nu eenmaal weet hoe ongemakkelijk de Mof is, haal dan toch in vredesnaam niet zulke idiote dingen uit. Ik ben zooveel ouder en laat mijn hersens draaien. Ik heb nog nooit wat met die kerels gehad, omdat ik steeds mijn hersens gebruikt heb. Daar kwam de Lagerführer ten tweede male en nu was hij wat men noemt voor den bakker. Het licht uit en de luidjes op bed.

Eine ungeheure Frechheit (een ongehoorde brutaliteit) galmde hij. Los, los brulde hij en ze moesten direct eruit …en ik ook. Ik kon me behoorlijk tegenover hem verantwoorden waarop hij zeide "Sie könne schlafen gehen, Sie gehören nicht dazu (U kunt gaan slapen, U behoort er niet bij). De andere zondaars moesten meteen hun stroozak en dekens oppakken en naar beneden, de bunker in. Ze kregen 3 dagen bunker en overdag moesten ze op het plein strafexerceren. Vallen, liggen, hollen, opstaan enz. alles in de halfgesmolten sneeuw en plassen water en dan weer de bunker in. Tegen één mijner kameraden had hij een hartig woordje te spreken. De woorden waren dermate hartig dat ik ervan lag te rillen en mijn hoofd onder de dekens stak. Daar gaat hij dan … Sie kommen zur Verfügung der S.S. und Sie werden erschossen (Je komt ter beschikking van de S.S. en je wordt doodgeschoten !!!) Hij ging knap te keer n.l. de kameraad begon te huilen. Hij werd meteen naar de bunker gevoerd met de bemerking des Lagerführers: "Sie brauchen nicht zu weinen"(je behoeft niet te huilen). Hij is op transport gesteld en naar elders vervoerd. Hij had zich volgens Duitsche begrippen zeer misdragen.

Hij had n.l. ten eerste op eerewoord beloofd toen hij in de stad op heeterdaad werd betrapt bij het "organiseeren" dit niet weer te doen en was toch opnieuw aan het "organiseeren" getogen. Een belofte verbreken wordt bij den Duitschers zeer zwaar aangerekend (Dat doet de Mof nooit !!!). Hij was toen ten tweede male gevat door een O.T.officier en had toen deze officier de huid volgescholden met de bijvoeging "Onze tijd komt ook en wij zullen je wel krijgen". Een brave Hendrik was het ook niet, want de Hollandsche regeering of de Engelschen zouden het "organiseeren" evenmin goedkeuren, maar ze staan toch niet direct met de bijl klaar. Later hoorde ik echter dat hij mocht kiezen of S.S.er worden (dus landverrader !) of teegen den muur gezet worden. Hij heeft maar eieren voor zijn geld gekozen en is S.S.er geworden. Lang heeft hij echter niet overleefd, want hij is naar Doetinchem gegaan en daar op 1 April tijdens een bombardement met vele anderen gedood. Het was een goddeloos stukje mensch. De grofste vloeken slingerde hij eruit en ik heb hem er meer dan eens op gewezen, maar hij trok er zich niets van aan en ging er maar mee door.

7 Februari. Hoewel het weer tamelijk somber was, was het aanvankelijk toch nog droog, maar het was zeer guur en er kwam tevens een dikke mist opzetten. Een merkwaardig natuurverschijnsel deed zich hierbij voor. Wanneer het mist regent het bijna nooit, doch nu begon het te gieten zoodat wij knap nat werden. Wij mochten nu van den onderofficier zoolang in de huizen op een afstand van een halve kilometer schuilen totdat het droog was, maar als dat onmensch van een Kampfkommandant kwam moesten wij eruit. Toen de regen had opgehouden zijn wij weer aan het werk gegaan. Wij moesten afgekeurde loopgraven dichtgooien. Eerst gegraven en nu weer dicht lezer, zoo blijft het werk in de wereld. Het weer is gelukkig verder den geheelen middag droog gebleven.

8 Februari. Het weer was nog wel donker maar toch zacht geworden. De Tommy ontplooide dien dag plotseling een tamelijk groote activiteit, niet zoozeer in de lucht als wel op het land. Er werd den geheelen middag zwaar geschoten, maar het was niet dichtbij. Later bleek dat het 1e Britsche leger onder bevel van maarschalk Montgomery Groesbeek had bevrijd. Het dorp is vrijwel platgeschoten door beide partijen en de inwoners geëvacueerd.

11 Februari. Wij troffen het vandaag alweer bijzonder slecht met het weer. Het was koud en de regen viel in stroomen neer. En met dit weer moesten wij een half uur loopen en een ijzeren schuur sloopen en groote stukken gegolfd plaatijzer opladen op een groote kar die feitelijk door paarden moest worden getrokken en nu moesten wij dit zaakje slepen, waarbij soms steile hellingen moesten worden genomen, en dat 500M ver. Wij hadden een beste baas, mijnheer de grammophoonplaat. Natuurlijk ging het dien vrijer weer niet hard genoeg naar zijn zin en zat hij maar te jagen met zijn "komm, komm". Tot 3 keer moesten wij dit doen en werden wij kletsnat door den gestagen regen. Om half 12 was dit karwei afgeloopen en kregen wij een ander "baantje" (een Amsterdamsche uitdrukking). Wij moesten nu uit de bosschen aan den Rijksweg zware boomstammen opladen. Wij gebruikten hiervoor een stok, schoven hem eronder en tilden deze stammen zoo op den wagen.

Zoo'n geweldige vracht konden wij natuurlijk niet trekken. Wij vroegen aan een boer die met paard en wagen in een weiland stond en bezig was knollen te laden of hij zijn paard even kon missen. Hij voelde er niets voor, maar toen de grammophoonplaat eraan te pas kwam en hem op echt Duitsche manier gelastte zijn paard even af te staan voor 2 vrachten, was de zaak spoedig oké. Wij gingen met de wagen naar de Witsenstraat en daar werd het zaakje afgeladen. Tweemaal hebben wij dit gedaan, maar het weer was inmiddels droog geworden, wat een geluk was. Toen moesten wij nog een paar lange palen sjouwen, waarna het werk af was. Het was me een dagje !

13 Februari. Deze dag stond weer eens in het teeken van de V actie. Er gingen er tijdens onze werkzaamheden weer heel wat van die V1's over en af en toe plofte er weer een in de verte neer. 's Middags was het weer opnieuw zeer ongunstig. Het regende er weer lustig op los, maar wij mochten van dat zwijn van een Kampfkommandant niet meer in de huizen schuilen, maar moesten "arbeiten". Ik ben blij dat al dat tuig in handen der geallieerden is gevallen. Laat "vadertje" Stalin ze nu maar eens negeren.

14 Februari. Den gehelen morgen hing er een dichte mist, maar in weerwil hiervan was de V actie buitengewoon groot. Ik weet niet hoeveel V1's er vanmorgen over ons hoofden zijn gesnord, maar ze waren niet te tellen. Wij moesten weer boompjes sleepen naar de loopgraven uit de bosschen bij Oosterbeek. Het was een afschuwelijk vervelend werk en af en toe kwam dat serpent van een onderofficier ons achterop fietsen om te zien of we niet zaten te "bummelen" (lijntrekken). 's Middags trok de mist op en werd het prachtig weer. Het was vrij zacht en het geleek wel voorjaar. Nu kwamen er ook weer een heel stel Am. Vliegtuigen over, afgewisseld door V1's.

16 Februari. Het is vandaag weer guur en stormachtig weer, maar het bleef gelukkig het grootste gedeelte van den dag droog. 's Middags beleefden wij weer eens de zoveelste sensatie. Toen wij aan het werk waren kwam met groot geraas een V1 aanzetten en het geluid stopte plotseling, vrijwel weer vlak boven ons hoofd. Meteen stortte het monster neer op de spoorlijn op een afstand van slechts 800M. Een ontzaggelijke slag weergalmde over het weiland en zagen wij een gitzwarte rook metershoog opstijgen. Langzamerhand verwaaide de rook en behoorde dit moois weer tot het verleden. Toen wij 's avonds goed en wel binnen kwamen om kwart over 5 weer een vreselijke slag. Ons Lager kreeg weer een geduchte opstopper door den luchtdruk. Er was weer eens voor de variatie een V1 midden in de stad neergeploft.

17 Februari. Vannacht vlogen hier weer verscheidene V1's over, doch plotseling sloeg er evenals op 16 December weer een af en weer VLAK boven ons hoofd, doch onmiddellijk sloeg het ding met een verschrikkelijke klap uit elkaar in de lucht. Toevallig stond ik voor het raampje te kijken toen het gebeurde. Ik zag een groote steekvlam en meteen was het afgeloopen. Hij is dus niet neergestort doch zomaar boven ons hoofd uit elkaar gesprongen en heeft geen schade aangericht. Alleen een paar ruiten moesten het weer ontgelden. Als het ding wel was neergestort, wat dan ? Ja wat dan lezer ?

18 Februari. Vandaag had ik een mooi karweitje. Met zijn tweeën hebben wij alle dennetakken die buiten de wanden van de loopgraaf staken met een groote snoeischaar rechtgeknipt. Het moet er toch netjes uitzien wanneer soms de Tommy eens een bezoek mocht brengen. Het weer was donker en druilerig, maar het was Zondag en dus maar een halve dag.

19 Februari. Vanmorgen in alle vroegte zijn er een aantal van onze menschen gedeserteerd. De onderofficieren verzamelden ons en wij moesten van hem iets moois aanhoren. U kunt mij voor de volle 100% gelooven lezer als ik het U mededeel wat die goeie man zeide want ik heb het zelf gehoord in bijzijn van allen. Hij vertelde ons uit naam van den Kampfkommandant dat indien er weer iemand clandestien de beenen neemt … EENIGE van ons zouden worden … DOODGESCHOTEN !!!! Wat zeg je me daarvan lezer ? En vervolgde hij jullie brengen het toch niet ver want wij sporen jullie wel op door middel van de Feldgendarmerie of "Sicherheitsdienst". Dat is mooi zeiden wij. Als zooiets dan weer voorkomt gaan wij allemaal drossen dan redden wij tenminste nog ons leven. Ik vond het allesbehalve guitig want mijn kameraden van de kamer liepen ook al met drosplannen rond en als ze inderdaad eens de latten nemen was ik misschien wel de sigaar. Ik heb ze trouwens ook gewaarschuwd om geen gekke dingen uit te halen. Overigens namen de meeste onzer het voor kennisgeving aan en geloofden van die bedreiging niet veel. Maar de Mof is nu eenmaal radicaal. 't Zijn echte bolsjewieken.

21 Februari. Vanmorgen was het weer zeer ongunstig en regende het behoorlijk, maar wij moesten toch maar loopgraven maken in de buurt van de "bajes" (gevangenis). Door een gelukkige omstandigheid kreeg ik met eenige andere kameraden opdracht om een huisje aan den Rijksweg leeg te halen want daar kwam een Duitsche wachtpost in te zitten. Zodoende bleven wij droog. Nu moest er nog de noodige nieuwe inventaris in. In de Witsenstraat hebben wij een kachel, pijpen en een stel etensborden georganiseerd, op een kar geladen en naar het huisje gebracht. Tweemaal moesten wij hierover doen. Tenslotte hadden wij nog een lange paal naar de loopgraven te slepen en toen was het werk voor dezen dag al weer af.

22 Februari. Nu was het eens een fraaie dag na een vrij stevige nachtvorst. Wij hebben nu weer tot vervelends toe boompjes loopen slepen langs den weg over steile hellingen heen naar de loopgraven. Wij werkten nu in de bosschen van Oosterbeek. In het schaftuurtje zei een van mijn kameraden: "Ga je mee naar die gindsche boschrand, daar is een tijdje geleden een V1 gevallen en niet ontploft. "Ik dank je stichtelijk" zei ik. Ga jij er maar heen, ik moet er niets van hebben. Gesteld dat dat ding alsnog explodeert. Na het schaftuur hebben wij weer boompjes gesleept, maar het viel me knap zwaar. Ik spit nog liever dacht ik. Een eigenaardig loom en vervelend gevoel maakte zich van mij meester als ik liep, doch met stilstaan en graven viel me dit niet op. Wanneer ik de 44 traptreden in het Lager moest beklimmen had ik precies het gevoel of iemand me aan mijn been trok. Ik schonk er weinig aandacht aan en er kwamen bovendien ook weer dagen dat ik er geen last van had. Eerst maanden later ben ik in Bussum na medisch onderzoek erachter gekomen wat het was, maar daar schrijf ik nog wel later over.

24 Februari. Heden moesten wij in de Witsenstraat met zijn vieren een groote hoop zand welke midden op straat lag wegwerken. Alles moest met kruiwagens weggereden worden en 100M verder in een tuin voor een huis worden omgekiepert want in dit mooie huis moest weer een bunker komen. De heele woonkamer moest weer vol zand worden gestort (stel U toch eens voor lezer wat een vandalisme !). 's Middags hebben we rapen uit de grond getrokken om op te eten, want met dat beetje brood kunnen wij ook niet toe. Het is hier in Arnhem ook zoo best niet meer al is het nog oneindig beter dan in de hongergebieden in het Westen. Wij hoorden de akeligste berichten uit Bussum die maar al te waar bleken te zijn. Het weer was fraai geweest.

27 Februari. Hoewel wij weinig bijzonders beleefden kan ik toch niet nalaten een feit te memoreeren dat alleszins de moeite waard is om vermeld te worden. Om 12 u 's middags kwamen 2 zeer laag vliegende Duitsche vliegtuigen vanuit de Betuwe over onze hoofden heen. Op zichzelf niets bijzonders, maar wel was het de moeite waard te zeggen dat dit de LAATSTE Duitsche vliegtuigen waren die wij in ons leven hebben gezien. Nooit hebben wij er nadien meer een waargenomen en nergens meer in ons land. 10 Mei 1940 HONDERDDEN in Scherpenzeel 27 Februari 1945 TWEE in Arnhem. Sie transit gloria Germania ! (Zoo gaat de heerlijkheid van Duitschland voorbij). Een Latijnsche uitdrukking. Even later kwamen van denzelfden kant weer 2 zeer laagvliegende vliegmachines aanzetten. Men kon ze haast aanpakken en wij zagen duidelijk de bemanning erin zitten. Tot onze niet geringe verbazing waren dit een paar Tommies. Op de vleugels en staart waren roode cirkels geschilderd in plaats van hakenkruisen. Zoo laag hadden wij de Engelschen nog nooit zien vliegen. Trouwens overdag kwamen er nooit Engelsche vliegtuigen over, alleen Amerikaansche met een witte ster op de vleugels. De Tommy kwam alleen 's nachts.

28 Februari. Vanmorgen zijn twee van mijn kameraden in de vroegte gedrost. Ik voelde me weinig op mijn gemak en dacht "Dat kan mooi worden, ze zetten misschien bij wijze van represaille mij of mijn kameraad tegen den muur". Uit voorzorg ben ik met een ploegje naar de Witsenstraat gegaan om te gaan werken inplaats van in de bosschen bij Oosterbeek, om dien onderofficier uit de handen te blijven. Wonder boven wonder hebben geen van ons allen iets over deze kwestie vernomen en van een executie is nooit iets gekomen.

1 Maart 1945. Het heeft vannacht hard gestormd en de wolken jagen langs de lucht. Vandaag heb ik het maar gewaagd om naar de bossen van Oosterbeek te gaan. Wij moesten weer nieuwe loopgraven maken. Om 10 uur zei ik "Kijk daar eens jongens ". Er kwam met een groote herrie een V1 aanzetten op een zeer geringe hoogte van 15M. Hij verloor hoe langer hoe meer hoogte en tenslotte was het maar een goede 5M. Op een afstand van 7 à 800M vloog hij tegen de kruin van een boom. Een ontzettende slag weerklonk, waarop wij temidden van een grote gitzwarte rook een helle vuurgloed zagen, doch even later was het weg. Nog heel even moet ik melding maken dat wij dezen dagen aan de Witsenstraat boven het weiland een V1 zagen die plotseling in de brand vloog, een fantastisch gezicht. Daarna dook het ding omlaag en liet een lange rookpluim achter. Toen hij uit het gezicht was verdwenen volgde een niet bijzonder zware slag. Het weer begon zeer te verslechteren. Het regende dat het goot en het werd hoe langer hoe guurder. Wij stonden er weer echt "gekleurd" op zouden de Rotterdammers zeggen, want die telden wij ook bij onze ploeg.

Over die menschen zal ik later ook nog een rubriek wijden in mijn commentaar over de dagboeken. Wij moesten natuurlijk doorwerken, maar om 12 uur mochten wij een uur schaften (Zoo'n lieve Mof toch !). Wij mochten ons twaalfuurtje gebruiken in een villa waar Duitschers inzaten a/d Heinoordscheweg vlak bij den Rijksstraatweg, maar enkele menschen hadden de oerstomme streek begaan om in dit huis te gaan organiseeren, want 's avonds misten de Duitschers een paar kousen. Wij werden allen gefouilleerd maar ze vonden natuurlijk niets, maar toch mochten wij voor straf niet meer in dit huis komen. Als iemand het hart had om er binnen te gaan zou hij pardoes worden doodgeschoten. Dat had je nu aan die vlegels te danken. Wij konden nu in het vervolg den heelen dag in de regen vegeteren als de natuur het zoo beschikte. Of zou het van die Moffen een smoesje zijn geweest ?

2 Maart. Het is weer eens echt winter geworden. Het heeft vannacht gesneeuwd en er lag vanmorgen een dun laagje, doch onderweg kregen wij een zware sneeuwbui te incasseeren, gepaard gaande met hevige stormlagen. Het was er venijnig koud bij. Toch scheen de zon af en toe weer eens een paar uren, doch steeds wisselde zware sneeuw- en hagelbuien elkander af. Het waren echte Maartsche buien. De Amerikaansche vliegtuigen spreidden een tamelijke activiteit ten toom. Er vloog een heel koppeltje over. 's Middags heb ik weer dennetakken in de loopgraven gesnoeid want het was boven veel te koud zoodat ik een lekker luw plekje had.

8 Maart. Gisteren hebben wij voor het laatst in de bossen bij Oosterbeek gewerkt, doch moesten er vanmorgen nog even naar toe om hamers, zagen enz. te halen uit een opslagplaats van de Duitschers. Wij zouden in deze omgeving nooit meer terugkeeren, althans niet om voor den Mof te werken. Het weer was knap mistig, maar windstil, zacht en droog. Wij zijn nadat wij de spullen hadden, teruggeloopen over den Rijksweg naar de stad. Toen wij aan het einde van dien weg boven op een verhoging stonden zagen wij op zeer grooten afstand een grote brand. Het zal waarschijnlijk in de buurt van Renkum of Wageningen zijn geweest en op zijn minst een groot gebouw, een fabriek of zooiets, want het fikte lekker. Wij moesten nu een heel ander soort werk verrichten. Er moest over den geheele breedte van de straat (in dit geval de Burgemeester Weertstraat) een barricade worden gemaakt bestaande in het opbreken van de straat, het graven van een diepe loopgraaf en het plaatsen van een rij zware boomstammen in de loopgraaf.

Een meter of 3 verder moest hetzelfde gebeuren en tusschen deze 2 loopgraven moest het vrijgekomen zand ter hoogte van 1.80M gestort worden. Daarna werd de heele zaak met planken en schotten vastgetimmerd, doch wij hadden er wel een dag of 3 werk aan. Onderstaand ziet U een schets van een dergelijke barricade.


Dit is de barricade zooals hij is zonder schotten. Later werd de heele zaak door de betimmering aan het oog onttrokken, een ontzaggelijk zware versperring, maar de geallieerden hebben er wel raad mee geweten. Wij hadden onze werkzaamheden vlak achter het Lager. Het was nog geen 10 minuten loopen.

9 Maart. Hoewel het weer niet al te fraai was (af en toe regen) was de lucht- en V actie weer vrij groot. Men kan aan alles merken dat het voorjaar nadert en de oorlogsmachine bij den dag actiever wordt. Vanmorgen vloog er een koppeltje Am. Vliegtuigen over de stad. Wij moesten ons dekken achter de huizen, maar ze deden ons geen kwaad. Verder vlogen weer ettelijke V1's over ons heen. Eén ervan stortte op grooten afstand neer.

10 Maart. Weinig bijzonders te vermelden. Alleen kwamer er 's middags weer geallieerde vliegtuigen over en schoten met hun boordwapens in de Betuwe dat de spanen eraf vlogen. De actie te land was ook vrij groot. Er werden af en toe een stuk of wat granaten door de Tommy afgevuurd en moesten wij ons werk ieder keer staken en ons heil in de nabijzijnde huizen zoeken.

11 Maart. Een merkwaardige Zondag beleefden wij heden. Toen wij vanmorgen op het plein stonden aangetreden om als naar gewoonte te gaan werken kwam de Lagerführer naar buiten en deed ons de mededeeling dat er heden niet gewerkt zou worden maar dat wij allen "die Stube sauber machen muszten"(de kamers moesten schoonmaken). Wij konden onze ooren niet gelooven. Niet "arbeiten" vandaag en hoe moest dat nu met de Krieg ? Wij zeiden tot elkander "Dat kamerschoonmaken is maar een wassen neus, er is vast wat loos". En inderdaad was er ook wat loos. Het Amerikaansche leger onder aanvoering van generaal Eisenhouwer was heden vanuit Holland de Duitsche grens overgetrokken en was erin geslaagd op verschillende punten de Rijn over te steken. Leden de Moffen vandaag aan een beetje onverschilligheid ? Wie zal het zeggen, maar wij waren er best mee ingenomen.

Wij hebben allen onze eigen kamers schoongemaakt en waren om half 12 al klaar. Dweilen konden wij niet wegens gebrek aan water, daar er geen druk op de waterleiding stond, maar om 4 uur was er water genoeg, maar toen hoefden wij het niet meer. Eigenaardig was het dat er vandaag in de Betuwe geen schot werd gelost en zich evenmin vliegtuigen of V1's vertoonden. Vooral dit laatste verwonderde ons in hooge mate, daar die monsters van 16 December af dag in dag uit over Arnhem hadden gesnord. Enfin, een rustige Zondag is ook wel wat waard. 's Avonds was er geen één politieke leider in het Lager. Ze hadden een groote vergadering bij den Kreisleiter (de baas van 't zaakje) aan den Velperweg. Wat ze daar bekonkeld hebben zijn we nimmer aan de weet gekomen.

12 Maart. Vannacht heeft het weer eens gevroren. Het was een koude morgen, maar het was mooi weer en overdag was het tamelijk zacht. Wij zijn weer op onze gewone wijze aan het werk gegaan aan het maken van onze "Sper" zooals wij kortheidshalve de barricade noemde. Wij waren nu weer een eindje verder aan den gang dichtbij den Amsterdamschen Straatweg. Om 9 uur zagen wij opeens een groote afdeeling Duitsche artillerie vrachtwagens en cavalerie langs den weg staan. Plotseling stopte het gevalletje want er zaten vliegtuigen in de lucht en daar zijn ze als de dood voor. Ze waren echter zeer ver weg. Als ze hier eens een kijkje hadden genomen hadden ze een goede slag kunnen slaan.

16 Maart. 's Morgens was het nog goed weer, maar 's middags werd het guur en het begon te regenen van jewelste. Wij moesten natuurlijk vanzelfsprekend doorwerken aan de "sper". Ik had met een Rotterdammer 3 vrachten schotten en palen te rijden naar een school waar een andere sper te maken was. Onderweg zeide hij "stop eens even". Wij hielden bij een slagerswinkel die geheel leeg was stil en hij stapte er binnen om te zien of er nog niet wat te organiseeren was. Ja, ja, lezer dit alles geschiedt maar onder auspiciën van het nationaal-socialisme. Ze zeggen er niets kwaad van. Onderwijl stond ik maar in den regen te wachten en dacht "Wat blijft die vrijer toch lang weg, wat zou hij daar toch uitspoken ?". Eindelijk kwam hij eruit en vertelde met een doodleuk gezicht dat hij een brandkast geforceerd had, maar er zat maar een beetje kleingeld in. Ja, ja lezer dat moet men maar gelooven. Wat een schoft hè ? Op den terugweg zat hij maar te vloeken en te razen tegen mij dat het niet gauw genoeg ging. Ik zeide: "Kerel wat scheelt je, als je met je kameraden overhoop ligt hoef je dat niet met je stinkhumeur op mij af te wentelen, ben jij een haartje gek ?". Toen bond hij wel in en zei niets meer.

17 Maart. Het werk in dit stadsgedeelte is klaargekoomen en nu was park Sonsbeek aan de beurt. Het is toch zonde dat al dit mooie natuurschoon aan het vandalisme van den oorlog moet worden opgeofferd. Met karrevrachten werden zware boomen uit de bosschen gehaald, die daar door een ploeg houthakkers uit Velp in dienst bij de O.T. werden geveld. De Zijpendaalsche weg moest over de geheele breedte worden opengebroken en de tegels van het trottoir worden verwijderd. Het heele zaakje werd tegen een hek opgestapeld en de straatsteenen op een hoop gesmeten. De grond werd uitgegraven, meer dan 100 boomen erin gezet, waarover wij 12 dagen hebben gedaan en de sper was klaar. Toen wij 's avonds binnen waren beleefden wij weer sensatie genoeg. Vanuit ons raam in de kamer hebben wij een prachtig gezicht op de Betuwe. Vanavond was het nog prachtiger. Zooiets hadden wij nog niet bijgewoond.

Om 6 uur zagen wij 12 Amerikaansche vliegtuigen aan den rand van de stad boven de Rijnkade in keurige formatie achter elkaar vliegen. Ze doken in een rechte lijn achter elkaar naar beneden en ratelden met hun mitrailleurs dat het zoo'n aard had. Tevens wierpen zij een heele serie bommen uit, hetgeen een geweldig spectakel gaf. Het schouwspel was zeer boeiend. Het was wel een gevaarlijke beweging, maar wij vonden het toch allen erg mooi. Alle loopgraven en stellingen waar wij aan gewerkt hadden, hebben ze platgegooid. Iedere keer kwamen ze terug en steeds maar schieten en bombardeeren. In de stad hebben ze bepaald ook wat geraakt, want even later zagen we een huis in brand staan. Nu ik het toch over brand heb moet ik nog even melding maken van iets dat ik bij mijn Februari overzicht glad vergeten had te memoreeren.

Op zekere avond stond een groot huis vlak tegenover het Lager in brand. De oorzaak was gelegen in het feit dat eenige menschen van ons aan het organiseren waren geweest en wellicht een lucifer achteloos hadden weggeworpen. De onderofficier wien het ter oore was gekomen zeide ons den volgenden morgen … dat wij het maar niet meer moesten doen ! Stel je voor nota bene brandstichting. De Mof die anders zoo gul met zijn straffen is gedroeg zich thans grenzeloos zoetsappig, nu het een huis van geëvacueerde Hollanders betrof. Nu hinderde het niet. Het had maar eens een huis van een N.S.B.er aan de Velperweg moeten zijn, dan had je wel wat anders gehoord.

21 Maart. Reeds eenige dagen is het weer zeer fraai maar met koude ochtenden. Vannacht had het gevroren en het gras en de daken der huizen waren wit. Tegelijk met den intocht der lente draait de oorlogsmachine opeens op volle toeren. Een ongekende activiteit had heden in de lucht plaats, maar te land was het kalm. Het krioelde van Am. flying fortresses (vliegende forten). Er zijn er zeker wel 800 overgekoomen en ze schijnen Berlijn goed getracteerd te hebben. Afweer was er in het geheel niet. Ook de V1 was van de partij. Reeds zeer vroeg in den morgen knetterden de vuurige staartsterren langs de lucht en van 10-12 uur 's middags gingen er ook verscheidene over. Merkwaardig was het dat er van 9-16 Maart zich geen enkele V1 had vertoond. De oorzaak was moeilijk te vatten. Misschien moest er weer nieuwe voorraad worden aangevoerd. Het weer was buitengewoon fraai en overdag zeer zacht. Wat werkt dat plezierig met zulk voorjaarsweer.

22 Maart. Opnieuw fraai weer. Al was de morgen koud, toch had het ditmaal niet gevroren, hetgeen wel heel vreemd mag worden genoemd. Overdag liep de temperatuur tot bijna 70 graden op en hebben wij de jassen uitgetrokken en in ons overhemd gegraven. Er was weer leven genoeg in de brouwerij, nu ook te land. Opnieuw gingen hinderden bommenwerpers over Arnhem naar Duitschland. De V-actie was echter geringer. De Tommy schoot weer met granaten dat het niet mooi meer was. We hoorden ze gieren en uit elkaar ploffen. Men voelt zich tijdens zoo'n schietpartij weinig op zijn gemak, want je weet maar nooit waar zo'n ding terecht komt. In de bosschen vonden we een klandestiene krant die door vliegtuigen was uitgeworpen. Wij lieten deze krant stiekem onder elkaar rondgaan en lazen hem in alle stilte, want o wee als de Duitschers zagen dat wij een dergelijke krant hadden. Het was er een van 20 Maart dus nog vrij nieuw. Blijkens de berichten zaten de geallieerden al een heel eind in Duitschland. Worms en Ludwigshafen waren zelfs al veroverd. Wij stonden stom verbaasd over zulke vorderingen. Er lagen nog wel meer kranten in de bosschen van een paar dagen vroeger.

23 Maart. Ook op deze dag was het weer in één woord schitterend. Zelfs de morgen was ook niet koud meer. De vogels zongen in park Sonsbeek hun blijde morgenzang, de prachtige ribes heesters stonden in vollen bloei en de struiken stonden er half in het groen. Geen windje liet zich hooren. Er waren bij ons een stelletje "schoffies" dat er zijn behagen in vond op deze schoone lentemorgen luidkeels gemeene liedjes te zingen, zoo smerig dat ik ze onmogelijk kan publiceeren. Ik had dit zoo een tijdje in alle stilte aangehoord, doch toen mijn ergernis niet langer kunnen verbergen barstte ik ineens uit: "Zijn jullie menschen, jullie zijn veel gemeener dan de dieren. De vogels daar in dat Bosch vertolken de grootheid van den Schepper, terwijl jullie als z.g. beelddragers Gods allerlei vuiligheden debiteeren". Ik spuug van jullie. Het had blijkbaar doel getroffen want de aardigheid was er opeens af. Ze dorsten er niets meer tegen in te brengen.

's Middags was hij weer voor den bakker. Er kwamen een stel geallieerde vliegtuigen over en begonnen opeens te bombardeeren dat horen en zien verging. Hoeveel bommen er wel niet uitgeworpen werden weet ik niet, maar het waren er heel wat en knap dichtbij.
Wat ze geraakt hebben kwamen wij ook niet te weten, maar raak was het. Het Duitsche afweergeschut kwam ook in actie, maar er is geen een vliegtuig geraakt. Om half 5 zagen wij groote huizenhooge rookwolken boven de stad, maar dat kwam niet van het bombardeeren. Het grote hotel "Royal" op het Velperplein was uit pure baldadigheid door den Mof in brand gestoken. Er was zeker nog niet genoeg kapot in Arnhem. Om 5 uur hoorden we op groote afstand een onafgebroken hevig trommelvuur. Dit was een buitengewoon zware veldslag tusschen Emmerik en Wezel, waarvan de kranten vol stonden en hier duidelijk was te hooren. Nu het lente is moeten wij verbazend lang werken. Om 5 uur moeten wij al opstaan en om 7 uur op het werk zijn, maar het is maar 10 minuten loopen. Om 10 uur mogen wij een kwartiertje uitblazen. Dan is het z.g. "Frühstück-pauze" (pauze voor ontbijt), vervolgens van half 1 tot 1 uur (ook niet lang !) en van kwart voor 4 tot 4 uur. Om 6 uur is het werk ten einde.

24 Maart. Vanavond om 7 uur beleefden wij een angstwekkend moment. Opeens werd de Tommy in de Betuwe zeer actief. De granaten gierden door de lucht en ze openden thans het vuur op … de stad. Wat ze daarmee voor hadden was niet bekend. Ze schoten ongeveer een 20 granaten af welke in de stad met donderend geweld uit elkaar vlogen. Plotseling plofte er een neer op het binnenplein bij de keuken, waarop een geweldige slag volgde en een rookwolk meters hoog opsteeg. Het was maar een klein ding, maar de luchtdruk was zoo groot dat er nog een paar ruiten in de gang sprongen en een luid glasgerinkel weerklonk. In mijn kamer was blijkbaar een splinter door het raam heengegaan want er zat een klein gaatje in het raam. Toen de rookwolk was weggetrokken zagen wij dat dit granaatje een gat van 30M in de muur had geslagen. Het was gelukkig geen zware geweest, maar niettemin waren we toch hevig geschrokken. Daar komt er opeens weer een aangieren met een herrie als de fluit van een spoortrein en slaat met groot geweld tegen het torentje van de St. Anthoniuskerk vlak tegenover het Lager. Het leek wel of de bliksem insloeg zoo'n klap. Deze granaat was zwaarder geweest en had een flink gat in de toren geslagen.

26 Maart. Weinig bijzonders te vermelden, dan alleen iets over het weer, doch neen lezer ik vergis mij even. Er was toch nog iets dat de moeite waard was te vermelden. Toen wij goed en wel aan het werk waren verschenen ongeveer 10 vliegtuigen die opeens begonnen te bombardeeren. Het was niet zoo heel dichtbij, doch ook niet verder dan 2KM. Met ademlooze spanning sloegen wij het schouwspel gade. Toen verdwenen zij weer en zijn wij verder aan het werk gegaan. De dag is verder kalm verloopen. Het weer was betrokken en abnormaal zwoel, ongekend voor Maart. Het leek wel of er onweer zou komen, doch om dezen tijd van het jaar verwacht men zooiets toch nog niet. Toen wij evenwel om 7 uur aan het eten waren pakte zich boven de Betuwe een zeer donkere lucht samen. Felle bliksemflitsen schoten door de wolken en er barstte een kort maar hevig onweer los, vergezeld gaande van een zomersche plas regen. Het frischte er heerlijk van op. Het is dit jaar wel een al te voorbarige zomer.

27 Maart. Het is vannacht weer tamelijk rumoerig geweest thans op het land. In de lucht was het stil. Misschien is er een heel enkele V1 overgekomen, maar zelfs aan die duivelsche dingen went men. De Engelschen schoten een paar granaten in de Betuwe af, doch ditmaal niet op de stad. Opeens hoorden wij echter in de stad een vreeselijke klap. Het geleek wel of er een zware bom viel. Het Lager daverde. Vliegtuigen of V1's waren er toch niet te bekennen op dit moment. 's Morgens vroegen wij aan de Duitschers wat die ervan dachten. Zij gaven als hun meening te kennen dat het en bijzonder zware brisantgranaat geweest was die de Engelschen in de stad hadden geschoten. 't Is me tusschen 2 haakjes een mooi presentje, neem me niet kwalijk ! Wat was het een fijne morgen op Sonsbeek. Wat zag de natuur er frisch uit na het onweer van den vorigen avond. Het was wat nevelig en betrokken, doch uitermate zacht en 's middags was de lucht weer strak blauw en de zon zette alles in voorjaarspracht. Het groen vloog a.h.w. uit de boomen.

28 Maart. Gisteren zijn wij op Sonsbeek klaargekomen, en vandaag moest er een nieuwe barricade worden gemaakt achter het station vlak bij den Bovenbergscheweg. In het schaftkwartiertje is het wel gezellig, dan wordt er koffiesurrogaat gezet echter zonder melk, doch dat smaakte ook wel. In tijd van oorlog moet men het maar niet zoo nauw nemen. Op de hoeken van den straat zag men overal Feldgendarmes staan om ervoor te waken dat er toch vooral niet door ons werd georganiseerd uit de huizen. Er moest ook wat voor den Mof overschieten.

29 Maart. Vandaag was het alweer onzen laatsten dag dat wij aan deze sper zouden werken. Het weer was koud en stormachtig en af en toe regende het. Onze baas was een zekere Franz. Zijn achternaam kenden wij niet, maar hij was een specialiteit in het organiseeren en kattenschieten. Er liepen in de verlaten stad nogal wat katten rond. Hij liep de heelen dag met een dubbelloops jachtgeweer op zijn nek en als hij een dakhaas zag legde hij aan en pang, daar schoot hij er een morsdood. Hij nam hem mee naar het Lager en … Hannes ging lekker de pot in ! Ze aten hem onder elkaar op. Je moet er maar van houden, maar mij niet gezien hoor ! In Bussum maakten ze er ook al jacht op en verscheidene katten waaronder ook de onze zijn op geheimzinnige wijze verdwenen. Franz was overigens slecht te spreken want er gingen vandaag een stel politieke leiders die van hun vak boer waren naar Duitschland terug om het economische leven daar weer op gang te brengen, maar onze Franz en zoovele andere "politische Leiter" waren geen boer, ergo moest hij achterblijven.

Er kwam een lange Duitsche trein het station binnenrollen; een ongewoon gehoor. Sinds December had er geen één trein meer gereden en alles was dood en verlaten. Deze trein moest een deel onzer bazen naar de Heimat terugbrengen. Even later zagen we een stelletje Duitsche spoormannen door de stad wandelen. Om 12 uur was het schaften en onderwijl was Franz op een reuzenmanier aan het organiseeren getogen, zeker om zijn chagrijnige buien te verzetten. Hij liep het eene huis in en het andere uit en had tenslotte een heele vracht bij elkaar. 't Is wat moois. Na het schaften gingen wij weer aan de arbeid, maar het vlotte bij mij niet erg. Het zand moest over een schutting van 1.80M worden geworpen, maar ik gooide herhaaldelijk te kort, zoodat het ernaast viel. Ze namen het mij nogal niet kwalijk, daar ik zei dat ik wat rheumatisch was. Het was maar een smoesje want ik leed nooit aan rheumatiek, maar ik voelde me erg slap en ik moest toch wàt zeggen.

Tegen den tijd dat wij weggingen vernamen wij dat er hedenmiddag te Velp (een plaats die niet geëvacueerd is) een ontzettend ongeluk was gebeurd. Er was een V1 op straat gevallen midden tusschen het publiek, waarbij 16 dooden waren te betreuren en vele huizen waren verwoest. Toen wij 's avonds op de kamer waren hoorden wij een geweerschot in den tuin achter ons. Wij keken het raam uit en zagen een groote zwarte kat hard wegloopen. Franz was weer op de kattenjacht en had de eerste keer mis geschoten. Een tweede schot weerklonk en nu was hij raak. Poes was er geweest. Franz raapte hem op, pakte hem bij zijn nekvel en liep er mee weg alsof hij een haas had. Alleen de lange staart die heen en weer zwiepte deed niet bepaald haasachtig aan.

30 Maart. Heden moesten wij werken aan een groote sper aan den Rijksstraatweg in de bosschen waar wij ook in den afgeloopen winter hadden gewerkt. Hij was al ten deele klaar, daar anderen er al aan hadden gewerkt. Om 10 uur maakten wij een uiterst spannend moment mee. Plotseling verschenen er 10 Am. vliegtuigen. Ze vlogen over de boomen heen en wij konden duidelijk de groote witte sterren op de vleugels zien. Ze waren nauwelijks over ons heengegaan toen ze op een vreeselijke wijze begonnen te bombardeeren. Wij zagen de bommen er zoo maar uitvallen, heele series. Het was op een afstand van nauwelijks 1500M. Ze hadden het op den Kattenberg gemunt. Daar moet nogal wat afweergeschut gestaan hebben en dit gooiden ze nu even in elkaar. Toen ze weg waren kwam er weer zoo'n stelletje vliegtuigen aan en weer was het van 't zelfde laken een pak. Daarna was de pret uit. Inplaats van 6 uur was het werk al om half 5 afgeloopen, zeker omdat het Goede Vrijdag was. Het was anders een echte oorlogs Vrijdag.

's Avonds hoorden wij van een ploegje dat in de buurt van de Kattenberg had gewerkt dat er 50 Duitschers waren gedood bij dit bombardement en tevens dat ze een villa plat in elkaar hadden gegooid. Om half 8 ben ik nog naar den kerkdienst geweest alvorens ik den dag besloot. Het was de laatste dienst geweest die wij onder het Duitsche regime hadden bijgewoond, hoewel wij er geen flauw idee van hadden.

31 Maart. Vanmorgen zijn wij met de sper a.d. Rijksweg klaargekomen. Wonderbaarlijk was het dat wij al om 11 uur naar het Lager teruggingen. Zouden de Duitschers al met het duistere besef hebben rondgeloopen dat ze den oorlog zouden verliezen en al dat gespit van ons nutteloos was ? Het had er alle schijn van. Er vlogen weer een paar V1's over. Eén ervan sloeg weer af en in de verte hoorden wij een klap. Dit was de LAATSTE V1 die over ons land is gekomen. Nooit zouden wij meer door die dingen worden verschrikt. De Tommy was plotseling uit de Betuwe weggetrokken en er werd geen schot meer gelost. Merkwaardig stil was het, maar het was de stilte vóór den storm. Het weer was koud en stormachtig, maar gelukkig droog.

1 April 1945. 1e Paaschdag. Voor den Mof heeft deze bij uitstek Christelijke feestdag geen waarde, omdat ze geen "Schnaps" kunnen zuipen en Weihnachtstollen kunnen vreten zooals op Kerstmis. Excuseer me de minder parlementaire uitdrukkingen die ik hier neerschrijf lezer, maar het zijn ook geen menschen die ik hier op het oog heb maar dieren die alle Christelijkheid hebben afgeschud om over menschelijkheid maar heelemaal niet te spreken, want god Hitler was hun een en al. Hoogere begeerten kennen die varkens niet, dan eten, drinken, slapen en vechten. Wij moesten ook "arbeiten". Ik verwens het heele nazi-systeem. Is me dat een moraal ? Om 8 uur gingen wij in storm en regen naar den weg bij het Openlucht-museum a.d. Schelmscheweg waar wij sinds eind November niet meer waren geweest. Er stond een kolossale sper van honderden boomen en deze moest worden afgemaakt. Bij iedere regenbui die er viel mochten wij wel even schuilen aan de overkant. Had ik geweten dat wij daar nooit meer zouden terugkomen dan had ik mijn hoogste lied uitgezongen, maar niets wat erop wees.

De Tommy had de Betuwe verlaten en was deels Duitschland en deels de Achterhoek ingetrokken en liet Arnhem links liggen, maar …plotseling was in den namiddag van dezen dag een geweldig leger van Canadeezen over de Duitsche grens gekomen en loste de Tommy in de Betuwe af. Wat gebeurde er dien dag ontzaggelijk veel. Winterswijk, Aalten en Doetinchem waren bevrijd. Ongetwijfeld goed nieuws, maar wij zaten hier nog maar met onze gebakken peren. Om half 1 was het werk afgeloopen en zijn wij dwars door park Sonsbeek op het Lager aangestevend. Het was een heele tippel, maar de regen had opgehouden al woei het nog hard. Het verder verloop van dezen Zondag was rustig.

2 April. Wat is het vannacht rumoerig geweest. Er is verbazend geschoten in de Betuwe door onze vrienden de Canadeezen. Zoo erg had de Tommy het althans 's nachts nog niet gemaakt. Wij hadden er geen flauw besef van dat ze een offensief waren begonnen. 's Morgens stonden wij om 7 uur aangetreden op het plein en woedde een hevige storm. Opeens hoorden wij de granaten weer gieren en inslaan. Het leek wel of ze in de buurt neerploften. Van schrik zijn wij onder de luifel gaan staan en hebben daar de bui afgewacht. Vandaag stond er op het programma dat wij naar Westervoort zouden gaan om te werken, 2 uren loopen. Daar ging nu onze Tweede Paaschdag. Wij gingen langs Sonsbeek, dwars door de stad, de Boulevard, Johan de Wittstraat die eindeloos lang leek en eindelijk waren wij buiten Arnhem. Het begon flink te gieten en de regen striemde ons in het gezicht, want het was ook nog behoorlijk koud. Toen we zoowat een kwartiertje geloopen hadden hield de regen op, maar wij waren nog lang niet aan het einddoel. In de Betuwe rechts van ons was het niet zuiver. Af en toe zagen wij in de lucht granaten uit elkaar barsten waarbij zich een zwarte rook ontwikkelde.

Toen wij ongeveer 300M van de spoorbrug bij Westervoort af waren kwam plotseling rechts van ons een granaat met hevig gegier aanvliegen en plofte pardoes in een weiland neer op een 150M afstand, een groote wolk achterlatend. Wat een schrik maakte zich van ons meester. Ik ver … het zeide één van ons, ik ga niet verder. Ik heb thuis in Rotterdam vrouw en kinderen, maar de Moffen drongen er maar op aan. We moesten. Met den dood in de schoenen gingen wij verder langs de gevaarlijke plek. Veilig en wel bereikten wij eindelijk de spoorbrug. Het was zeker een verdwaalde geweest, zoo redeneerden wij. Gelukkig bleef het voorloopig bij die eene granaat. Wij mochten even uitrusten, wij zaten er kwalijk 5 minuten of de hel brak los. Vreselijk lezer is het wat wij beleefd hebben. Niet minder dan ongeveer 60 granaten van zwaar kaliber kwamen gierend en fluitend naar ons toe en ploften met groot geweld in een weiland nauwelijks 100M van ons af of sloegen tegen den ijzeren spoorbrug te pletter. Groote rookwolken stegen omhoog bij iedere treffer. Wij drukten ons tegen den spoordijk aan van angst. Ik kan niet zeggen lezer wat er in mij omging. De zenuwen hadden me danig te pakken.

En onderwijl liep die van den duivel-bezeten grammophoonplaat met zijn stomme nationaal-socialistische malle hersens maar te schreeuwen "los, los", maar niemand nam er notitie van. 't Was nogal wat lekkers om erdoor te gaan. Eindelijk kwam ook hij met zijn staart tusschen de beenen terug. Die Hollanders zijn wel goed maar niet gek. Over Arnhem gierden in de verte de granaten ook al even erg als bij ons al wilde het ons voorkomen dat het aantal minder was. Bij ons was het vuur van den Canadees gemunt op de Duitsche stellingen. Men kon uit alles merken dat ze proberen wilden de IJsel over te steken, want wij zaten vlak bij die rivier. Eindelijk hield het vuren op en zijn wij sluipstaartend naar dit weiland gegaan. Er waren vele soldaten die daar artillerie hadden opgesteld en verder stonden er eenige tenten. Wij moesten eenmansgaten graven, ieder maar 2 stuks, een uitermate gevaarlijk werkje. Wij stonden daar blik en bloot. Als ze weer eens zouden beginnen waren wij onherroepelijk de sigaar, maar gelukkig is het kalm gebleven. Om half 1 waren wijklaar en mochten in een boerenschuur vlakbij de steenfabriek "de IJsel" eten. Het weer was geheel van de kook.

Er viel opnieuw een zware plasregen, maar om 1 uur was het droog. Nu moesten wij nog een uurtje in die taaie kleirommel graszoden steken om de gaten te camoufleren voor eventuele vliegers. Om 2 uur mochten wij inrukken, hetgeen een extra meevallertje was. Het was zeker een soort tegemoetkoming geweest. Wij werkten voor de Weermacht en deze tak van dienst is soepeler dan de O.T. of S.S. Het was voor mij persoonlijk de laatste keer geweest dat ik een schop in mijn handen had gehad en gespit; voor de anderen echter niet. Ik kom daar nog nader op terug. Wij hebben nog even uitgerust bij den spoorbrug die vandaag zijn galgenmaal had. De volgende dag is hij opgeblazen. Dit is nu al de tweede keer dat ze dien brug hebben laten springen. De eerste keer is deze door ons opgeblazen op 10 Mei 1940 toen een Duitsche pantsertrein erover ging (Zie het dagboek van die datum). Daarna is de brug weer hersteld en thans bliezen de Duitschers hem weer op opdat de geallieerden er geen gebruik van zouden maken. Op den terugweg klaarde het weer geheel op en scheen de zon, hoewel het nog wel erg winderig was. Om 4 uur waren wij binnen.

3 April. Een verschrikkelijke nacht hebben wij doorgebracht. Om ongeveer 11 uur 's avonds van 2 dezer werd Arnhem beschoten. De geheele stad lag onder vuur, ontzettend lezer. De eene granaat voor en de andere na gierde om en over ons heen. Wij hebben ons beddengoed naar beneden gehaald en zijn in den schuilkelder gaan slapen. Met groote hevigheid ploften de granaten op straat of tegen de huizen. Het ging zoo den ganschen nacht door. Ik weet niet hoeveel ze er afgeschoten hebben, maar ze waren niet te tellen. En te midden van die hel kwam 's nachts de T.N. uit Bussum nog brieven en pakjes brengen. Hulde aan dezen dienst die zich aldoor zoo correct heeft gedragen en alle gevaar hadden getrotseerd. T.N. je hebt je taai gehouden ! Ze zijn vroeger al eens onderweg door vliegtuigen beschoten, waarbij de auto onklaar en de chauffeur licht gewond werd, maar ondanks dit alles zijn ze toch door blijven rijden. Het was voor het laatst geweest dat ik een pakje en brief van huis had ontvangen, want de T.N. reed niet meer. Het werd te gevaarlijk en … het was ook niet meer nodig, maar daar had niemand eenig begrip van. Tegen den morgen bedaarde de granatenstorm.

Ik mocht vandaag binnenblijven tegelijk met een paar andere kameraden, omdat ik mij had gemeld voor den dokter want ik had opeens zulke dikke voeten gekregen dat ik haast geen schoenen aan- of uit kon trekken. Ik moest een beetje de gangen aanvegen met de anderen, enfin het was een licht baantje. Om 11 uur begonnen ze weer bar te schieten in de Betuwe, maar het vuur was verder weg dan vannacht. Ik dacht zoo bij mijzelf te oordeelen naar de richting waarin geschoten werd "Dat kon daar in Westervoort waar wij gisteren waren wel eens weer raak zijn". Ik ben maar blij dat ik niet meegegaan ben. Om half 1 kwam de heele zaak al binnen. Ik zeg "Wat hebben we nou ?" Onder groote opwinding vertelden ze mij dat het in Westervoort bij die spoorbrug weer vreselijk was toegegaan. Er waren nog meer granaten afgevuurd dan gisteren, en ze vlogen hun letterlijk om de ooren, maar alles was wonder boven wonder goed afgeloopen. Ze behoefden er niet meer heen van de Weermacht. IK heb mij vanmiddag door den dokter laten onderzoeken en deze constateerde een heel lichte hartaandoening, vandaar die dikke voeten. Hoewel deze dokter geen N.S.B.er was durfde hij niet de volle waarheid te zeggen.

Het was waar dat die voeten er eenigszins het gevolg van waren, maar de hoofdoorzaak lag ergens anders. In bijzijn van de Lagerführer kan hij moeilijk zeggen dat het te weinige en daarom te weinig gehalte aan vitaminen er een leeuwenaandeel in hadden. Dat vertelde mij eenige maanden later eerst de dokter in Bussum. Ik mocht niet meer spitten, maar uitsluitend lichte arbeid verrichten. Dus niet meer eruit in weer en wind. Ik vond het minder plezierig dat ik niet heelemaal in een gezond vel stak, maar aan den anderen kant was ik blij dat ik er met zoo'n koopje afkwam.

4 April. Vannacht was het nog verschrikkelijker dan de voorgaande. Vanaf 11 u 's avonds (de 3e) is er zonder ophouden op de stad en omgeving gevuurd. Ze schoten in tijd van 10 minuten meer dan 200 granaten af. In paniekstemming holden we weer naar beneden de schuilkelder in. De orkaan van kanonskogels loeide door de stad en als hevige donderslagen ploften ze op straat neer. Het was een onbegrijpelijk wonder dat toen tegen den morgen eindelijk het vuur bedaarde ons Lager nog ongeschonden was gebleven. Van slapen kwam zoo goed als niets, maar toch overdag maar "arbeiten". Je zou ze toch die onmenschen ! De Tommies zijn er plotseling vannacht in geslaagd bij Westervoort door te breken in vereeniging met het Canadeesche leger en zijn de IJsel overgestoken waarna ze door trachtten te stooten naar Zutfen. De opgeblazen spoorbrug heeft hen niet kunnen beletten erdoor te komen. Met groote handigheid hebben zij onder dekking van hun eigen granaatvuur een brug over den IJsel geslagen en zijn zoo met hun heele zaakje erover getrokken. Om 10 uur 's morgens begon het vuren opnieuw. Ik had binnendienst maar het was toch een angstig gehoor. De granaten gierden er weer lustig op los.

Om ongeveer half 12 toen ik op één der bovenste gangen was kwam opeens een groote granaat met hevig gefluit aanzetten en vliegt pardoes ons Lager binnen. Een ontzettende slag weerklonk. Het leek wel of ik het heele Lager op mijn nek zou krijgen. Hevig verschrikt holde ik alle trappen af naar een schuilkelder waar inmiddels de andere kameraden al een goed heenkomen hadden gezocht. Ook onze vriend Franz was erbij. Na er een kwartier in doorgebracht te hebben bedaarde de bui en zijn wij er weer uitgegaan. Ik maakte mijn onderbroken werk verder af. Tegen 12 uur liep ik met een emmer vuilnis buiten op weg naar de vuilnisbelt achter het Lager, en daar begon het spel opnieuw. Ze gierden weer met woest geweld door de stad en ik ben languit achter een vuilnishoop gaan liggen en heb daar de bui afgewacht. Toen ik weer terug was vernam ik dat de granaat beneden was ingeslagen en een gat van 4M lang en 4M breed had gemaakt en de gehele apotheek mitsgaders derzelver inhoud aan spaanders had geslagen. Het was dit keer een zware knaap geweest. Toen ik om half 1 op mijn kamer zat te eten hoorde ik voor het eerst van mijn leven een zwaar trommelvuur in de Betuwe tusschen Arnhem en Westervoort.

Een groot geluk is het dat het niet op Arnhem was geweest. Het is het aller zwaarste soort artillerievuur dat er bestaat. Nu weet de lezer nog niet veel als ik niet vertel wat trommelvuur is. Het werd o.a. door het Sovjet-leger aan het Oostfront gebezigd bij een aanval op Rowno, een stad in Polen. Er worden zooveel kanonnen tegelijk afgeschoten dat het als het ware een roffel vormt. Men kan er wel bij in de maat loopen. 's Middags had ik met een paar kameraden een eigenaardig zaakje op te knappen. Er waren menschen geweest die drosplannen hadden. Ze hadden hier en daar een fiets georganiseerd en in het Lager gesleept om bij de eerste de beste kans de beenen te nemen, omdat het hier niet meer om uit te houden was. Het haalt overigens weinig uit want onderweg wordt men toch aangehouden. De Lagerführer had er de lucht van gekregen en gaf nu aan een fietsenmaker opdracht om alle fietsen zijnde ongeveer 40 in getal onklaar te maken. Met een zware hamer sloeg hij alle spaken van voor- en achterwielen stuk en moesten wij al die gehavende fietsen beneden in een zaak opbergen. Om 4 uur was het werk al af n.l. het spitten en kwamen allen binnen met een ontstellende mededeeling.

Ze waren aan het werk onder het Zijpendaalsche spoorwegviaduct vlak bij het station bezig een sper te maken Door onnaspeurlijke oorzaken waren de geallieerden hiervan op de hoogte gesteld, misschien door vliegtuigen of spionage, maar hoe het zij, zij vuurden vanuit de Betuwe een serie granaten erop af. Onze kameraden werden er onverhoeds door verrast en konden ze niet hooren aankomen doordat er nogal wat wind stond. Deze schietpartij eischte 1 doode en 4 zwaar gewonden, waarvan er nog een 3 dagen later overleed. Het waren een Bussummer woonende in de Koopweg dicht in de buurt waar ik woon en een 4 tal Rotterdammers. De vader van den Bussummer was ook in Arnhem aan het werk en heeft extra verlof gekregen om het schrikkelijke nieuws aan zijn vrouw te vertellen. De grammophoonplaat liep als een Lord Wanhoop met zijn handen naar zijn hoofd grijpend heen en weer en riep maar: "Was müssen wir anfangen, ist hier kein Arzt ?" (Wat moeten wij beginnen, is hier geen dokter ?). Ergens anders in de stad was ook een vreeselijk ongeluk gebeurd n.l. op den Velperweg.

Een slagersjongen uit Velp die daar op een bestelfiets reed werd door een aan suizende granaat met fiets en al verpletterd en was op slag dood. Ik ben er een 5 dagen later langs gekomen en toonde men ons de plek aan waar het gebeurd was. Ik heb 's middags mijn laatste pakje dat ik van huis per T.N. had ontvangen van het postkantoortje in het Lager afgehaald. Er zat nog een flinke lange brief bij in ook. Dit was de laatste keer dat ik uit Bussum nieuws heb gehoord, want de T.N. vertikte het om zoo'n risico te loopen met die schietaffaire. Er gingen vandaag geruchten dat wij het Lager zeer binnenkort zouden verlaten omdat het den Moffen hier ook te gortig werd. Wij zouden nu onze intrek nemen in de Oranjeschool a.d. Thomas à Kempislaan dichtbij de Velperweg, omdat het daar rustiger was. Inderdaad werd dienzelfden middag de keuken gedeeltelijk ontruimd.

5 April. Vandaag was het de gewichtige dag dat wij zouden gaan verhuizen. Wij hebben vannacht nu eens goed geslapen, daar het tamelijk kalm was. Het weer werkte ook al niet mee daar het regenachtig en guur was. De menschen die binnendienst hadden zooals ik genoten het voorrecht om het eerst te gaan. Wij zouden met paard en wagen worden afgehaald om half 3. Ik heb al mijn beddengoed en spullen bij elkaar gepakt. Nog even heb ik de gang wat bijgeveegd en heb van een gedeelte van mijn kameraden afscheid genomen omdat die naar de St. Leonardusschool, een Roomsche school a/d Rosendaalscheweg zouden gaan. In één school kon alles niet worden ondergebracht. Om ca half 3 kam de wagen voor. Wij laadden onze spullen op en daar gingen wij. Nog eenmaal wierp ik een breede blik op onze gevangenis, want veel beter was het niet geweest en toen werd een belangrijk stuk geschiedenis van mijn leven afgesloten. Het weer was zeer ongunstig. Het regende dat het goot en daar stonden wij nu op den wagen te verregenen. Het ging door Sonsbeek heen stapvoets en na een goed halfuur stopte de wagen voor de school a/d Thomas à Kempislaan. Wat was het hier vredig. Wij waren nu in een wijk beland waar alle huizen nog intact waren. Geen ruit was er kapot. Wat deed dat weldadig aan dat alles nog heel was, maar … uit die huizen is alles weggeorganiseerd !! Wij maakten kennis met onze kameraden uit Zeist en nestelden ons heel genoeglijk in ons nieuwe verblijf. Hoe lang zouden wij daar nu weer moeten zitten, dachten wij, maar de oorlog schoot goed op, dat was een ding dat zeker was. 's Avonds kwam de Lagerführer uit het Diacon. Huis op de kamer en betaalde ons een achterstallige week loon uit. Ik zat nu knap in mijn contanten, wel F 400,- waarvan ik in den loop der tijden verreweg het meeste nog naar huis heb gestuurd. Ik moest zelf ook wat overhouden en dit blijkt een wijs besluit te zijn geweest, want ik heb terdege geld noodig gehad.

6 April. Wat is het vandaag rustig geweest. Wij hebben geen enkel schot gehoord. Of er niet geschoten is, is een tweede. Om 7 uurwas het hier direct al pap eten. Zoo'n royaliteit waren wij heelemaal niet gewend. De Zeistenaars hadden n.l. een groote hoeveelheid rogge georganiseerd en dit aan de keuken gegeven. Daar kookten ze nu pap van en het was niet zooals bij ons, wanneer er wat georganiseerd was dat de één alles en de ander niks kreeg, neen alles werd gemeenschappelijk verdeeld. Wij deelden nu ook in die zegeningen. Toch aardig van die lui. Wij hadden het erg gemakkelijk dat wil zeggen degene die lichte dienst hadden zooals wij. De anderen moesten er natuurlijk graven en spitten maar waren toch om half 5 al klaar. E waren nogal wat boeken te lezen en daar doodden wij onzen tijd maar mee.

7 April. Het is vannacht ook nogal tamelijk rustig geweest, hoewel er werd beweerd dat er eenige granaten waren afgeschoten, maar het was toch van geen beteekenis, want ik heb er niets van gehoord. Het was zeer fraai weer maar de wind was koud, echt zooals het in April kan zijn. Ik heb met eenige kameraden een heel gezellige wandeling gemaakt naar den dokter a/d Velperweg. IK moest daar een verklaring voor den Lagerführer halen dat ik niet behoefde te spitten. Hij was echter niet thuis, maar enfin mijn gang was geen doktersgang, al was het wel een gang naar den dokter. 's Middags hoorden wij in de verte in de Betuwe weer een serie granaten gieren en neerploffen, maar het duurde niet lang. 's Avonds om 6 uur kregen wij alweer pap plus ons middageten. Het was hier een goed kosthuis. Om 7 uur kwam de dokter zelf op bezoek en behoefde ik er dus niet meer naar toe, zoodat ik de verklaring gauw te pakken had.

Om half 8 kregen wij opeens instructies dat wij de school waar wij slechts 2 dagen in hadden gezeten weer moesten verlaten en 100M verder naar de St. Leonardusschool verhuizen waar onze andere kameraden zaten, terwijl zij op hun beurt weer naar de St. Jansschool moesten, in een straat vlak er achter. Die Moffen hebben heel geen rust meer in hun … vul maar in lezer. 's Avonds 8 uur namen wij onzen intrek in de nieuwe school.

8 en 9 April. Een rustige Zondagmorgen brak aan. Het weer was betrokken en zeer koud, hoewel het niet had gevroren, maar tegen 12 uur de zon er door en werd het schitterend weer en beduidend zachter. Ik heb met een kameraad den geheelen morgen water gehaald met emmers op een wagentje, maar we hebben gruwelijk de lijn getrokken. Mijn kameraad geloofde het wel en ik ook. Wij hoorden op zeer grooten afstand aanhoudend kanongebulder, maar het was moeilijk uit te maken waar het was. Hier was het zeer rustig. Er waren sensationele berichten door ons opgevangen. Coevorden was bevrijd en bijna de geheele Achterhoek, terwijl in Deventer zwaar werd gevochten. Om 3 uur kregen wij plotseling bericht dat wij de school moesten verlaten. Ook al de andere scholen plus "Vredeshof" waar 400 van onze kameraden sinds eind October 1944 hadden gezeten kregen dezelfde opdracht. De heele zaak moest Arnhem verlaten.

Ik zou deze stad in navolging van de bekende Engelsche theoloog Bunyan met recht kunnen noemen de stad "Verderf". Wij moesten naar Loenen, een dorp tusschen Apeldoorn en Zutfen en meer dan 30KM hier vandaan. Hoe moest dit nu gaan met mij, Ik die zoo slecht kon loopen. Na lang over en weer gepraat kon ik van een mijner kameraden een fiets ter leen krijgen, maar natuurlijk zonder banden. Hij had er last van omdat hij een handwagen moest voortduwen waarin van 3 menschen bagage inzat, de mijne incluis. Nadat wij geruimen tijd op de menschen van "Vredeshof" hadden gewacht gingen wij om 8 uur eindelijk op stap. Wat een ontzaggelijk aantal menschen bewogen zich op dien schoonen voorjaarsavond langs Arnhem's straten. Wij liepen langs den Apeldoornscheweg waar wij sinds 13 November niet meer waren geweest.

Nog eenmaal zagen wij achterom en genoten van een overweldigend schoon panorama van Arnhem en de Betuwe. De stadstoren stak als een lang potlood boven de verwoeste huizen uit. Vaarwel stad Verderf, wij hopen thans een nieuwe toekomst tegemoet te gaan. Wij liepen een schier eindelooze boschweg af, totdat we eindelijk halt hielden om een uur of 9 bij een huisje,

Einde schrift 2 begin schrift 3, dat ook netjes is geschreven maar in moderner Nederlands.



dat nog op de grens van Arnhem lag. Wij hebben daar een heele tijd uitgerust en zijn toen weer opgekrast. Het werd hoe langer hoe eenzamer. De zon neigde ter kimme en goot haar laatste stralen over Bosch en heide. Wij kwamen langs een paar schaapskooien. Het gehucht waarin deze zich bevonden heette Woeste Hoeve en behoort tot de gemeente Apeldoorn, al ligt het er mijlenver ver vandaan.

Nadat wij door dit moordenaarshol (berucht vanwege de terechtstelling van 117 van onze onschuldige landgenoten die als gijzelaars voor de aanslag op Rauter hadden gediend op 8 Maart j.l.) heen waren,

kwamen wij op een kale vlakte, niets dan hei. Het werd behoorlijk koud. Wij zagen nu ook meteen wat er in de verte op grote afstand aan de hand was. In oostelijke richting zag men vuurverschijnselen, gevolgd door een aanhoudend dof en zacht gedonder. Dit kon niet anders dan een zwaar gevecht aan de IJsel zijn, maar het was zoals gezegd ver weg.
In westelijke richting zag men felle lichtflitsen, doch dit was minder duidelijk wat dit te beduiden had, want daar waren geen geallieerden. Het zat in de richting Ede en schoten werden niet gehoord. Het werd gaandeweg donkerder en het zal zo ongeveer 10 uur zijn geweest en nog waren wij bij lange na niet aan het eind. Urenlang liepen wij maar door bos en hei en kwamen geen levende ziel tegen. Tenslotte kwamen wij tegen middernacht langs wegen met aan weerszijde zware bomen en iets verderop grote bossen. Het was nu vrijwel pikdonker. Foei wat een zwerversleven en waartoe dit alles ! Wat hadden die Moffen toch in feite aan ons als burgers. Dachten die idioten nu werkelijk, dat ze met dat handjevol mensen die ze maar vasthielden de oorlog nog konden winnen ? De logica is bij het nazidom ten enenmale zoek.

9 April. Toen het 1 uur was hielden wij eindelijk halt bij een grote boerderij. Er moest een deel van onze mensen worden ondergebracht en dat vorderde heel wat tijd, temeer daar de Duitsers nog druk bezig waren met strorijden. Wij waren nu onder de gemeente Loenen, gelegen tussen Apeldoorn en Zutfen. Eindelijk kwam er schot in de zaak nadat wij meer dan 3 kwartier hadden gewacht en stilgestaan ! Ik viel haast om van slaap. Een gedeelte van ons volk werd nu in die boerderij gestopt en de rest waaronder ook ik ging verder en maar weer lopen jongens ! Om half 3 hielden wij halt vlak voor een grote cartonnagefabriek a/h Apeldoornse kanaal. In het stikdonker moest er voor ons een plaatsje op zolder worden ingeruimd. Men zag de Moffenbazen met kaarsjes over de zolder lopen. Wat een onbeholpen boel. Ze gaven net zoveel licht als een brandende lucifer in en schouwburg. Eindelijk te langen leste gingen wij een trap op, totdat wij op de zolder waren aangeland en konden wij onze dodelijk vermoeide ledematen op het stro, waarvoor inmiddels was gezorgd, uitstrekken. Wij hebben dan ook geslapen als een os.

Na het ontwaken hadden wij de hele dag vrijaf en hadden niets te doen. Een ieder stond maar op wanneer het hem goeddacht. Als ik mij niet vergis was het zo ongeveer 11 uur voordat ik opstond. Ik had met recht een gat in de dag geslapen. Ik wilde nu ook de plaats bij daglicht zien, maar het was vandaag een kleine wereld, want er hing een potdikke en koude mist en bovendien had het ook nog gevroren. Een grote vooruitgang was het, dat men hier overal vrij kon rondlopen, inplaats van zoals in Arnhem maar steeds in het Lager blijven. Te organiseren was hier niets, daar de plaats bewoond was, en iets kopen kon men evenmin, daar hier alles totaal uitgemergeld was, niet het minst door de invasie van evacués uit Arnhem, die tijdens de beschieting de latten hebben moeten nemen en over grote delen van het land waren uitgezwermd. Zelfs geen doosje lucifers was er te bemachtigen. Daar wij nogal honger hadden, gingen wij de Duitse keukens nog wel eens afstropen. Eens kwam ik bij een paar Duitsers, waar ik een groot stuk brood en 2 borden soep kreeg, terwijl zij tevens nog een gezellig praatje maakten. Deze lui waren tenminste nog niet zo kwaad.

Als ik die keukens afliep (of moet ik zeggen afschooide), gebeurde het maar zelden dat ik niets kreeg. Er is blijkbaar onder die Duitsers ook wel goed volk bij. Het Hitlerregime deugt niet, maar men kan niet alle Duitsers over één kam scheren. Met de Weermacht viel in doorsnee nog wel te boeren, maar de grootste schobbejakken zaten onder de S.S., Feldgendarmerie, S.D. (Sicherheitsdienst) en grüne Polizei. Men mocht in Loenen ook weer niet te ver lopen, want alles was afgezet door de Feldgendarmerie en dat waren kwade loeders. Er verschenen een paar Amerikaanse vliegtuigen, die koers zetten naar Zutfen en deze werden duchtig beschoten door het z.g. "vierlinggeschut". Dit zijn afweerkanonnen met 4 lopen. Om 12 uur trok de mist op en werd het prachtig weer. Men kon nu duidelijk de plaatsen Eerbeek, Voorst, Klarenbeek en Zutfen onderscheiden. In laatstgenoemde 2 plaatsen alsmede te Olburgen bij Dieren werd vandaag verwoed gevochten en de Duitsers boden taaie weerstand. Wij hebben een mooie wandeling door de plaats gemaakt. Het is een fraai dorp met aan de buitenkant statige herenhuizen.
Verder vindt men er nog boomgaarden, die in volle bloei stonden, wel erg vroeg dit jaar. Hier in Loenen waren alle mannen van 17-60 jaar gevorderd om te graven en spitten, maar ze mochten in hun eigen woonplaats blijven en 's avonds naar huis gaan. Onze kameraden die zware versperringen moesten maken kwamen doorgaans ook niet laat thuis, meestal om half 5. Toen wij uitgewandeld waren, hebben wij bij een bakker nog een broodje los weten te krijgen tegen de prijs van 75 cent. 's Avonds gingen wij nogal eens naar een café toe bij een draaibrug gelegen, ongeveer een half uur gaans en kochten daar dan een kop bouillon. Ze was naar ons idee nogal duur, 50 cent, maar het was goed spul. Wij mochten ook heus wel wat hebben om aan te sterken, want het middageten was verbazend slecht. Haast alle dagen aten wij snijbonen in water, want aardappelen waren er niet. Ook de burgers moesten het daar mee doen. Het is hier economisch gezien ongekend slecht. Dit is aan 2 dingen toe te schrijven, n.l. aan de Duitse plunderingen en het grote aantal evacués, dat zich over de gehele Veluwe heeft verspreid.

10 April. Het heeft vannacht gevroren en aan de slootkanten was alles berijpt, maar het werd opnieuw een prachtige dag. Vanmorgen hebben wij de zolder opgeruimd en hadden 's middags vrijaf. Er werd verbazend geschoten bij Zutfen en de ruiten rammelden ervan. 's Middags hoorden wij dat Voorst en Klarenbeek waren bevrijd. Om 5 uur toen ik in het café-tje zat kwam een groot vliegtuig met veel geraas over. Het had een paar rode cirkels op de vleugels, dus was het een Engels vliegtuig. Het begon geweldig te vuren met zijn boordwapens. Wij begrepen eerst maar niet, waar hij op zat te mikken, maar even later zag ik op een boerenerf een Duitse vrachtauto in brand staan. Die had de piloot dus in de gaten gehad. 's Avonds gingen wij maar weer mooie wandelingen maken langs het kanaal. De mensen met wie ik onderweg een gesprek aanknoopte vertelden mij dat ze ook al veel last van de oorlog hadden ondervonden. Er was een fabriek platgebombardeerd, terwijl ook talloze V1's waren overgekomen. Ze werden te Zutfen afgeschoten en onderweg had er nog wel eens een pech en dan plofte zo'n ding maar ergens lukraak neer evenals in Arnhem. Aan het kanaal zagen wij de overblijfselen van dit projectiel liggen.

11 April. Vandaag moest ik met een paar kameraden het fabriekterrein aanvegen. Het is een gemakkelijk baantje en men kan er reuze de lijn bij trekken. Niemand kwam naar ons omkijken. Om half 1 moesten wij aardappelen schillen voor de keuken. In dit werk ben ik goed bedreven. Thuis heb ik moeder meermalen hiermee geholpen op mijn 14de jaar al en in Arnhem eveneens, wanneer mijn kameraden een zak vol georganiseerde aardappelen hadden meegebracht. Er werd vandaag weer geducht geschoten. 's Middags verscheen opnieuw een Engels vliegtuig, misschien wel dezelfde van de vorige dag. Het vuurde er weer stevig op los, ditmaal met tragisch gevolg. De piloot had een Duitse soldaat gezien die met 2 paarden langs het kanaal liep. Hij zette zijn mitrailleur erop zowel de soldaat als de 2 paarden waren op slag dood. Het was een wonderschone voorjaarsdag geweest, hoewel niet bepaald warm te noemen. 's Avonds was het eten nu eens heel behoorlijk, daar er nu ook aardappelen bij waren.

12 April. Vandaag was het weer voor de tijd ongewoon warm. Een alleraardigst gehoor was het toen er 's morgens een zwerm vogels over het fabrieksterrein vlogen en al maar riepen "grutto, grutto". Bij mij in Bussum heb ik ze nog nooit gehoord. Ik was net bezig met het vegen, toen mijn blik werd getroffen door een gruwelijk schouwspel in de verte bij Zutfen. Ik riep gauw een kameraad en vroeg "Zie eens, wat is dat daarginds ?" Wij zagen over het land grote vurige bogen achter elkaar als een kikvors springen. Ze waren elk naar schatting 100M lang. O, zei hij, dat zijn vuurstralen die door de geallieerden door middel van vlammenwerpers, een soort tanks worden uitgespoten. Ze branden alles weg, wat ze op hun weg ontmoeten, ook al zijn het Duitsers, een verschrikkelijk wapen, dat ook tegen de Japanners is gebruikt. Het vierlinggeschut was ook stukgeschoten en tot zwijgen gebracht door de vliegtuigen van de geallieerden. 's Avonds heb ik nog gezellig in het gras gezeten, genietend van de zoele lenteavond.

13 April. Vannacht om 1 uur kwam opeens de Lagerführer op zolder en riep met een basstem "aufstehen". Wij werden er allen uitgetrommeld want het was alarm toestand. De geallieerden waren erin geslaagd de IJsel over te steken en hadden Zutfen veroverd en bevrijd. Thans waren zij op weg naar Apeldoorn en het was nu zaak om de brug over het kanaal bij ons in de buurt op te blazen, en dit leverde voor ons gevaar op. Daarom moesten wij allen naar buiten en ons zover mogelijk verwijderen. Wij liepen in de stikdonkere maar heerlijk zoele lentenacht over sloten en hekken, totdat wij ver genoeg uit de buurt waren. Na lang wachten weerklonk een daverende slag en de brug was niet meer. Wij konden nu weer terugkeren en gaan slapen. Het bleek bij aankomst dat er tengevolge van de luchtdruk enige ruiten van ons verblijf waren gesprongen. Overdag was het mooi weer, hoewel er af en toe een beetje regen viel. Wij vernamen dat Zutfen en Deventer waren bevrijd. In Zutfen was het al heel Spaans toegegaan net als in de Spaanse tijd in 1572. Er waren naar men zeide 1700 doden te betreuren. In Deventer zouden 2500 huizen zijn verwoest.

Verder waren de geallieerden reeds tot in Friesland doorgestoten en het allergrootste nieuws was wel, dat VELP en ARNHEM waren bevrijd. Hoe was het mogelijk en hoe hebben zij het klaargespeeld om de Rijn over te steken en de stad die zeer versterkt was te overmeesteren. De geallieerden staan voor niets. Met hun geweldige bulldozers (zware auto's met verbazend grote schoppen aan de voorkant aangebracht) hebben ze alle barricaden, bestaande uit 3 rijen zware bomen met 2 meter hoog zand ertussen eenvoudig weggeschoven en ondersteboven gerameid. 's Middags spraken wij een kapelaan uit Bussum. Deze was gevlucht uit Olburgen bij Dieren, omdat daar zo verschrikkelijk werd gevochten. Om ongeveer 7 uur beleefden wij een angstig moment. Plotseling vuurden de geallieerden een 6-tal grote granaten af vanuit de richting Apeldoorn. Met vreselijk gegier vlogen ze door de lucht en ploften met een geweldige slag in de grond vlakbij een Duitse batterij, die bij ons aan de overkant steeds de gehele middag had gevuurd. Dit was het er logische gevolg van. Wij drukten ons van angst tegen de muur van de fabriek aan.

Het had blijkbaar doelgetroffen, want wij hebben dit Duitse geschut niet meer gehoord. 's Avonds ongeveer 8 uur liep ik langs het kanaal en zag in de buurt van Zutfen een hevige brand. Waarschijnlijk was het een grote fabriek. Verder hing er een ontzaggelijk rookgordijn, dat de geallieerden hadden getrokken. Het was kilometers lang. Verder hoorde ik zwaar kanongebulder. Bepaald dichtbij was het niet. Men zei dat het bij Dieren was. Het was naar alle waarschijnlijkheid Duits geschut. Er was die avond een grote bedrijvigheid bij de Duitsers. Tal van paarden, wagens en manschappen trokken langs het kanaal naar de richting Apeldoorn, want buiten deze stad werd hevig gevochten. 's Avonds laat kregen wij een hele invasie van groene politie die bij ons hun intrek namen.

14 April. Het is nog steeds mooi weer. Vanmorgen ben ik weer rustig aan het werk gegaan met terrein aanvegen enz. Om 12 uur was het weer aardappelen schillen voor de keuken. Even later moesten wij naar de bossen, 3 kwartier lopen om zware bomen op te laden op een wagen. Deze moesten naar een "sper" worden gereden in het dorp opdat hier asjeblief geen geallieerden zouden komen. Er waren een paar Russen, Armeniërs die als vrijwilligers bij de Duitse Weermacht in dienst waren. Waar wij met geen 4 man een zware boom konden versjouwen, deden zij met z'n tweeën. Soms zaten ze met elkaar in het Russisch te bekvechten, een taal die niemand verstond. Om 4 uur waren wij met het karwei klaar. Onze vriend Franz, de kattenmepper was ook mee geweest. Hij was niet bijster te spreken. Blijkbaar voelde hij nattigheid, want het ging met de oorlog in Holland en Duitsland allesbehalve naar wens. 's Avonds zat hij buiten op een stoel mistroostig voor zich uit te staren. Als er eens plotseling een geallieerde overval mocht komen kon hij niet gauw genoeg de latten nemen, want hij was erg rheumatisch.

De Lagerführer en alle politieke leiders hebben zoals ik reeds vroeger schreef gele pakken aan met een rood hakenkruis op de arm, en wat deden ze nu ? In allerijl moest een kleermaker groene uniformen van de Weermacht voor hen maken en deze trokken ze nu aan. Ze deden een geweer om hun nek en klaar was Kees. Als ze dan eens gevangen genomen werden door de Tommy, waren het gewone krijgsgevangenen, want met de politieke leiders hadden de geallieerden een apart appeltje te schillen, en niet zo lekker. Wellicht zou het hen de kraag kosten; vandaar die plotselinge gedaanteverwisseling. Of de truc gelukt is, wie zal het zeggen ! Onze vriend Franz heeft zijn gele pakje aangehouden. Hoe zal het hem zijn vergaan ?

15 April. Een dag van enorme wederwaardigheden is heden voor ons allen aangebroken. Toen wij 's morgens buiten kwamen, hoorden wij aan 2 kanten schieten. Het eerste vuren kwam van de richting Apeldoorn, maar het tweede van … de Woeste Hoeve, een heel andere kant uit, n.l. in het westen. Met grote snelheid waren de geallieerden door Arnhem heengestoten en waren al 10KM opgerukt, de Duitsers voor zich uit drijvend. Wij traden op de gewone manier aan en de politieke leider Oldendorf, bijgenaamd "Sinterklaas" deelde de etenskaartjes uit. Ik ging weer op mijn gewone wijze aan het werk al was het zondag en de anderen gingen weer weg om te spitten. Om half 10 moest ik al aardappelen schillen, want wij zouden om 1 uur eten. De groene politie was inmiddels bij ons spoorloos verdwenen. Zouden ze het zwaard van Damocles al boven hun hoofd hebben zien hangen ? Ik had z.g. "Frühstückpauze" en zei tegen de kok "Ik kom over een half uurtje weer terug". Toen ik op de zolder was, kwam de hele ploeg al om 10 uur binnen inplaats van half 1. Vanwaar dit vroegertje ?

Even later kwam de Lagerführer ons mededelen dat wij zo gauw mogelijk de boel bij elkaar moesten pakken en hier vandaan gaan, want wij moesten naar Otterlo, een plaatsje bij Ede. De toestand was zeer alarmerend geworden, althans van welke kant men de zaak bekijkt. Van Duits standpunt zeer zeker, maar voor ons Hollanders niet. Het ging de goede kant uit ! De geallieerden hadden Apeldoorn bevrijd en waren het Apeldoornsekanaal overgestoken en nu verwachtte men, dat hier over een uur de pantserafdeling zou zijn. Dat opblazen van die brug bij ons had ook al niet geholpen. Het was dus zaak de benen te nemen. Mijn bagage ging weer op het wagentje en ik kon de fiets weer krijgen. Onder grote publieke belangstelling trokken wij door Loenen. Het was een grote karavaan. Van vechten was op dit ogenblik niets te bemerken. Geen schot hoorde men lossen. Toen wij Loenen uit waren, gingen wij langs een lange steile en schier eindeloze weg met aan weerskanten niets dan bos, af en toe afgewisseld door een villa. Het begon venijnig te motregenen, zodat onze stemming er niet beter op werd.

Om half 1 waren wij eindelijk in Beekbergen, een prachtig vacantieoord voor pensiongasten, maar wij zagen van al die schoonheid niets, hadden er althans geen oog voor, vooral niet nu het ook nog regende. Buiten Beekbergen hebben wij even gepauzeerd en een stukje brood gegeten. Daarna gingen wij weer verder, de grammophoonplaat voorop. Hij was per fiets en keek ons weer met een gezicht aan alsof hij wilde zeggen "Los, los, het gaat weer niet hard genoeg". Wij waren met zijn 3en, 2 Bussummers, waaronder ik en 1 uit Baarn. Nu trokken wij door het dorpje Uchelen en waren spoedig op het kruispunt naar Otterlo. Het was nog 11KM. Opeens zei de collega uit Baarn "Weet je wat wij gaan doen, wij gaan drossen". Wij smeren hem naar Bussum en zien dat wij vanavond nog in Barneveld komen en als alles goed gaat en wij veel geluk hebben, zijn wij maandag of dinsdag thuis. "Kerel, ben je gek ?" zei ik. Hoe haal je het in je hoofd. Onderweg stikt het van Duitsers en Duitse posten en dan worden wij aangehouden met alle ellende daaraan verbonden. "Ben je mal" zeiden ze, wat kan ons die Moffentroep schelen, wij gaan drossen. Ik was wel genoodzaakt om mee te gaan, daar mijn bagage op hun wagentje zat.

Tot mijn niet geringe verbazing zag ik, dat tientallen ons voorbeeld volgden, zoals Rotterdammers, Bussummers enz. enz. Ze kwamen met hun volgepakte fietsen en wagentjes achter ons aan. Uren aan één stuk liepen wij door de bossen. Er kwam schier geen eind aan. Eén van die mensen vertelde ons, dat ze Duitsers hadden ontmoet, die een Tommy te pakken hadden en krijgsgevangene hadden gemaakt. Om ongeveer half 4 kwamen wij in een ander bos en o wee, daar had je het gedrommel door de glazen. Het krioelde er van Duitsers met vrachtwagens. Ik had steevast op een arrestatie gerekend, maar het viel wonderlijk mee. Ze lieten ons ongemoeid. Wij gingen een half uurtje uitrusten en zetten toen onze tocht weer voort. De regen had inmiddels opgehouden en het is droog gebleven. Toen wij de bossen uitwaren, zagen wij 6 reusachtige radiomasten. Wij bevonden ons vlakbij Kootwijk. Nu gingen wij een lange straatweg af van een half uur gaans. Met een holletje ging het naar beneden, totdat wij tenslotte om 5 uur bij een spoorwegovergang kwamen. Op het stationnetje stond de naam Assel. Wij zouden nu de grote reis naar Barneveld aanvangen, 25KM lang, en ik was al behoorlijk moe en de anderen allicht ook.

Er was bovendien geen denken meer aan, dat wij dit nog konden volbrengen, want het was al zeer laat (5 uur) en om 8 uur mocht er niemand meer op straat zijn. Wij hadden al 6KM gelopen. Wij kwamen toen op een enorme vlakte (heide). Nergens in de omtrek zover men kon zien was een levende ziel te bekennen, en nog minder een huis. Wat een woestijnreis ! Het pad waarlangs wij het zwaarbeladen wagentje moesten duwen, was zeer slacht en wij zwoegden als paarden. Uren en uren gingen zo voorbij, totdat wij 2 mensen zagen aankomen, maar o schrik, het waren een paar Duitse soldaten. Hoe zou dat aflopen ? Zouden wij "eingesperrt" worden ? Doch niets van dit alles. Ze zeiden "gute Abend" en liepen door. Hoe was het mogelijk ! Opgelucht vervolgden wij onze weg en nog steeds was het eind niet in zicht, doch ten langen leste om 9 uur doken er huizen op. Wij hadden een razende trek aan eten en hebben wat koude aardappelen bij één der huizen losgekregen. Wij waren een compleet stel landlopers, geheel aan de genade van de gemeenschap overgeleverd, maar wij waren niet de enigen, lezer !

Er liepen wel een paar honderd ven die lui over de Veluwe te zwerven, maar deze is zo uitgestrekt, dat wij elkaar haast niet ontmoetten. Wat een leven tussen twee haakjes en dan nog steeds het risico te moeten lopen om door de Duitsers te worden opgepakt, want wij waren toch in hun ogen deserteurs. Wat een zenuwslopende gedachte. Om kwart over 10 kwamen wij op een soort "brink" met zware bomen en omringd door boerderijen. Het was een gehucht, dat de naam droeg van Kootwijkerbroek. Er stond ook nog een kerk. O, wat troffen wij het weer slecht. Er liepen wel 100 Duitsers rond, allemaal paardenvolk, maar ze namen in het geheel geen notitie van ons. Er was geen kijk meer op, dat wij Barneveld zouden bereiken. Het was nog zeker 15KM lopen, en daar zaten wij nu. Een moeilijk probleem was er voor ons op te lossen, n.l. hoe aan onderdak te komen. Wij vroegen bij diverse boeren om nachtlogies, maar ze konden hieraan niet voldoen, daar de Weermacht moest overnachten. Dan maar een peluwtje van mollig mos, een kussentje van varen en een gordijn van blaren, maar het gaf geen zoete slaap in het bos, zoals het schoolliedje zegt. Het weer was overigens ideaal. Geen zuchtje wind liet zich horen.

De bomen stonden roerloos in de stille nacht. Gelukkig was het, dat de lucht was betrokken, zodat er geen warmte verloren ging. Het neemt echter niet weg, dat het toch behoorlijk fris was. Het was ook nog maar voorjaar en geen zomer. In het stikdonker konden wij geen dekens van de wagen halen, want ze waren te goed opgeborgen en vast gesjord. Ik wikkelde mij in mijn winterjas, maar kon toch van de kou geen oog dichtdoen. Tegen middernacht kwamen een paar Duitsers naar ons toe en vroegen "Woher kommen Sie ?" (Waar komen jullie vandaan ?) Aus Loenen, zeiden we. O ! zeiden ze op een toon, waaruit men kon opmaken dat ze de zaak begrepen. Ze lieten ons verder met rust en zeiden "Schlafe ruhig" (Wel te rusten).

16 April. Ik kon met de beste wil niet in slaap komen en wentelde mij maar om en om op de harde grond. Mijn kameraden konden het evenmin en zaten maar te praten. In de stilte van de nacht hoorden wij in de verte het geratel van een Duitse trein, dat langzamerhand wegstierf. Als het maar even dag wordt smeren wij hem, was onze afspraak. Om 4 uur kwamen de sterren aan de lucht tevoorschijn en werd het natuurlijk doordat er nu warmte vrijkwam door uitstraling nog kouder dan het al was. Tegen 5 uur was het plotseling een hele bedrijvigheid om ons heen. De Duitsers kwamen uit de boerderijen, zadelden hun paarden en voort gingen ze. Om 6 uur pakten wij ons zaakje bij elkaar en gingen eveneens op stap. Het was mistig en nog knap schemerig toen wij afmarcheerden. Vóór ons strekte zich een oneindig dicht bos uit, en daar moesten wij doorheen zien te komen. Wij hadden net de gang te pakken, toen wij een paar Duitse officieren te paard tegenkwamen. Wij hielden ons hart vast, want zo'n vertoning moest wel de aandacht trekken, maar ze zeiden niets en gingen verder. Alweer een pak van ons hart. De weg viel niet mee.

Herhaaldelijk zakte de wagen decimeters diep in het mulle zand weg en moesten hem met vereende krachten weer uittillen. Tegen 7 uur brak de zon door. In een ommezien waren de nevelen weg en het werd een zeldzaam mooie dag, geen wind en zeer zacht. Om 9 uur hoorden wij opeens een hevig geratel van mitrailleurs en de granaten van de afgevuurde kanonnen gierden door de lucht. Het was een onophoudelijk donderen van het geschut temidden van de stilte der natuur. Het geluid was tamelijk ver verwijderd, maar wij hadden toch wel in de gaten, dat wij langzaam maar zeker het vuur tegemoet gingen, want het geluid werd steeds sterker. Ze waren blijkbaar de Woeste Hoeve alweer voorbij, maar het was moeilijk uit te maken waar de troepen zich bevonden. Het was een helse toch door deze rimboe, want wij liepen al van 6 uur af en het was al 11 uur geworden, en nog steeds was het eind niet in zicht. Eindelijk om half 12 kwamen wij aan een wegkruising waar een z.g. "paddestoel" stond, waarop verschillende plaatsnamen waren te lezen. Rechts lag Apeldoorn en links Barneveld. Het was nog 11KM lopen naar B. Het vervelendste was, dat wij niets meer te eten hadden.

Wij hadden geheel nuchter de grote reis aanvaard. Om 12 uur kwamen wij aan een prachtige geteerde weg en nu ging het full-speed. Wij kwamen langs een huis en gingen daar eens op de schooi en werkelijk lukte het. Wij kregen ieder 2 snee roggebrood met spek. Ziezo, zeiden wij, "nu kunnen wij er weer even tegen". Wij vroegen aan een boer hoe wij het gauwste in B. konden komen, en deze gaf ons de raad om langs Stroe te gaan, daar de wegen hier veel te mul waren. "Vooruit dan maar" zeiden wij, al rijdt het wat om, de weg is goed, wij hebben tijd zat en vanavond zijn wij er hoog en breed. Als wij eerst maar in B. kwamen, waren wij voor vandaag al heel tevreden. Het werd er inmiddels niet veiliger op. In de lucht werd het zeer roerig en verschenen er alsmaar vliegtuigen, alle opweg naar het gevechtsterrein, dat hier misschien hoogstens 20KM vandaan was. Mijn kameraden waren erg bang voor die dingen, maar ik helemaal niet. Ze dachten maar, dat ze ons karretje onder vuur zouden nemen. Af en toe kwamen wij nogal eens kameraden tegen die een heel andere weg hadden gevolgd dan wij, maar nu weer plotseling kwamen opduiken met hun fietsen en trekkarretjes vol bagage. Om half 1 waren wij op het goede spoor.

Nog 6KM en dan waren wij in B. Wij begonnen de boerderijen eens af te stropen en bij één hadden wij succes. Wij kregen een lekker bord aardappelen met snijbonen. Tjonge, jonge wat smaakte dat ! Opgefrist en verzadigd gingen we na die mensen hartelijk bedankt te hebben welgemoed verder. Opeens kwamen ons 2 Duitsers per fiets tegemoet en schreeuwden ons toe "los, los (opzij)". Ze fietsten als gekken alsof de duivel hen achter de vodden zat. Geen wonder ook, want opeens kwamen wij een paar burgers tegen die zeiden "Gaan jullie maar niet verder naar Barneveld, want er worden daar hevige straatgevechten geleverd. Zojuist zijn daar de Engelsen binnengevallen en het gaat er heet toe". Zien jullie maar dat je in Voorthuizen komt, de eerste weg rechtsaf. Daar hadden wij niet van terug en volgden dus de wijze raad van die mensen maar op. Dit dorp lag hier 6KM vandaan, maar ter wille van de veiligheid doe je al wat, en bovendien zo erg was het ook weer niet. Het was mooi weer en wij hadden tijd in overvloed. De weg naar V. was redelijk goed. Het was een landweggetje.

Wij rustten nog even uit van onze vermoeienissen en gingen toen weer op stap … de oorlog tegemoet inplaats van naar veiliger oorden zoals wij dachten, maar dat konden die mensen ook niet helpen. Ze hadden gedacht ons een goede dienst te bewijzen. Hun bedoeling was goed genoeg geweest. Ook wij beseften dit niet en liepen maar raak, zonder te weten in welk gavaar wij ons begaven. Er kwam weer een heel stel vliegtuigen aanzetten en men zag ze later boven B. cirkelen, waar het gevecht plaats vond. Opeens kwamen er een rij auto's met hoge Duitse officieren ons tegemoet rijden, gevolgd door motorrijders. O wee, dachten wij, wij worden gearresteerd, maar niets daarvan. Ze stoven ons me grote vaart voorbij. De heren schenen nogal haast te hebben. Ziezo, dit gevaar was alweer geweken. Een eindje verder zaten op een boerenerf een stelletje Duitsers, maar ook zij schonken geen aandacht aan ons. Na nog een goede honderd meter gelopen te hebben werden wij opeens opgeschrikt door een hevige schietpartij. Links in de bossen zaten bepaald nogal was Duitsers. Het was gewoonweg verschrikkelijk.

Een veertigtal mitrailleurkogels vlogen ons rakelings om de oren met een scherp geluid "jieuw, jieuw, jieuw, jieuw, jieuw". Wij vlogen als gekken in een greppel en gingen achter een knotwilg zitten om de bui af te wachten. Toen het over was kropen wij er behoedzaam uit. Wat een hachelijk ogenblik was dat geweest ! Wat dit overigens te betekenen had was ons een raadsel. Wij gingen maar weer verder. Wij kwamen bij een huis en vroegen om wat water, omdat wij nogal dorstig waren. Toen wij ons verfrist hadden ging ik even alleen van het erf af naar de straat, terwijl mijn kameraden nog een ogenblik met de bewoners stonden te praten. Op dit moment werd er plotseling een reuze mijlpaal op onze levensweg gezet. Terwijl ik even op mijn metgezellen stond te wachten, stopte er opeens een enorm grote tank vlak voor mijn neus. Sinds 1940 had ik zo'n knaap niet gezien. De soldaat welke erop stond schreeuwde me toe: "Sind hier auch Deutsche Soldaten " (Zijn hier ook Duitse soldaten ?). Ik antwoordde hem met evenveel stemverheffing: "Nein, hier sind keine Deutsche Soldaten". Te oordelen naar ons wederzijds gesprek dacht ik niet anders dan doodgewoon met een Mof te doen te hebben.

Ik bekeek de tank eens en vond zowel de kleur (geel) en het opschrift wel erg on-Duits. "Stalker" (stoorder) stond erop. Het was Engels en ik dacht dat deze tank op de Tommy was veroverd. Ik nam ook eens de soldaat van top tot teen op en dacht "Wat een rare Mof is dat !". Hij droeg een donkerbruin uniform en een zwarte baret. Opeens realiseerde ik mij dat het een Tommy moest zijn ondanks zijn vlot Duits dat hij zoeven uitgalmde. Wel heb ik van mijn leven, een Engelsman. Ik sprak hem aan en zeide: "Hè, TOMMY, HOW DO YOU DO ? (Hoe gaat het ?). Wij gaven elkaar een stevige hand en als afscheid slingerde hij een sigaret naar met toe. Met een "I THANK YOU VERY MUCH" (Ik dank U beleefd) verliet ik hem, maar het had nog niets met bevrijding te maken. Door onze domheid waren wij in het front terechtgekomen tussen beide partijen in, Duitsers en Engelsen, of tot juist begrip dient vermeld, dat het geen Tommies maar Canadezen waren, maar het is nagenoeg hetzelfde volk. Ze dragen vrijwel hetzelfde uniform, spreken Engels of Frans, want deze laatste bestaan ook en komen uit een bepaalde streek in Canada.

Deze persoon sprak toevallig Engels, wat de meeste doen. Canada staat n.l. onder Engels bestuur. Het is zo groot als Europees Rusland, maar dun bevolkt. Als de Duitsers dat handjes geven van mij hadden gezien, hadden ze me vast tegen de muur gezet. Het was een hoogst gevaarlijk spel, dat ik speelde. Onze vriend die ik sprak was dus een Canadees. Ik moest echter direct hals over kop de latten nemen, want hij begon raar te doen. Opeens schoot hij met een herrie dat horen en zien verging enige honderden kogels af in de tijd van 3 minuten uit een mitrailleur, die op de tank stond en slingerde toen een serie granaten met hevig gedonder uit het kanon. Alles schoot hij op de bossen af, waaruit zoeven de Duitsers hadden geschoten. Ze schoten ze er a.h.w. uit. Het was vreselijk. Toen hij dat gedaan had draaide hij het zaakje naar ONZE kant en maakte hetzelfde kabaal. Wij zaten midden in het oorlogsveld, maar hadden tevens de prettige verzekering, dat wij met de Mof hadden afgedaan. Wij waren bij de geallieerden terechtgekomen en stonden nu onder hun bescherming. Toen de tank weg was gereden stak ik de EERSTE CANADESE sigaret op. Het was een fijne hoor ! Opeens verscheen een tweede tank.

Ik maakte een praatje met de soldaat, terwijl mijn kameraden zich ook inmiddels erbij gevoegd hadden. Als blijk van vriendelijkheid gaf hij ons allen een sigaret. Hij zetten een koptelefoon aan zijn oren en begon te praten met … een bestuurder van een vliegtuig, die boven het slagveld vloog. Zowel de tank als het vliegtuig waren radiografisch met elkaar in contact, een wonder van techniek. Het bleef echter niet bij die 2 tanks. Er volgden nog ongeveer 35 achter elkaar en de meesten schoten als razenden met hun mitrailleurs en kanonnen om zich heen. Er zullen onder alle landgenoten wel heel weinigen geweest zijn die de oorlog zo van nabij aanschouwd hebben als wij met z'n drieën. De "Krieg" bij ons op een afstand van een meter, want wij stonden vlak met onze neus bij die schietpartijen. De bevolking was inmiddels ook op het toneel verschenen na die herrie en wuifde met zakdoeken of zwaaide met de armen naar de Canadezen, en deze wuifden terug. Weer stopte een tank en de Canadees vroeg mij, maar ditmaal in het Engels: "ARE THERE ALSO GERMAN SOLDIERS IN THIS NEIGHBOURHOOD ?" (Zijn hier ook Duitse soldaten in de buurt ?).
Ik zei: "YES, AT THE END OF THIS WAY, DO YOU LOOK THEM ?" (Ja, aan het einde van deze weg, ziet U ze ?). Het was misschien minder mooi dat ik de Duitsers een loer had gedraaid door ze aan de Canadezen te verraden, maar ze hebben het verdiend, dubbel en dwars. Ons volk heeft genoeg van dit tuig te lijden gehad en … opgeruimd staat netjes. Rondom ons woedden zware branden. Een 5 tal boerderijen stonden in lichte laaie en in de verte brandde het ook erg. Rechts van ons waar een boerderij in brand stond is nog een paard omgekomen, tragisch lezer ! Opeens werden wij in een dicht mist gehuld, alsof het winter was. De zon die zoeven nog scheen was verdwenen. Dit was geen natuurverschijnsel, maar werd veroorzaakt door z.g. "nevelwerpers" welke de Canadezen in de strijd wierpen. Ik had zoiets wel eens meer gezien, n.l. in de Betuwe en bij Zutfen op een afstand, maar zo dichtbij dat men zelf in de mist zit nog nooit. Na een kwartier trok de nevel op en scheen de zon weer. Wij zagen aan weerskanten een hele rij tanks over de weilanden hotsen en zelfs de boerenerven binnen stormen om te zien of er nog ergens Duitsers zaten. Alle omringende bossen werden leeggerookt en een hagelbui van kogels en granaten eringejaagd.

Dit alles speelde zich af in het gehucht Garderbroek, want zo heette deze buurtschap, waar wij vertoefden. Om 7 uur werden de vlaggen gehesen. Hoera, Garderbroek was bevrijd en in geallieerde handen gevallen. Een half uur geleden nog Duits, thans Engels. Dit was wel net het tegengestelde van hetgeen ik 5 jaar geleden in Jutfaas meemaakte. Toen beleefde ik dat wij ineens Duits waren. Een raar idee was het dat terwijl mijn moeder in het Gooi nog onder Duits gezag was, ik hier in een stukje vrij Nederland was verzeild. Van de bakker waar wij water hadden gedronken, kreeg wij ieder een paar snee roggebrood en een VÓÓROORLOGSE sigaar. De boerenbevolking was uitgelaten van pret. Ze gaven elkaar handjes met de bijvoeging "Gefeliciteerd buurman (of buurvrouw) met de bevrijding". In een ommezien waren de vlaggen voor de dag gehaald en wapperden ze van de boerenhuizen, terwijl de kinderen met oranjestrikken in het haar liepen. Om 8 uur kwamen een paar boerenjongens naar ons toe met de vraag "Willen jullie nou eens wat moois zien ?". Er komen direct een heel stel Duitse krijgsgevangenen langs. Wij als de wind naar buiten en daar zagen we het volk al hollen naar een landweggetje.

En zowaar, daar kwam een zware Canadese tank aanzetten, gevolgs door ongeveer 60 Duitsers, bestaande uit S.S., GROENE POLITIE (ja, ja, lezer !) en Weermacht. WAS DAT NU EEN DEEL VAN DATZELFDE LEGER, DAT IK OP 15 MEI 1940 IN UTRECHT OP DE TOLSTEEGSINGEL ZAG EN TOEN SPRAKELOOS VAN VERWONDERING WAS OVER ZULK EEN MACHT ? Thans liepen ze geheel ontwapend, sommigen met de handen in de zak en beschaamd naar beneden kijkend. Zij durfden ons niet aan te zien. Achteraan kwam weer een Canadese tank en de bestuurder keek ons met een sarcastische grijnslach aan, terwijl hij maar naar het hartverheffende toneeltje voor hem uitstaarde. Hij smulde van dat moois, en keek ons grinnekend aan alsof hij wilde zeggen: "Hebben we hem dat niet fijn geleverd ?". Was het nu droom of werkelijkheid ? Ik stond als aan de grond genageld over zo'n staaltje van machteloosheid. Er was een wonder gebeurd, waar wij met ons verstand niet bij konden, een wonder van Hoger Hand. Hoe ter wereld was het mogelijk dacht ik. Ze waren alle uit de bossen gejaagd en gevangen genomen door de Canadezen. Ik liep weer terug en zat maar over het geval te peinzen.
Om 9 uur kwam een Canadese vrachtwagen voorbij vol met andere Duitse krijgsgevangenen op weg zijnde naar een interneringskamp. Nu moesten wij weer zien, dat wij onderdak kregen voor de komende nacht. Een boer stond ons gastvrij zijn deel af waar de koeien staan en zorgde voor stro. Het was een nette, frisse boerderij en de bewoners gaven ons enige kroezen melk. Wij hadden hier een best leventje en wat een idee dat wij van de Mof af waren. Toch waren wij nog bang, dat wij er vroeg of laat weer mee te maken zouden krijgen, want wij moesten toch naar huis en verderop was alles nog lang niet vrij. In de late avond daverden vele militaire vrachtauto's voorbij en ronkten de vliegtuigen. Wij hoorden ze zelfs in de verte bombarderen.

17 April. Een prachtige lentedag brak weer aan evenals 's daags tevoren. Het weer deed me precies denken aan de oorlogsdagen van Mei 1940 toen het ook alle dagen zo mooi was. Wij kregen van de boer weer volop melk, maar brood had hij helaas niet over. Trouwens, wie had dat wel ? Wij hebben nog een broodje zonder bon van de bakker weten los te krijgen. Wij dachten er een zware prijs voor te betalen, maar daar wilde hij niets van weten. De mensen zijn op de Veluwe over het algemeen nogal nauwgezet van geweten. Hij vroeg er maar 36 cent voor. Nu zouden wij proberen om in Voorthuizen te komen, maar het ging niet. Ze waren daar nog lelijk aan het vechten, dus bleef ons niets anders over dan nog maar een dag te wachten. Men wist thuis toch niets van onze hele situatie en wij werden nog minder verwacht. Brieven schrijven ging ook al niet meer, daar het postverkeer lamgeslagen was door de spoorwegstaking. Wij zijn wel een eindje op Voorthuizen aangestevend om de zaak te gaan verkennen, maar verder dan de spoorwegovergang bij de lijn naar Apeldoorn brachten wij het niet.

Wij kwamen bij een huis en hebben daar een bord bruine bonen opgeschooid. Voor vandaag hadden wij tenminste weer te bikken. Zware tanks reden over de rails, een eigenaardig gezicht. Ze gingen op Barneveld aan, wat anders de trein doet. Bij Stroe was het niet pluis. Daar vonden zware bosgevechten plaats. Vooral de S.S. bood daar taaie weerstand, maar 's avonds was de zaak ook daar beslist. In Barneveld mocht nog steeds niemand komen. In het noorden en oosten van ons land waren Groningen, Leeuwarden, Dokkum, Zwolle en Deventer bevrijd, maar de Veluwe en de provincies Drente, N. en Z. Holland en Utrecht moesten nog onderhanden worden genomen. Daar leefde men nog steeds onder de Mof en leed de bevolking honger dat ze scheel zag. 's Avonds ging ik eens in mijn eentje een ommetje maken, terwijl de anderen in de boerderij zaten. Ik kwam langs een grote boerderij en dacht "Laat ik eens kijken of daar soms niet wat te bikken valt."

Ik liep het erf op en klopte aan. Een vrouw kwam voor en ik vroeg natuurlijk heel beleefd of er nog wat overgeschoten was, en daar trof ik het geweldig. Ik kreeg een groot bord aardappelen met snijbonen en vet. Toen ik het op had vroeg de vrouw of ik nog meer moest hebben. Fatsoenshalve bedankte ik, maar ze hield aan, totdat ik tenslotte maar toegaf en kreeg ik dus nog zo'n bord. Ik bedankte na afloop van de maaltijd deze mensen (de boer en zijn vrouw) hartelijk en liep het erf af, dik als een pad. Dat moesten mijn kameraden eens weten, dacht ik, maar ik heb er wijselijk mijn mond over gehouden en logisch, want de boerderij waarin zij zaten was veel te ver weg om ze te waarschuwen en bovendien had het geen enkele zin. Er was toch niet genoeg meer voor 2 man erbij. Alles was op en het zou ook te gek staan. Zij hadden er in dit geval dan ook maar moeite voor moeten doen, net als ik, want er waren boeren genoeg in de omtrek.

Ik had dus een reuzeslag geslagen. Hoewel ik zeer tevreden was over het resultaat, moest ik toch zorgen, dat ik voor morgenochtend brood had. Ter verduidelijking moet ik vermelden, dat ieder voor zichzelf zorgde, dat was ook maar het beste. Men kon toch slechts bij één boer een stuk of 12 boterhammen vragen. Bij een ander huis trof ik het ook weer. Ik kreeg een stuk of 4 flinke sneden. Ziezo, voor morgenochtend was ik weer gered. Het werd weer zoetjes aan tijd om naar bed te gaan. Wij kregen weer enige kroezen melk en welvoldaan gingen wij weer "strowaarts".

18 April. Het is vannacht erg rumoerig geweest. De granaten gierden door de lucht. Er werd op Voorthuizen en omgeving geschoten. Verbeeld je als hier in die boerderij met al dat hooi en stro eens zo'n knaap naar binnen kwam zeilen, dan was er geen redden meer aan geweest, maar er is in geheel Garderbroek niets meer gebeurd. Bij het ontwaken vernamen wij, dat Voorthuizen ook was bevrijd. Fijn, dat was alweer wat gewonnen. Wij bedankten de boer hartelijk voor de gastvrije ontvangst en daar gingen wij weer gedrieën met ons wagentje en ik op de fiets op stap. Het weer was opnieuw prachtig. Reeds 3 dagen was de lucht strakblauw en scheen de zon in volle glorie. Om 9 uur reden wij Voorthuizen binnen, maar o wat zag dat dorp eruit. Wat een kapotte en afgebrande huizen, maar het bleek gelukkig tot een paar straten beperkt te zijn gebleven. Zeer tragisch was het echter, dat er bij de oorlogshandelingen 5 mensen waren verbrand. Vreselijk lezer ! Op zichzelf was het dorp, dat vrij groot was intact gebleven. Het was een zee van vlaggen in het dorp. Van de kerktoren en het raadhuis wapperden de Amerikaanse sterrenvlag en de Engelse met gekruiste banen (de z.g. "Union Jack") en onze eigen driekleur.

Grote aanplakbiljetten van de B.S. en andere instanties gaven aan hoe de bevolking zich had te gedragen. In de loop van de morgen zou het dorp worden bezet en verder mocht niemand zich midden op straat begeven, maar aan de kant blijven, want evenals in 1940 destijds in Utrecht het geval was, moesten de bezettingstroepen doorgelaten worden. Het zou een karavaan worden van 12 ½ uur lang evenals indertijd van de Duitsers. Daar verschenen om half 10 de eerste wagens. Aan weerszijden van de weg stond een haag van volk evenals enige jaren geleden in Utrecht. Wat een overweldigend schouwspel was dat. Honderden zware tanks, vrachtauto's, luxe auto's, motorrijders enz. enz. Ik was zeer getroffen bij de aanblik van zoveel materiaal, waarmee de Canadezen op de proppen kwamen. Het was ontzaggelijk. Het leek me haast nog meer dan van de Mof, maar het moet gezegd worden, wat ik in Utrecht zag, was ook niet voor de poes. Het gehele geval kwam van Nijmegen of feitelijk oorspronkelijk van Duitsland via Nijmegen en Arnhem en was op weg naar Zwolle.

De hele IJselmeerkust moest bezet worden vanaf Spakenburg tot Zwolle en er moest flink geknokt worden, want overal zaten de Duitsers nog. 's Middags kwam door de radio het bericht dat de Canadezen al hun materiaal in een wijde boog om het IJselmeer hadden geplaatst. U behoeft niet aan overdrijving mijnerzijds te denken, wat er in verband met dit bericht zoal aan onze blikken is voorbijgesnord. Het zei op zichzelf al genoeg. Het was een complete openlucht cinema met doorlopende voorstelling. Ik liep naar een Canadese keukenwagen en vroeg aan de kok: "PLEASE SIR, HAVE YOU SOMETHING TO EAT FOR US, FOR WE ARE VERY HUNGRY AND HAVE NOTHING." "I HAVE NO BREAD, BUT SOME BISCUITS" zei hij. O, zei ik "THAT IS VERY GOOD, THANK YOU VERY MUCH" en wij kregen ieder een pak biscuits en … een blik corned-beef. Bij een smid hebben wij nogal wat brood opgedoken. Om half 1 zijn wij naar de Centrale Keuken geweest en kregen wij 2 borden soep. Het smaakte best. 's Avonds konden wij daar brood halen. Bij een courantenbureau waren alle mededelingen op een groot bord gepubliceerd.

Wij lazen o.a. dat onze vriend Max Blokzijl was gearresteerd en in verzekerde bewaring was gesteld. Nu, dat mocht niet hinderen hoor, want hij had ze wel bruin gebakken ! Op 25 september is dit heerschap dan ook ter dood veroordeeld. Een grappige scène maakten wij nog mee. Wij zagen een hele troep kaalgeknipte N.S.B.meiden, die zich tijdens de bezetting met Moffen hadden afgegeven. Op hun kruin was een hakenkruisvlag geschilderd. Het was een zonderlinge processie. Ze werden vanzelfsprekend door het publiek uitgejouwd. Ik ben echter geen erge voorstander van dergelijke Middeleeuwse volksgerichten. Wat haalt die wraakzucht in feite uit. De overheid is er tenslotte om te straffen. Eigenaardig was het, dat de politie dit alles maar oogluikend toeliet. Om 3 uur kwam er een met paard bespannen wagen vol N.S.B.ers aan. Onder grote publieke belangstelling werd het zaakje afgeladen en in de kerk ondergebracht. Het was de hele dag reuze gezellig in Voorthuizen. Op een pleintje stond een straatzanger met een gitaar allelei liedjes uit te galmen en ook een Bussumse harmonicaspeler vertolkte zijn kunst, omringd door burgers en een stel Canadezen.

Ik raakte aan de praat met een Schot, een soort Tommy met een geblokte muts op waaraan een kwast hing. Ik praatte hem dermate van de sokken, dat hij eindelijk in het Engels zei: "Hoe ben je hier in Holland gekomen ?" Dat is ook wat, zei ik. Ik ben toch een Hollander. O, ja ? zei hij op zijn Engels, ik dacht stellig, dat je een Engelsman was en op onnaspeurlijke wijze met de troepen hier terecht gekomen was. Hij meende het in alle ernst. Hetzelfde heb ik later in Bussum moeten horen van een Tommy (Engelsman), waarmee ik in de Havenstraat een minuut of 10 heb gesproken. Toch wel merkwaardig, zulke pluimpjes, en in Utrecht dacht een Duitse onderofficier in 1940 dat ik een Duitser was. Ja, ja, lezer , hoe bestaat het ! In verband met de droevige gebeurtenissen die hier hebben plaatsgehad, stond op de aanplakbiljetten vermeld, dat de bevrijding stemmig en waardig moest worden gevierd en er voor uitbundige feestviering geen reden was. 's Avonds kregen wij weer onderdak bij een boer in het dorp. De boer en zijn gezin waren eigenaardige, eenzelvige mensen. Ze wisselden geen woord en bemoeiden zich in het geheel niet met ons.

19 April. Behalve de herrie van de militaire vrachtauto's die de gehele nacht door het dorp daverden, hebben wij vrij goed geslapen. Wij hoorden nog wel granaten fluiten, maar ze waren heel ver weg. De morgen brak weer aan met fraai weer, maar met iets meer bewolking en het was vrij koud in tegenstelling tot de voorgaande dagen, maar overdag was het weer heerlijk zacht. Wij hebben 's morgens eerst brood gehaald aan de Centrale Keuken. Sigaretten hadden wij genoeg, want wij hebben heel wat rokertjes van onze vrienden de Canadezen losgekregen. Om 8 uur werd door een omroeper bij bekkenslag bekend gemaakt, dat er voor de bevolking gratis osselappen verkrijgbaar waren. In geen jaren hadden wij iets hartigs onder de tanden gehad en wij hebben het ook bij de slager geprobeerd ze te krijgen en met succes. Wij hebben wat zout bij de boer gehaald met een stukje boter erbij en de zaak was oké. De Barenees heeft ze in de open lucht gebraden en speelde voor kok, maar die vrijer deed het niet goed naar onze zin. Ze waren zo taai als leer. Wij protesteerden luidkeels tegen zulk kokkerellen.

Wij staken onze mening niet onder stoelen of banken en zeiden, dat wij het wel eens netjes zouden overdoen. Hij werd weliswaar kwaad, maar wij hebben samen onze kameraad tot betere gedachten weten te brengen en hebben de lappen overgebraden, en toen waren ze prima voor de consumptie geschikt. Lach maar niet lezer om dit mannenwerk. Opeens zagen wij een volksoploopje. Wij gingen eens kijken wat er aan de hand was en daar stond het publiek rondom een persoon geschaard die ons aankeek alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Het was een Duitse S.S.er die zich als boerenarbeider had verkleed en door de Canadezen was opgepikt, ongetwijfeld door een tip van de bevolking, want de Canadezen konden het toch niet aan zijn neus zien. 's Middags kregen wij van de evacuatieleider bevel, dat wij hier moesten opbreken. Men kon ons hier als niet ingezetenen niet langer meer pruimen. Wij moesten naar Barneveld en daar zou het Rode Kruis zich wel verder over ons ontfermen. Gelukkig, dachten wij, nu is Barneveld dan toch vrij. Als we daar maar vast zijn zullen we wel weer zien. Wij pakten ons zaakje weer bij elkaar en daar gingen wij opnieuw starten met ons zwaar beladen wagentje en ik met de fiets.

Het was meer dan een uur gaans, ongeveer 6KM. Het was een prachtige schaduwrijke weg die wij afgingen met aan weerszijden bomen. Het viel echter aan de andere kant niet mee, want er was een intensief verkeer van zware militaire vrachtauto's vóór en achter ons. Onderweg werden wij aangehouden door een veldwachter en een lid van de "ondergrondse". Ze vroegen naar ons persoonsbewijs. "Dat hebben wij niet meer," zei ik, "dat heeft de Mof ons afhandig gemaakt, opdat wij niet zouden drossen". Wij lieten hen het bewijsje van de evacuatieleider zien en na lang heen- en weer praten lieten ze ons er door. Bij een huis hebben we nog een paar snee brood opgeschooid. Na nog een 3 kwartier gelopen te hebben kwamen we voorbij het station Barneveld-Voorthuizen. At een ruïne was het daar. Het gehele gebouw lag in elkaar en op het emplacement stonden vernielde spoorwagens. Na nog een kwartier te hebben gelopen kwamen wij langs een groot kamp van Canadezen.

Wat een soldaten en wat een vrachtwagens ! Wij zagen dat ze aan het eten koken waren. Ik zeg "Jongens, wat denken jullie ervan als ik hier eens mijn geluk ga beproeven", want wij waren knap hongerig, maar om met die lui in contact te komen is een onoverkomelijk bezwaar, want men moet goed Engels kennen en anders bereik je niets, ook niet met gebaren. Wij hadden een goede tolk in ons midden en dat was ik zei de gek. "Eigen roem stinkt" zegt het spreekwoord, maar wat waar is is waar, en waarom zou ik niet de waarheid mogen zeggen ? Ik stapte resoluut naar de kok en zei: "GOOD AFTERNOON, SIR. PLEASE HAVE YOU SOMETHING TO EAT FOR US ?". Dit is in het Hollands vertaald: "Goede middag, waarde heer, heft U voor ons wat te eten ? Hij brak mijn woorden af met : "YOU MUST GO TO THE CAPTAIN. IF HE SAYS IT IS GOOD, YOU CAN COME WITH ME". (Je moet naar de kapitein gaan. Als hij zegt dat het goed is, kunnen jullie bij me komen). "I thank you"(Dank U) zei ik en ik naar de kapitein. Hij stond in de keuken en was druk aan het lezen in zijn krantje, de "MAPLE LEAF" een bekende legerkrant. (spreek uit als MEEPEL LIEF en LIEF wat uitgerekt).

Het betekent "esdoornblad", het symbool van het leger, evenals het hakenkruis van de Mof. Op alle vrachtwagens kan men dit teken zien. Na deze taalkundige uiteenzetting vervolg ik mijn verhaal. De kapitein keek van zijn krant op en vroeg "What do you want ?" (Wat wenst U ?). Ik deed een heel omstandig verhaal en zei: "DEAR SIR ! HAVE YOU SOMETHING TO EAT FOR US ? I BEG YOU KINDLY TO INFORM ME IF THERE IS ANYTHING REMAINED IN THE KITCHEN. WE ARE WANDERING HERE SINCE SIX DAYS. WE HAD BEEN COMPELLED TO WORK FOR THE GERMANS AT ARNHEM AND LOENEN AND LAST SUNDAY WHEN THE ALLIES CAME, THEY SENT US AWAY WITHOUT EAT." De vertaling luidt als volgt: "Geachte Heer ! Heeft U ook iets te eten voor ons ? Ik verzoek U beleefd te zeggen of er in de keuken nog iets is overgebleven. Wij zijn sinds 6 dagen zwervende. Wij waren gedwongen geweest om voor de Duitsers te werken in Arnhem en Loenen en verschenen zondag toen de geallieerden kwamen hebben ze ons in de steek gelaten zonder eten."

Hij antwoordde "O, YES, IT IS GOOD. WHEN ALL THE SOLDIERS HAVE EATEN, YOU CAN CLOSE AT THE END OF THE TAIL" hetgeen betekent: "O, ja, het is goed. Als alle soldaten gegeten hebben kunnen jullie aan het eind van de staart aansluiten". Met een "Allright" (spreek uit: olrait) I thank you politely ( Accoord, ik dank U beleefd) verliet ik deze officier met een elegante buiging. Ik deelde de chef-kok mijn resultaat mede, en het zaakje was beklonken. "Komen jullie maar hier jongens" zei ik en wij gingen met ons pannetje achter de soldaten staan die kat achter kat stonden aangetreden met hun eetketeltjes. Er stonden 4 uitdelers naast elkaar. Nr1 gaf een schep gestoofde koolrapen, nr2 een portie aardappelen, nr3 een stuk vlees met een schep vet en nr4 een grote plak gesmeerd wittebrood, en zo schoven al die soldaten er langs, terwijl wij wachten op de laatste. Toen gingen wij er achteraan. Ik heb over het eten dat ik thuis krijg niet het minste te klagen, maar hoe ze de koolrapen waarvan ik geen hartstochtelijk liefhebber ben bereid hadden, is mij een raadsel. Ze waren zo heerlijk en aromatisch, dat wij erin gesmuld hebben.

De aardappelen waren prima, klaar meel en dat lekkere gebraden vlees en dat fijne hagelwitte brood. Mensen, mensen wat kunnen die lui heerlijk eten; daar kan de Duitser en Hollander niet tegen op, of zou het soms komen dat wij sinds maanden niets bijzonders meer waren gewend en wij hetgeen normaal was nu buitenissig vonden ? Welverzadigd gingen wij op Barneveld aan. Mijn kameraden waren in de wolken met zo'n metgezel als ik was die kans had gezien voor een heel diner te zorgen, maar bovenal mogen we Gods leiding niet over het hoofd zien, dat alles zo vlot en gezegend verliep. Om 6 uur waren wij in Barneveld. Het was er zeer druk van burgers en militairen. Wij moesten onder geleide van de hulppolitie naar de Rode Kruis post en bij een militair wagenpark een poosje wachten. Toen de hulpagent eindelijk gearriveerd was gingen wij eerst naar het politiebureau, waar natuurlijk naar ons persoonsbewijs werd gevraagd, dat wij niet konden tonen, maar men streek zijn hand over het hart en verwees ons naar het gemeentehuis. Wij kregen daar een paar snee roggebrood en een papiertje, waarop stond vermeld, dat wij vannacht in de Openbare School moesten slapen. Verder mochten wij ons vrijelijk op straat begeven.

Alvorens wij echter naar die school gingen, hebben wij eerst het dorp eens bekeken. Het leek de Kalverstraat wel, zoveel volk en wat een soldaten. Overal wapperden de vlaggen van de huizen. Om half 10 gingen wij naar de school, maar het interieur viel ons wel wat tegen. De ligging ging wel, want er lag stro genoeg, maar het publiek zinde me niet erg. Van alles was hier bij elkaar geharkt, zoals mensen die in Duitsland hadden gewerkt, etenhalers die uit Overijssel en Friesland kwamen enz. en daar zat allerlei slag onder, niet bepaald elite. Ze maakten veel herrie en de nachtwaker heeft zelfs een paar belhamels verwijderd. Het was buiten ook al niet rustig. Er werd weer behoorlijk geschoten en wij hoorden ieder keer de granaten door de lucht gieren, veel harder dan de vorige nacht in Voorthuizen. De plaats zelf is er goed afgekomen en de bevrijding heeft geen slachtoffers geëist.

20 April. De laatste verjaardag van Adolf Hitler ! Zijn geboortedag zal in Duitsland wel niet erg luisterrijk gevierd zijn, nu de Russen en Amerikanen voor de poorten van Berlijn staan. Voor vandaag was er weer goed nieuws voor ons land. Nijkerk, Putten, Nunspeet en omgeving b.v. Vierhouten zijn heden bevrijd. Wat zullen mijn broer, zijn vrouw en kinderen een schik gehad hebben. Waren wij in Bussum maar zover, maar in die buurt was nog niets aan de hand en leefde men nog in ballingschap. In Bunschoten, Spakenburg en Hoevelaken werd vandaag heftig gevochten en hoorde men de gehele dag schieten. Wij waren van plan om in de loop van de dag naar Nijkerk te gaan, daar Amersfoort onmogelijk te bereiken was, door de zware gevechten te Hoevelaken. De dag zette opnieuw in met fraai weer, maar het was deze keer bar koud. Het had vannacht vrij stevig gevroren en alle weilanden waren wit, maar overdag had de zon zulk een kracht, dat het zelfs tamelijk warm was. Wij gingen naar de Rode Kruis post en kregen weer 2 snee roggebrood, maar daar wij eerst om 12 uur pap kregen hadden wij daar natuurlijk niet genoeg aan.

Wij gingen nu het dorp en omgeving een verkennen. De drukte was reeds 's morgens al groot. Wij liepen opeens een Bussumse orgeldraaier met zijn vrouw tegen het lijf, doch die hadden wij in Voorthuizen ook al eens gesproken. Ze hadden een grote zak vol brood bij zich. Daar wij niets meer hadden, hebben wij meteen een hengel uitgegooid en niet zonder succes. Ze waren erg gul en gaven enige flinke sneden weg. Nu gingen wij langs de Jan van Schaffelaar kerk (Ned. Herv) met de beroemde toren, waar een paar dagen geleden een zekere mijnheer v. Schaffelaar afgesprongen was. Ik kan het me niet goed meer herinneren, daar ik wat kort van memorie ben. Het is omstreeks 1482 gebeurd en wij zijn nog maar pas op de wereld. Achter de kerk stond een grote schuur, en daarin werden zeker wel 1000 Duitse kuggen verkocht tegen betaling van een kwartje. Wij hebben er natuurlijk ook een gekocht. Wat een meevallertje. Om 9 uur waren we buiten het dorp en kwamen wij een hele karavaan boerenwagens vol mensen en huisraad tegen, die uit Hoevelaken waren geëvacueerd. Er werd zwaar gevochten en al deze mensen moesten in Barneveld worden ondergebracht.
Gelukkig heeft het maar 2 dagen geduurd en toen was daar de strijd afgelopen, vanzelfsprekend ten gunste van de geallieerden. Verder zagen wij een prettiger iets. Er kwam van de kant van Hoevelaken een tank, gevolgd door een 20-tal Duitse krijgsgevangenen en erachter weer een tank. Aan de kant van de weg stond een heel stel opgeschoten jongens, echte bengels, maar wij lachten ons toch krom om die lui. Toen de krijgsgevangenen voorbijkwamen begonnen die jongens uit volle borst het overbekende lied waar de Mof zo graag mee geurde te zingen: DENN WIR FAHREN, DENN WIR FAHREN, DENN WIR FAHREN GEGEN ENGELAND, ENGELAND (Want wij strijden, want wij strijden, wan twij strijden tegen Engeland, Engeland). Ook voor de radio was dit liedje vaak te horen. Het was van die jongens plagerij van de ergste soort. Vervolgens gingen wij weer naar de school terug. Onderweg was men bezig uit een vrachtauto pakken Duitse kaken (een groot soort biskwie) te lossen. Wij kregen van de voerman ook een paar pakken.

In de school werden mijn 2 kameraden door een hulpagent van politie even het doopceel gelicht om te onderzoeken of ze geen N.S.B.ers waren. Ik was er niet bij tegenwoordig, daar ik even een straatje rond was. Ik had een pracht wandeling naar het Jan van Schaffelaarbosch gemaakt. Het stikte er van vrachtwagens en Canadezen. Ik heb daar van een Canadees een doos sigaretten gekocht, daar ik niets meer had te roken. Toen ik in de school terug was vertelden mijn kameraden het relaas van de politie. De Bussumse vriend was zeer verbitterd en zei: "Wat denkt die kerel wel, dat ik een N.S.B.er ben ? Wij gaan vanavond weg naar Nijkerk, ik wil hier niet langer blijven". Ik zeide: "Kerel, waar maak je je toch kwaad over, het is toch zijn plicht om ons te ondervragen. Ik durf de politie recht in de ogen te kijken !". Maar dat was het hem juist waar de schoen wrong. Die vrijer was niet zuiver op de graat, maar daar wisten wij toen nog niets van. Eerst later toen hij thuiskwam is hij door de B.S.mannen te Bussum opgepakt wegens bewezen hand- en spandiensten aan de Duitsers. Zijn zuster was een vurige N.S.B.ster, en hij zal er ook wel niet vies van geweest zijn.
Ik zei nog: "Laten we nog één nacht hier blijven want de berichten als zou Nijkerk bevrijd zijn waren erg tegenstrijdig. Maar nee, hij wou en hij zou. Het was een heel eind lopen, 11KM. Daar gingen we dan maar weer met ons karretje en de fiets. Toen wij een kwartier gelopen hadden kwamen we opnieuw langs een groot Canadees wagenpark. Ze waren daar weer druk aan het kokkerellen. Ik zeg "vooruit jongens, ik ga weer eens kijken of er nog wat aan de strijkstok is blijven hangen".

Ik stapte regelrecht op de kok toe en diste weer een omstandig verhaal op. "WAIT A MOMENT (wacht een ogenblik) zei hij "NOT EVERY MAN HAS EATEN. I SHALL SEE WHAT REMAINS FOR YOU (Niet iedereen heeft nog gegeten, ik zal zien wat er voor jullie overblijft). Het viel mee en wij kregen een grote portie aardappelen, witte bonen en vet plus een kop ECHTE thee, geen surrogaat. Toen wij het op hadden, vroeg de kok of wij nog wat wilden hebben. Mijn kameraden bedankten want hoewel

Einde schrift 3 en begin schrift 4.

het lekker was, vonden zij het te machtig (dat was het trouwens ook). Maar gedachtig zijnde aan het spreekwoord "de ene traag, de andere graag, ging ik grif op het gulle aanbod in en sloeg nog zo'n portie naar binnen. Ziezo, nu zullen de muizen niet met mijn maag op stap gaan. Ik bedankte hem voor zoveel hartelijkheid, natuurlijk in het Engels.
Toen wij weggingen riep hij ons terug "HERE, THAT IS FOR YOU FOR THE ROUTE". (Hier, dat is voor jullie voor onderweg), en wij kregen een papier vol brokken Engelse kaas. Het was zeker wel een half pond. Zulke heerlijke en volvette kaas heb ik nog nooit geproefd. Ze had een heel eigenaardige smaak. De lezer zou ze zelf moeten proeven om erover te kunnen oordelen. Ik wou, dat ze in Holland te krijgen was. Wat een lekkere kaas ! Het waren blokjes met een zwarte bast erom. Welvoldaan gingen we verder met een dankbaar gevoel. Na een half uur begonnen wij dorst te krijgen en gingen wij bij een huisje aan. Er stonden ook een paar Canadezen en zonder dat wij erom vroegen, kregen wij een paar plakken wittebrood. Wat hadden we een beste dag ! Het was met dat al reeds vrij laat geworden en het was niet meer mogelijk om Nijkerk nog te bereiken. Wij moesten dus zien dat we onderdak kregen. Wij hadden natuurlijk eerst wel pech, want elk schot is geen eendvogel. Elke boer had zo zijn argument. Het meest voorkomende was dat ze dik in de evacués zaten.

Toch slaagden wij er nogal spoedig in en hadden wij een net nachtverblijf in een zeer zindelijke boerderij. Wij waren nu in een gehucht aangeland, dat de naam Appel droeg en onder de gemeente Nijkerk ressorteerde. Het was een pracht streek. Overal zag men boomgaarden in bloei staan. Het was een heerlijke zoele voorjaarsavond toen wij te rusten gingen.

21 April. Ik heb vannacht niet best geslapen, hoewel ik over de ligging niet te klagen had. Het zal wel oververmoeidheid zijn geweest, want wij hebben er de laatste week wat afgesjouwd. De gehele nacht hoorde men en langgerekte fluittoon van een vogel, vermoedelijk een katuil. Tegen de morgen begon het te regenen. Dat was minder mooi al was het hard nodig, want het was erg droog, maar het was buiten heerlijk zoel. Wij zullen toch eerst maar wachten, totdat het droog is zeiden we, want zo gaat het toch niet om in de regen te lopen. Tegen 10 uur knapte het op en hebben wij van de vriendelijke bewoners afscheid genomen, en zijn vervolgens weer gestart, maar onderweg kwamen wij te horen, dat het voorlopig verboden was in Nijkerk te komen. Overal was contrôle van politie en B.S. Wat te doen. Wij zijn een paar honderd meter doorgereden en hebben een nieuwe boerderij opgescharreld. Wij mochten hier gerust zolang blijven, totdat de weg vrij was. Het waren aardige mensen en erg Christelijk. Ze waren zoiets als Oud Gereformeerd of van de Geref. Gemeente te oordelen aan de lectuur die daar was. Op het erf zat een heel stel Canadezen. Deze waren bij die boer ingekwartierd.

Ze waren druk bezig met bakken en braden in de open lucht. Ik heb het grootste gedeelte van de dag bij die lui gezeten en gebabbeld over alles en nog wat. Ik kreeg thee en sigaretten. Mijn kameraden kwamen daar niet veel, daar ze geen Engels verstonden en er dus niets hadden te zoeken. Minder leuk was het, dat er vlak naast ons een grote tank stond, waarvan de loop van het kanon naar het westen was gekeerd, dus richting Amersfoort, waar nog stevig werd gevochten. De gehele Veluwe en de rest van Gelderland was thans van Duitsers gezuiverd, alsmede Overijssel en Friesland. De rest van het land bezuiden de grote rivieren was al lang vrij zoals de lezer wel weet. Tegen 12 uur kreeg ik van de Canadezen weer sigaretten en tevens een blikje vis. Ze vroegen me o.a. "WILL YOU FETCH SOME ONIONS ? WHEN THE DINNER IS READY YOU CAN EAT WITH US". Ik zei: "I SHALL TRY TO GET ONIONS, BUT THOUGH I THINK IT IS VERY NICE, I DON'T LIKE THEM VERY MUCH". (Wil je wat uien voor ons halen; als het eten klaar is, kun je met ons dineren. Ik zal proberen uien te krijgen, maar hoewel ik het erg aardig vind, houd ik er niet van). Nou ja, dat was niet erg, even goede vrienden.

Ik heb bij de boer uien gekregen en triomfantelijk kwam ik er mee aandraven en zei: "PLEASE SIR, I HAVE BROUGHT ONIONS FOR YOU." (Alsjeblieft, waarde heer, ik heb uien voor jullie meegebracht). "I THANK YOU VERY MUCH" (Ik dank je wel). Aan eten zijn we overigens niets tekort geschoten. Wij kregen van de boer roggepannenkoeken en warm eten met vet en spek en één mijner kameraden kookte nog een pan roggepap in melk op een vuurtje van de Canadezen. Ik heb het zaakje naar binnen gewerkt, maar kreeg er na een paar uur toch last van. Het was teveel van het goede. Ik werd zo misselijk als een kat en moest 's avonds overgeven. De oorzaak lag wellicht hierin dat door langdurige ondervoeding de maag op een normale leefwijze niet meer was ingesteld. In het vervolg dus wat kalmer aan doen, dat leek me het beste. Verder heb ik de tijd maar zoekgebracht met het lezen van stichtelijke boeken en Canadese kranten (Maple Leaf).

22 April. Het weer is koud en buiig geworden. Om 12 uur gingen we eens even een straatje rond en kwamen langs een school vol Canadezen. Ik er weer heen om te zien of er voor ons nog wat te schransen viel. Ik liep weer naar de kok en deze verwees mij naar de "captain", de officier van de menage. Ik sprak hem natuurlijk met de nodige beleefdheid aan en vertelde hem hoe de vork in de steel zat. Tenslotte zeide hij: "You can come back at one o'clock over one hour" (Je kunt over een uur dus om één uur terugkomen). Op het afgesproken uur kwam ik met mijn kameraden terug en toen vroeg de kok: "You want to eat ?" (Jullie wensen te eten ?). Yes, zei ik. Wij kregen weer aardappelen en bonen en als dessert wat overgebleven perziken. Al met al smaakte het zaakje prima. Tenslotte wilde ik de kapitein bedanken voor de goede behandeling, maar hij was niet meer aanwezig. Ik deed toen aan de kok een verzoek en zei: "WILL YOU THANK YOUR CAPTAIN FOR THE GOOD TREATMENT PROVED TO US ?" (Wilt U de kapitein bedanken voor de goede behandeling welke hij ons heeft betoond ?). YES, I SHALL DO IT (Ja, ik zal het doen) zei hij en toen gingen wij weer naar ons bivak terug.

Het was erg koud en stormachtig en telkens braken regen- en hagelbuien los. Wij hebben in de late avond nog even een kleine wandeling gemaakt, maar zijn maar gauw weer van koude en armoei teruggekeerd, en maar in het stro in de schuur gedoken. Er was stro genoeg, maar het was er nogal tochtig. Tegen de nacht begonnen de Canadezen met die lelijke tank op het erf te vuren op Amersfoort. (Oorlog, vlak bij ons !) De granaten gierden door de lucht, maar de inslag was niet te horen, daar deze in of om Amersfoort plaats had en dat was te ver weg. Ze schoten dus van ons af inplaats van naar ons toe zoals in Arnhem. Gevaar was er dus niet bij, maar de Mof kon wel eens terugvuren en dan waren wij nog niet klaar. Tot onze verwondering gebeurde dit niet. Overigens hebben wij nogal goed geslapen.

23 April. Vandaag zouden we dan de sprong wagen en zien dat wij in Nijkerk kwamen. Het weer was nog wel zwaar bewolkt en koud, maar gelukkig droog. Om 10 uur maakten we echter een rare grap mee. Er verscheen opeens een B.S.man die ons vertelde dat wij de eerste uren hier niet vandaan mochten. Wij moesten ons karretje in de schuur laten staan en toen deed hij de deur opslot, want zo zeide hij, straks wordt onze bagage gecontroleerd. Wat hebben we nou aan de hand zeiden we al tegen elkaar, maar enfin dacht ik, ze mogen de rommel gerust nakijken, er is toch niks bijzonders bij, waarom zou het ook ! Laat ze hun gang maar gaan. Een half uurtje later verscheen er een politieagent en een wachtmeester van de maréchausseé, en deze heren gelasten ons de zaak voor hun ogen uit te pakken. Ik was het eerst aan bod. Ik legde alles uit hoe ik aan een en ander was gekomen. Het was in orde en ik kon de boel weer inpakken. "Je kunt je gang gaan", zeiden ze. Mijn kameraad, de Bussummer kwam vervolgens aan de beurt. Ook hij bracht het er goed af en tenslotte werd de Baarnse kameraad gevisiteerd.

Zowel de politiemannen als wij met ons tweeën stonden sprakeloos, toen wij zagen wat er bij die vrijer voor de dag kwam. Hij had het halve Arnhem bij wijze van spreken "georganiseerd"oftewel op zijn goed Hollands gezegd bestolen. Zagen, beitels, spijkers, kostbaar linnengoed enz. enz., teveel om op te noemen. Die ene politieman (de agent) maakte zich zo kwaad, dat hij hem de oranjestrik van de borst trok met de toevoeging: "Je bent een oorlogsmisdadiger, je verdient de kogel". Waar woon je, vroeg hij. "In Baarn" was het verlegen antwoord. "We zullen je meenemen naar het politiebureau te Nijkerk en net zo lang in arrest houden totdat Baarn vrij is, dan zullen we je aan de politie aldaar overleveren". Daar stond hij nu ontmaskerd en met beschaamde kaken ten aanschouwen van zijn kameraden, de boer, zijn vrouw en een evacué uit Arnhem, die daar bij de boer onderdak was. Deze laatstgenoemde persoon, de evacué schijnt de zaak aangebracht te hebben, omdat hij die wagen zo verdacht vol vond voor 3 personen. De Baarnaar moest met die agent en maréchausseé mee met kar en al. Alleen onze spulletjes o.a. dekens werden er vanzelfsprekend afgehaald.

Ook de fiets waarvan ik al die tijd gebruik van gemaakt heb werd in beslag genomen, want ook daar schijnt hij niet eerlijk aan gekomen te zijn. Zelfs het karretje was nog gestolen ! Er zullen overigens wel meer van die mensen zijn geweest die iets soortgelijks op hun geweten hadden, want waar kwamen die tientallen karren met bagage vandaan die wij op onze zwerftochten tegenkwamen ? Het was oorlog en dan nam men het niet zo nauw met de moraal, vooral niet als de spullen uit een onbewoonde en half verwoeste stad waren gehaald, maar of die ook gesnapt zijn, wie zal het zeggen. Hij had nu toevallig pech. In de burgermaatschappij was het misschien wel een beste kerel die geen dubbeltje achterover zou drukken, maar ja het is tenslotte diefstal, ongeacht onder welke omstandigheden die is gepleegd. Het was de vloek op de boze daad. Wij hebben hem nooit meer teruggezien. 's Middags hebben we ons zaakje bij elkaar gepakt en zijn toen na van de boer en van zijn vrouw afscheid te hebben genomen langs een omweg naar Nijkerk gegaan. In het gehucht Driedorp hebben wij nog wat brood bij elkaar gescharreld. Ik voelde me erg slap en liep maar te sloffen.

Mijn metgezel had gelukkig een fiets bij zich, waarop ik mijn bagage kon deponeren. Het weer was prachtig geworden, hoewel de wind fris was. Wij hebben aan de kant van de weg uitgerust. Wij waren ditmaal in de aanvang niet zo gelukkig met het vinden van onderdak, want ze hapten nu niet gauw zou de hengelaar zeggen. Na lang zoeken vonden we eindelijk een heel geschikt verblijf bij een kleine boerderij op de hoek van de Barneveldseweg vlak bij een wegwijzer van de K.N.A.C., waarop vermeld stond: Nijkerk, dus net op de grens. Het was een bakhuisje zoals die mensen hier dat noemen en zoals er vele op de Veluwe voorkomen, waarin wij onze intrek namen. De bewoonster van dit boerderijtje was een zekere mejuffrouw Schuur, een weduwe met 2 zoons en een zwager, een treinconducteur uit Utrecht die hier wegens de spoorwegstaking was ondergedoken, zoals er ook in Bussum plotseling zoveel spoormannen waren verdwenen. De bewoonster was een enigszins eigenaardig type. Ze lachte nooit en ze maakte zich evenmin kwaad. Zulk een phlegmatiek mens heb ik nog zelden in mijn leven ontmoet. Enfin, wij waren zeer tevreden met ons verblijf.

Het was er goed dicht, zodat we naar ons idee geen kou behoefden te lijden. Het is in de volgende dagen wel anders uitgekomen, maar dat lag aan de natuur. Tegen de avond zijn wij naar Nijkerk gegaan. Het was er verbazend druk vooral van Spakenburgers en Bunschoters in hun bonte visserskledij, in dit geval dan de vrouwen. Het was een hele invasie van evacués, daar er in genoemde plaatsen hard gevochten werd. Ook Nijkerk is er niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. In de Hoogstraat zijn vele winkels vernield door granaatvuur. De burgerij die tijdens de gevechtshandelingen niet geëvacueerd was, heeft het slecht gehad. 5 Dagen lang hebben die mensen in de schuilkelder moeten doorbrengen, terwijl de granaten over het stadje gierden. Er zijn ook nog een aantal slachtoffers te betreuren. In Spakenburg waren zelfs 16 doden. Om 5 uur hebben wij pap gegeten in café "de Roskam" en kregen tevens brood. Daarna zijn wij weer naar ons boerderijtje teruggekeerd. Wij hebben stro gekocht bij een naburige boerderij en de bossen naar binnen gedragen, en zijn vervolgens gaan slapen.

24 April. Een heerlijke en zachte lentedag brak aan toen wij opstonden. Wij hebben best geslapen in ons bakhuisje. De boerin was nogal niet kwaad in de omgang, want wij mochten 's morgens in de huiskamer ons brood eten, en kregen dan ook meestal een kopje koffiesurrogaat. Om 10 uur zijn we weer naar het dorp gegaan en kregen in "de Roskam" weer brood en pap. Ik voelde me niet zo lamlendig meer als de vorige dag, al had ik nog wel eens af en toe last van duizeligheid. Om kwart voor 12 was er in een straatje "het Verlaat" geheten altijd uitzending van de B.B.C. en 's avonds om kwart over 8 van Radio Oranje, beide uit Londen. Enige tijd geleden werd men zwaar gestraft als men in zijn huiskamer de Engelse zender beluisterde en men op heterdaad door de Mof of N.S.B.ers werd betrapt. Thans galmde de Engelse radio alle moois en lelijks over de straat uit en stond het saam gestroomde publiek er op hun gemak naar te luisteren. "'t Kan verkeren zegt Brero". Wij waren ook altijd van de partij als er uitzendingen waren en het was werkelijk sensationeel wat men de laatste dagen te horen kreeg.

Appingedam en de stad Groningen zijn vandaag bevrijd. Nu bleven alleen nog maar 3 hongerprovinciën over. Tegen de avond kwam een stel vliegtuigen over en wierpen bij Amersfoort bommen uit. Wij hoorden zware klappen en zagen heel in de verte grote rookwolken. Ja, lezer, de Mof geeft het nog niet zo gauw gewonnen. De scholen zaten vol Canadezen en ik kreeg nog wel eens een krant van die luitjes te pakken, waarin heel wat nieuws was te lezen.

26 April. Heel veel nieuws is er niet te vermelden. Het weer was zeer mooi, maar in de morgenuren erg koud. Het had hard gevroren en de weilanden zagen wit, toch een late geschiedenis in de natuur, voor dit vergevorderde seizoen. Wij gingen de hele dag op stap om eten op te scharrelen. Wij waren doorgaans erg gelukkig, want wij kregen nogal aardig wat aardappelen bij elkaar. Van de distributie kregen wij brood, zodat wij aardig aan de kost konden komen. Dan nog brood en pap bij "de Roskam" en verder doodden wij onze tijd met het luisteren naar de radio. Om alles te berichten wat er door de radio werd uitgezonden, zou me te ver voeren, daar de lezer zelf wel weet, wat er in die tijd voorviel. Het ging met het Duitse Rijk snel bergafwaarts. Het was gewoonweg verbijsterend wat we te horen kregen. Grote persoonlijkheden zoals Goering en consorten waren gearresteerd of hadden zelfmoord gepleegd, terwijl weer anderen zoals Göbbels tijdens de gevechten in Berlijn was gesneuveld. In ons land is de leider van het Nederlandse volk Mussert, de chef landverrader heden in Den Haag gepakt. Dit heerschap heeft zijn sinistere rol uitgespeeld op het wereldtoneel. Hem wacht nu de kogel of de strop.
Verder bereikte ons het heugelijk nieuws, dat H.M. de Koningin in ons land was teruggekeerd en Haar zetel in Breda had gevestigd, omdat in het overige deel van Holland de Duitsers nog gedeeltelijk waren. 's Avonds toen ik in mijn eentje in het dorp liep zag ik een stuk of 6 grijze soldaten lopen met een kwartiermuts op.

Ik dacht "Wat zijn dat nou, Moffen ?". Bij nadere beschouwing zag ik dat ze geen kaplaarzen droegen, maar gewone schoenen en ook ontbrak de langgerekte adelaar met het hakenkruis in zijn klauwen op het uniform. In plaats daarvan droegen ze een vliegend wiel evenals de spoormannen, maar oppervlakkig geleken het precies Duitsers. Ik vroeg aan de Canadezen wat dat voor lui waren en deze vertelden mij dat het Engelse vliegeniers waren van de bekende R.A.F. (Royal Air Force) die talloze bombardementen in Duitsland had uitgevoerd.

29 April. Alweer zondag en nog steeds niet thuis. Vannacht hebben we niet al te best geslapen, omdat het erg koud was. Het regende hard en het kletterde tegen de ruiten. Om 7 uur stond ik op en keek eens door de ruiten de straat op of het al droog was, maar wat was dat ! Winter ? En over 2 dagen hadden we mei. Was het nu droom of werkelijkheid ? Het sneeuwde zo ongenadig alsof het hartje januari was. Miljoenen vlokken ter grootte van watten dwarrelden neer. Het was een vreemd gezicht, compleet Kerstmis. De bomen waren geheel in het blad en stonden in volle bloei en het gras stond hoog, en dan sneeuw, terwijl wij al zoveel warmte hadden gehad. Wie had zo'n laat winterverschijnsel nu in zo'n vroeg voorjaar verwacht. Sinds 5 maart toen ik nog in Arnhem was had zoiets niet meer plaats gevonden, en de boeren keken er raar van op. Geen wonder, dat wij het vannacht zo koud hebben gehad. Het sneeuwen duurde 2 uren lang tot 9 uur en toen begon het weer te regenen, maar niettemin bleef het winters koud. Ik vermeld dit maar even voor de curiositeit.

Vandaag kwamen er berichten door de radio, dat er tal van geallieerde vliegtuigen boven Rotterdam, Leiden, Amsterdam en Hilversum waren geweest en duizenden tonnen levensmiddelen voor de hongerende bevolking hadden uitgeworpen. Ook de buitenwijken van Bussum hadden een beurt gehad. Wanneer de Duitsers op deze vliegtuigen zouden schieten zouden ze door de geallieerden als oorlogsmisdadigers worden beschouwd. Ze hadden het hart niet in hun lijf gehad om dit te verhinderen. Ik was erg blij met deze gang van zaken.

30 April. Het weer was iets beter, maar niettemin knap guur. Vandaag hebben we nog wat aardappelen op de kop getikt en 's avonds heeft de boerin deze voor ons gekookt. Bovendien konden wij flink wat melk krijgen en voor een koopje. Wij aten en dronken ons zat. Het was echter schrikkelijk koud en het weer werd er ook niet beter op. 's Avonds regende het dat het goot, afgewisseld door hagel en 1 donderslag. De volgende dag vertelden de Canadezen ons dat zij bij Amersfoort door een zware sneeuwjacht waren verrast en geheel wit waren van de sneeuw wel een centimeter dik lag. Toch wel een wat al te late winterverrassing, nietwaar lezer ? Wij zaten in het bakhuisje te rillen van de kou en zijn maar vroeg naar bed gegaan.

1 Mei 1945. Deze maand zette alles behalve lenteachtig in. Vooreerst had het 's nachts hard gevroren en lag het ijs in het gras langs de slootkant. Overdag vielen er maar steeds regen- en hagelbuien. Wij waren vandaag niet bijster gelukkig met het bijeenvergaderen van onze proviand, doch om 5 uur waren wij er beter aan toe. Ik ging langs een Canadese keuken waar een grote vrachtauto vol levensmiddelen stond geparkeerd. "Ik zal eens zien of ik hier beter kan slagen" zei ik. Ik sprak de kok in het Engels aan, maar hij gaf geen antwoord, want … hij verstond geen Engels. Toen kwam een andere Canadees en zeide tegen mij "IT IS A FRENCH CANADIAN" (Het is een Frans sprekende Canadees). Er zijn n.l. in Canada sommige gedeelten waar Frans wordt gesproken en de bevolking overwegend Rooms is. "Geen nood" dacht ik, "als ik het dan in het Engels niet kan klaren, zal ik het in het Frans proberen, ik heb nog meer pijlen op mijn boog". Ik sprak hem toen aldus aan: MONSIEUR, JE VOUS PRIE POLITEMENT SI VOUS AVEZ ENCORE QUELQUES POMMES DE TERRE POUR NOUS. NOUS SOMMES ERRANTS ICI IL Y A DEUX SEMAINES.
NOUS AVONS ÉTÉ FORCÉ DE TRAVAILLER POUR LES BÔCHES ET QUAND ILS FUYAIENT POUR LES ARMÉES ALLIEES, ILS NOUS ONT LAISSER SANS MANGER. LE PEUPLE ICI EST AUSSI PAUVRE ET N' A RIEN À MANGER" hetgeen betekent: "Waarde heer. Ik verzoek U beleefd of U voor ons nog wat aardappelen over heeft. Wij zijn hier al twee weken zwervende. Wij waren gedwongen geweest om voor de Moffen te werken en toen zij vluchtten voor de geallieerde legers, hebben ze ons in de steek gelaten zonder eten. Het volk is hier arm en heeft niets te missen". Toen kwam de tong van de Canadees los: "OUI, TRÈS BIEN, AVEZ VOUS UN SAC ? VENEZ ICI." (Accoord, heb je een zak bij je ? Kom maar hier"). "NON, JE REGRETTE, JE N'AI PAS UN, JE L' AI OUBLIÉ" (Neen, het spijt me, ik heb er geen een, ik heb hem vergeten). Hij had gelukkig nog een zakje over en wij kregen een flinke hoeveelheid aardappelen. Wat waren we blij. "MERCI BEAUCOUP" (Dank U zeer) zei ik.

Mijn kameraad stond verbaasd en was zeer in zijn schik. "Ik dacht niet, dat je ook nog Frans kende"zei hij. "Wat is het toch makkelijk als je vreemde talen kent". Ik zeg "Ja man, wij zouden een rare pijp gerookt hebben als ik mij niet met de moderne talen had gered". De boerin heeft ons vandaag de huur opgezegd, want, want ze wilde het bakhuisje zelf weer gebruiken. Omtrent de reden tastten wij in het duister, want last had ze heelemaal niet van ons en wij betaalden nog bovendien. Misschien zag ze ons wel voor N.S.B.ers aan, want ze was bang, dat ze last met de politie zou krijgen, omdat wij geen vaste woonplaats hadden. Ze zei dit althans, maar het zullen natuurlijk allemaal wel smoesjes zijn geweest. Ze wilde ons om de een af andere wijze kwijt en dan doe je er niets aan. Wij zouden morgen naar een ander verblijf omzien.

Te Amersfoort was het sinds 28 april merkwaardig stil. Geen schot werd er meer gelost. De oorzaak was gelegen in het feit, dat de Koningin aan de Britse en Canadese opperbevelhebbers had verzocht de strijd 10 dagen te staken, daar de Duitsers het snode plan hadden om grote delen van N en Z. Holland en zelfs Amsterdam onder water te laten lopen. Dat ze er geen been in zagen de daad bij het woord te voegen, hebben we kunnen zien bij het onder water zetten van de Wieringermeerpolder. De koningin wilde zeker eerst eens de kat uit de boom kijken, hoe het in die tussentijd in Duitsland zou uitpakken. Nu , dat zou wel loslopen, want de oorlog was voor het Herrenvolk al bijna verloren.

2 Mei. Nog steeds laat de zachte weersgesteldheid op zich wachten. Het was weer lelijk guur, maar gelukkig droog. In de morgenuren zijn we samen op strooptocht geweest om aardappelen bij elkaar te krijgen. Het fortuin was nogal met ons, want wij hebben bij diverse boeren aardig wat aardappelen bij elkaar kunnen garen. Onderweg stak een felle wind op en kregen wij weer een paar regenbuitjes, maar het was toch niet van dien aard, dat wij er werkelijk nat van werden. Wij kwamen in een bos terecht waar zich een groot Canadezenlamp bevond. Ik stapte maar weer op de proviandwagen af en vroeg aan de kok: "PLEASE SIR, I BEG YOU KINDLY TO GIVE US SOME POTATOES, 2 OR 3 IS ENOUGH. WE HAVE HAD SOME OF THE FARMERS BUT WE WANT MORE" hetgeen vertaald wil zeggen: Waarde heer, ik verzoek U beleefd ons enige aardappelen te geven, 2 of 3 is genoeg. Wij hebben enige van de boeren gehad, maar wij hebben er nog meer nodig. Ik kreeg ze inderdaad van hem plus nog een blikje melkpoeder.

Ik dankte hem beleefd voor zijn welwillendheid en wij keerden welvoldaan terug. Van een paar andere Canadezen kregen wij nog wat sigaretten. Nu zal de lezer misschien denken "Wat hebben jullie nu aan 2 of 3 aardappelen". Maar ter verklaring diene gezegd, dat de Canadese aardappelen feitelijk uit Engeland komen en van een eigenaardig soort zijn. Ze zijn zo groot als een kinderhoofd, dus hadden wij er met de andere die wij hadden opgescharreld genoeg aan. Ze moeten aan vieren gesneden worden, anders worden ze niet gaar. Het eigenaardige van die aardappelen is, dat er haast geen afval afkomt, alleen maar schillen. Er zitten geen oogjes in. Als de schil eraf is, is dit soort zo glad als een citroen. Ze zijn reuze lekker, alles meel. 's Middags hebben we een nieuw verblijf op de kop getikt, een kilometer verder het land in op de grens van Putten. Wij waren daar al eens eerder geweest om koffiesurrogaat te ruilen voor eten. Wij hebben van juffrouw Schuur die zo weinig burgerzin had getoond maar gauw afscheid genomen en zijn om een uur of 3 naar ons nieuwe verblijf gegaan.

Wij troffen het nogal met het weer. Het was vrij goed, hoewel de wind aan de schrale kant was. Wij kregen een schuur toegewezen, waarin het vee bij ongunstig weer een schuilplaats kon vinden, dus veel zaaks was het niet. Er was nogal wat aan op te knappen. Vooreerst moesten wij een hoop mest opruimen en ten tweede hebben wij wat planken vastgetimmerd en voor een paar gaten in de wand enige oude zakken gehangen, maar het was er toch lelijk tochtig. De boer was niet gierig, want er stond een stromijt en wij mochten er net zoveel stro uithalen als wij wilden. Wij hebben nogal tamelijk goed geslapen dankzij het windstille weer. Er was in die boerderij ook een oude vrouw, een familielid van dit boerengezin als evacué ondergebracht en deze was niet bepaald vriendelijk. Ze maakte de schampere opmerking "Ik moet maar hard werken en jullie doen niets". "Maar mijn goeie mens" zeiden we, "denk je dat wij hier voor de lol zitten, wij moeten ook met veel moeite onze kost zien bij elkaar te scharrelen.

Als de weg vrij is gaan we meteen weg en eenmaal thuisgekomen zijnde direct aan de slag". Ze gaf ons de raad om naar Harderwijk te gaan. Nu moet men begrijpen, dat wanneer je daar terechtkomt men voorlopig niet thuis is, want er is daar een groot interneringskamp en dat moet eerst politiek gezuiverd worden. Die vrouw was buitengewoon argwanend en zag ons voor ondergedoken N.S.B.ers aan. Er school bij deze raadgeving dus een addertje onder het gras. Ze dacht wellicht: Als jullie naar Harderwijk gaan lopen, lopen jullie argeloos in de fuik, en als het dan blijkt dat jullie N.S.B.ers zijn, zijn jullie meteen mooi het kind van de rekening. Wij konden deze vrouw echter tenslotte aan het verstand brengen, dat wij niets van die landverraderstroep moesten hebben.

Mijn kameraad verzekerde ook met veel air, dat hij er niets van moest hebben. Ze moest maar eens informeren bij een kleermaker in Nijkerk, een zekere Kroon, dat was een goeie kennis van hem als ze nog in twijfel mocht verkeren. Het was zo'n goeie kennis, dat ze elkaar in geen 30 jaar hadden ontmoet. Hij zal dan wel goed op de hoogte zijn geweest of mijn kameraad al dan geen N.S.B.er was. Ten dele was het van die vrouw niet verwonderlijk,

Einde schrift 4 en begin schrift 5.

dat ze de zaak niet vertrouwde. Ze was wat overspannen en zeer verbitterd. Misschien zal de lezer zich nog herinneren, dat er op 2 october 1944 105 huizen in Putten door de Mof in brand zijn gestoken en 630 mensen zijn weggevoerd naar Duitsland. 12 zijn ervan teruggekeerd en de rest is verhongerd. Haar huis was ook in brand gestoken en ze was al haar have en goed kwijt. Nu zag ze iedere vreemdeling maar voor een N.S.B.er aan.

1940 VREDE (tekening met helm en takken)

4 Mei. Foei, foei wat is me dat een nacht geweest in dat kot, waarin wij geslapen hebben. De ganse nacht woedde een hevige en ijskoude storm met een zondvloedachtige regenval. De wind gierde door ons verblijf en wij hebben geen oog dicht kunnen doen vanwege de kou. Wij zijn na 9 uur toen het eindelijk droog was maar weer aan de wandel gegaan en brood en pap bij "de Roskam" gegeten, maar van de distributie kregen wij geen brood meer, daar wij z.g. "doortrekkers" waren. Dat wij het een paar keer gehad hebben berustte op een misverstand. Vanaf heden werden wij niet meer als mensen beschouwd, maar wij kwamen evengoed wel aan de kost. Wij waren niet voor één gat te vangen. Door de radio kwamen opzienbarende mededelingen. Berlijn was al haast door de Russen en Amerikanen onder de voet gelopen. Hoe is het mogelijk dat Duitsland het nog zo lang volhield. Wij zouden 's middags weer proberen om bij de boeren wat aardappelen op te scharrelen, toen ik opeens tegen mijn kameraad zei: "Kijk daar eens achter ons ? " Er kwam een lucht opzetten zo zwart als roet. Felle bliksemstralen doorkliefden de bui, gevolgd door zware donder. "Dat kan wat worden", zeiden wij.

Teruglopen ging niet, want wij waren te ver van ons verblijf verwijderd. Dan maar doorlopen, totdat we een huis vinden. Maar de bui was ons te vlug af. Opeens begon een zeer koude wind op te steken en werd het haast pikdonker, waarop een zeer zware hagelbui losbrak. Het lichtte fel en de donder dreunde zwaar boven ons hoofd. Alles was in een ommezien een witte wereld als in de winter. Wij hebben de hele bui die wel een kwartier aanhield op ons dak gehad. Nog een paar felle bliksemflitsen en toen was de bui overgedreven, een winterlandschap achterlatend. Wij hebben nog wat aardappelen van de Canadezen losgekregen en zijn toen maar weer met kletsnatte overjassen teruggegaan. We hebben de aardappelen op een vuurduiveltje (kacheltje) gekookt, alsmede een kan melk en hebben het zaakje met smaak verorberd. Om 9 uur toen we goed en wel op het stro lagen (weer in het kot), hoorden we in de verte in Nijkerk de kerkklokken luiden en een hoop lawaai en geschreeuw van het volk. Het was een heel eind weg. De sirene's loeiden als bij luchtalarm en tal van geweerschoten knalden in de lucht. Het leek wel Oudejaarsavond. Het vuren was van de Canadezen afkomstig.

"Wat zou dat te betekenen hebben " vroegen we ons af. Plotseling kwam een meisje dat in de boerderij als evacué logeerde ons vertellen dat het VREDE was. Zojuist was door de radio het bericht gekomen, dat Duitsland had gecapituleerd. Wij konden onze oren niet geloven. Dat het slecht ging wist iedereen wel, maar dat het zo plotseling afgelopen zou zijn, daarover waren wij toch ten zeerste verbaasd. En waar was Adolf Hitler gebleven, die 6 jaar lang de wereld in vuur en vlam had gezet en zulk een onnoemelijk leed had gebracht ? In elk geval was hij spoorloos verdwenen. "Nu gaan we morgen direct naar huis" zei mijn metgezel. "Ik nog niet", zei ik heel droogjes. "Ben je dan niet blij ?"zei hij. Natuurlijk, antwoordde ik, meer er zal eerst in ons land nog heel wat te regelen vallen voordat alles vrij is, dat gaat maar zo niet ! En ik heb het wel goed doorzien lezer, het ging inderdaad maar niet zo van een leien dakje. Maar wat er gebeurt, gebeurt er, zei hij. Ik wil hier geen nacht meer in dit akelige hok doorbrengen. Hoe het verder gaat kan me niet schelen, want het is hier goed om een longontsteking op te lopen. Gelijk had hij, deze situatie was niet langer te handhaven.

5 Mei. Wij hebben vannacht slecht geslapen. De onverwachte sensatie zal hieraan niet vreemd zijn geweest, maar het was hoewel koud toch windstil en kalm weer geweest. Toen we 's morgens buiten kwamen was het zeer koud. Het had ditmaal wel niet gevroren, maar het was er toch dicht aan toe geweest. "Wij gaan eerst op verkenning uit" zei ik, alvorens wij vastigheid hebben, maar wij nemen toch het grootste deel van onze bagage mee. Je kan nooit weten hoe een koe een haasje vangt. De andere helft halen we dan later wel weer eens op. Toen wij in Nijkerk waren was het hele dorp versierd en overal hingen de vlaggen uit. Om 8 uur zouden er in de diverse kerken dankstonden gehouden worden. Wij vroegen aan een B.S.man of er kans was, dat wij naar huis mochten, maar het ging niet hoor. Al had het Duitse leger ook gecapituleerd, de Duitse en Hollandse S.S. in Amersfoort en Wassenaar dachten er niet aan de wapens neer te leggen. Ze vochten daar op eigen houtje nog stevig door, vanzelfsprekend tegen de bierkaai. Wat een halzen ! "Zie je nu wel", zei ik tegen mijn kameraad, "dat ik gelijk had ?" We kunnen echter wel proberen om te zien hoever we kunnen komen.

Elke kilometer is al weer winst, maar wij brachten het niet erg ver. Overal stonden B.S.posten zowel te Bunschoten en Spakenburg als te Hoevelaken. Voordat ik verder ga met mijn verhaal wil ik toch eerst nog iets mededelen over andere plaatsen in ons land. Alles was nu vrij in Holland, op een enkele uitzondering zoëven genoemd. Ik hoorde een maand later, dat het bij ons vandaag in Bussum een hele herrie was geweest. Alles was één en al vlag en het volk stond in dichte drommen langs de weg geschaard. Een onafzienbare rij pantserwagens en vrachtauto's ging over de Brinklaan en het publiek zwaaide met hoeden en zakdoeken naar de Canadezen. De hele zaak ging op Amsterdam aan. Bij hun intocht was Amsterdam één vlaggenzee en tienduizenden zongen uit volle borst het bekende lied uit de vorige oorlog 1914-1918: IT'S A LONG WAY TO TIPPARARY. De stomverbaasde Canadezen wisten niet hoe ze het hadden. Ik heb dit alles natuurlijk alleen gelezen en van horen zeggen, want ik ben er helaas niet bij geweest. Toen ik enige jaren geleden in Utrecht de intocht van de Duitsers bijwoonde deed niemand een mond open. Toen was iedereen verslagen.

En thans vervolg ik mijn relaas. Wij zijn nu naar Nijkerkerveen gegaan, een zeer uitgestrekt dorp met zeker wel meer dan 100 boerderijen. Wij kregen bij een Canadese keuken een pak biskwie, want wij zaten niet dik in ons brood. Om 12 uur hebben wij bij een burger een bord warm eten gehad en 's avonds een blik aardappelen met worteltjes enz. van de Canadezen. Het weer had zich de gehele dag goed gehouden. De zon scheen vrolijk, maar de wind was nogal schraal. 's Avonds hebben wij bij een boer weer onderdak gekregen. Het werd erg donker en tegen 10 uur begon het hard te regenen.

6 Mei. Wij hebben vannacht heerlijk geslapen. Wij sliepen in een hoekje van een stal op stro, maar het was er netjes en tevens afgeschoten. Er kwam geen tochtje door, een hele vooruitgang bij dat andere hok vergeleken, want daar kon het niet beroerder. Wel hadden wij af en toe nogal last van muizen. Ze holden door het stro, maar dan gaven wij er een flinke klap op en dan waren ze in een ogenblik weg. Het heeft de ganse nacht zwaar gestormd en geregend, maar toen wij opstonden was het totaal opgeklaard. Het werd een mooie zondag al stond er de gehele dag een flinke bries. Wij hebben vandaag nogal wat brood bij elkaar gescharreld en bij een huis kregen we nog een bord warm eten met sperciebonen. Verder hebben wij maar meest gewandeld.

7 Mei. Deze dag begon niet erg fortuinlijk voor ons. Wij hadden alvast niets te eten en de boer waarbij wij onderdak waren had ook al niets. Een bakker was in dit gat op geen velden of wegen te bekennen. "Dan gaan we maar weer de boer op", zei ik, en ieder zorgt maar voor zichzelf. Ik was slecht te spreken, daar ik mijn sokken miste, maar gelukkig had ik er nog een paar in reserve, doch mijn verdenking viel direct op mijn metgezel, want hij zat de laatste dagen maar steeds aan mijn hoofd te zeuren, dat zijn sokken kapot gingen en of ik er geen paar over had. Ik zei:"de mijne gaan ook kapot en de hele die ik nog heb kan ik vanzelfsprekend niet missen". Ook mijn witte haarkam was spoorloos verdwenen. Deze geleek precies op de zijne, welke waarschijnlijk ook zoekgeraakt was. Ik nam geen blad voor de mond, zo ben ik nu eenmaal en vroeg hem recht op de man af "Zeg waarde vriend, heb jij soms mijn sokken ingepikt ?" "En mijn kam, waar is die gebleven ?" Van beide zaken wist hij natuurlijk niets af zoals het altijd gaat met dergelijke gevallen. De man ligt op het kerkhof, zegt het spreekwoord. Ik dacht: "Ik zal er maar geen herrie meer over maken, maar ik zal je toch in de gaten houden, vader".

Later na een jaar sprak ik hem er weer over in Bussum, toen hij terecht nog iets van mij te vorderen had. Ik zeg "dat krijg je niet, want we zijn quitte". Hij zei "laat dan maar zo". Een klaar bewijs dat hij wel degelijk aan het jatten was geweest. Mijn achting en sympathie jegens hem is er vanzelfsprekend niet groter op geworden. Wij gingen ieder onze kant uit om eten te halen. Ik kon aanvankelijk niet best slapen, maar hij wel. Hij kreeg van een Canadees een heel pak biskwie. Hij heeft ze EERLIJK met mij gedeeld, want ik kreeg er … 3 zegge drie, terwijl er in zo'n pak zeker wel 20 inzaten. " Is dat alles" ? zei ik. "Ja, zei hij, ik heb er maar een paar gehad". Ik zei maar niets meer, maar dacht "Ik zal toch wel achter de waarheid komen, je verlakt mij niet". Ik ging ook mijn kant uit en van een andere Canadees kreeg ik 2 snee wittebrood. "Ziezo, dacht ik, die maak ik alleen soldaat. Als hij er zo over denkt als vriend, dan geloof ik het ook wel", en ik heb ze fijn verorberd. Ik liep een lang landweggetje af en kwam pardoes bij een keuken van de Canadezen terecht. Ik vraag de kok of hij nog war brood over had. Hij vroeg op zijn beurt: "WILL YOU WORK FOR US TODAY ?" (Wil je voor ons vandaag werken ?).
Ik zeg:"Yes, it is very good" (Ja, dat is heel goed), want ik verveelde me stierlijk. Ik zei: "What o' clock must i come ?" (Hoe laat moet ik komen ?) ABOUT TWELVE FIFTEEN OR HALF PAST TWELVE (Om ongeveer kwart over twaalf of half een.) Om te beginnen kreeg ik een finke snee wittebrood. Het was wel droog, maar het smaakte best. Daar kon ik het de eerste uren wel weer op stellen.
Toen ben ik weer teruggegaan en heb met een paar Canadezen languit in het gras gelegen. Ik had in februari tijdens het werk in Arnhem een lelijke wond aan mijn scheen opgelopen en deze wilde maar niet genezen ten gevolge van ondervoeding en gebrek aan de nodige vitaminen. De Canadezen hadden een doos paardezalf. Ik heb er een flinke dot opgesmeerd, een lap erom gedaan en toen ik enige dagen later deze eraf haalde, was de wond die meer dan twee maanden open geweest was zo goed als genezen. Het was vandaag prachtig weer. Om kwart over 12 was ik present aan de keuken. " Pull out your coat". (Trek uit je jas) zei de kok op een commanderende toon, die soldaten nu eenmaal eigen is, want op dit punt zijn alle soldaten gelijk of het nu een Duitser of een Canadees is.

"You must clean all these tools". (Je moet al dit keukengerei schoonmaken). Ik heb met heet water de hele zaak omgespoeld en met koud water nagewassen en afgedroogd. "I am ready, this work is finished" zei ik (Ik ben klaar, dit werk is af). "And now you must dig a hole to bury all these tins and when it is deep enough, you van level the soil". (En nu moet je een gat graven om al deze blikken in te stoppen en wanneer het diep genoeg is, kun je de bodem vlak maken). "All right (accoord) zei ik. " I have done such work several times for the Germans at Arnhem".(Ik heb zulk werk al verscheidene malen voor de Duitsers in Arnhem gedaan). En ik aan het spitten … nu voor de geallieerden ! En met meer animo, lezer ! Toen het werk af was kwam de BOSS (baas) kijken of het naar genoegen was. "IT IS GOOD" zei hij, "AND NOWYOU CAN GO TO THE KITCHEN FOR DINNER". (Het is goed en nu kun je naar de keuken gaan voor het middagmaal). Ze hadden een bord aardappelen met erwten klaargezet. Ik smulde erin in zulk een stevige kost. Het was goed vet en aan de kant van het bord lag een stuk gebraden ossevlees.

Toen ik het op had gaf een andere Canadees er nog 2 snee gesmeerd wittebrood bij met een lik jam erop, benevens een grote kop ECHTE thee en een doosje met 10 sigaretten. Ik had die kerels wel om de hals kunnen vliegen, zo blij als ik was. Ja, lezer, onze bevrijders zijn aardige mensen en thans is het eind augustus nu ik dit schrijf, maar ik kom elke avond in Bussum nog gedurig in aanraking met Tommies of Canadezen, want er zitten hier met Naarden meegerekend 3000 (400 Tommies en 2600 (Canadezen) en ook onze burgerij leeft ermee op zeer vriendschappelijke voet. Toen ik mijn maaltijd had beëindigd vroeg ik "When must i come back ?" (Wanneer moet ik terugkomen ?). "At five o' clock" (Om 5 uur) zei hij. Het was 2 uur toen ik wegging en heb maar weer eens rondgewandeld. Er kwamen een paar grote Amerikaanse vliegtuigen over, maar niet om bommen te gooien, want de oorlog was voorbij. Een eind verder wierpen ze pakken met levensmiddelen uit, want ook op de Veluwe was de economische toestand niet rooskleurig. Mijn kameraad was er ook op een af andere manier achtergekomen dat ik voor de Canadezen had gewerkt en nu wilde hij ook daarheen.

Ik zei hem dat ze het wel met één mannetje af konden en ik bovendien met hen een afspraak had, en vond het niet erg plezierig, dat hij ook meeslofte, want het spreekwoord zegt "Vele varkens maken dunne spoeling". Er zal voor 2 man geen wek genoeg zijn en eten evenmin of ze laten hem werken en gooien mij er weer uit, want ze hadden gezegd, dat ze verder geen lui nodig hadden. Maar toen we kwamen viel het erg mee. "YOU MUST PEEL POTATOES". (Julie moeten aardappelen schillen) zei de kok. Hij haalde een zak voor de dag en stortte de inhoud op de grond uit en wij aan het jassen dat de spanen eraf vlogen. Het waren er verbazend veel en groter dan onze Hollanders. Er kwam geen afval af en ze waren prima. Het waren naar ons idee een soort "Red Stars", maar ze waren veel groter dan die wij kennen. Wij kregen 2 grote ijzeren bakken vol water en daar moesten ze in.

De kok was zeer verbolgen over de eigenaars van het huis, waarin hun keuken was ondergebracht, want ze stalen volgens hem als raven. Hij zat in het Engels tegen mij zijn ongenoegen kenbaar te maken over zulk een levensstijl. Ik had eveneens mijn afkeuring hierover gegeven, doch zei ook dat hij toch niet alle Hollanders over één kam moet scheren. "Yes, i know, not everyone is bad, there are also good people among the Dutchmen". (Ja, dat weet ik wel, niet iedereen is slecht, er is ook goed volk onder de Hollanders) zeide hij. En wij zaten maar samen Engels te bomen alsof we in een Hollandse sociëteit waren, en onderwijl waren de piepers gejast. Wij waren nog wel niet helemaal klaar, maar hij zei "IT IS ENOUGH, YOU CAN LEAVE YOUR WORK TILL TOMORROW MORNING, AND NOW YOU CAN GO FOR SUPPER". (Het is genoeg, jullie kunnen je werk laten zitten tot morgenochtend en nu kunnen jullie het avondeten gebruiken).

Wat wij nu kregen overtrof onze stoutste verwachtingen. Wij kregen een flink bord aardappelen met erwten, vet en vlees, 4 plakken corned-beaf, 4 plakken bieten, 2 snee wittebrood met boter en jam, een half blik jam en ieder 25 sigaretten. Ik bedankte de kok in een stortvloed van Engels, maar ik heb zoveel gezegd, dat ik het moeilijk weer kan geven. Het kwam in het kort hierop neer, dat wij een dankbare herinnering behielden aan hetgeen hij aan ons als arme Hollanders had bewezen enz. Terdege verzadigd keerden wij terug naar ons verblijf.

8 Mei. Om 9 uur waren wij opnieuw bij de keuken en begroette ik hem met het gebruikelijke: "GOOD MORNING SIR" (Goede morgen waarde heer). "GOOD MORNING" zeide hij weerom. "NOW YOU MUST FINISH YOUR WORK AS SOON AS POSSIBLE, FOR WE GO AWAY TO AMSTERDAM" (Nu moeten jullie je werk zo gauw mogelijk gedaan maken, want wij gaan weg naar Amsterdam). Ik vroeg of wij niet mee mochten rijden, maar het was verboden. Het speet ons erg, dat ze weggingen, want wij hadden hier een best baantje. Toen we klaar waren moesten wij grote blikken in de sloot gooien of begraven, en tot slot meehelpen een vrachtauto van het erf op straat te duwen. Als beloning voor de bewezen diensten kregen wij nu 4 grote sneden brood met boter, een heel wittebrood (het model van een boffert), een half blikje jam en een pond ECHTE gemalen koffie. War waren dat toch beste kerels.
Ja, lezer, als men hun taal verstaat en men komt met hen in aanraking, dan komen zowel de Engelsen als de Canadezen het meest overeen met onze Brabanders, Gelderssen of Limburgers. Het is een gemoedelijk volk. Elke dag als ik een wandeling na werktijd ga maken loop ik nog steeds in Bussum die luitjes tegen het lijf. Ze zijn erg aardig.

Tijdens de feesten op 31 augustus en 1 september waren er openlucht danspartijen in de straten en onze vrienden dansten vrolijk met het publiek mee. Ik nam stevig afscheid van de kok en wenste hem verder alles goeds toe, wanneer hij weer bij zijn gezin in Canada was teruggekeerd. Hij wenste mij wederkerig ook het beste. Toen gingen wij maar weer aan de wandel. Al wandelende zei ik tot mijn kameraad: Het is allemaal mooi, lief en aardig, maar de Canadezen zijn hier weg en bij de boeren is het vet ook van de ketel en aan hongerlijden heb ik een broertje dood. Wij kunnen nergens meer heen. Ik weet niet wat jij gaat doen, maar ik ga morgenochtend naar Nijkerk en meld mij bij de B.S. voor eten en onderdak. Al had ik over de duivel gesproken, dan had hij niet erger kunnen schrikken. Verbeeld je die verschrikkelijke B.S., waar je een politiek examen moet afleggen !

Hij had 1001 uitvluchten. "Weet je wat ze dan doen", dan ga je naar Harderwijk en dan zetten ze je vast. "Wat zou dat" zei ik onverstoord, ze hangen je niet op en bovendien heb je kost en onderdak. Maar of ik al praatte als Brugman, hij was dermate onthutst dat ik maar zei: "Ik blijf bij mijn besluit, dat zwerven is ook niks". "Om mijn part pikt de politie ons op, het zal me een zorg zijn". Maar lezer, ik heb al eerder gezegd: "Mijn makker was niet brandschoon".
Ik was onbewust lelijk met een stok in zijn politieke geweten aan het roeren geweest. Gek, dat ik dat toen niet besefte. Wij hebben 's middags weer een flinke wandeling gemaakt, maar het was minder prettig dat wij niet konden slagen om onderdak voor de nacht te krijgen, want de boer waar wij 3 dagen geweest waren had ook al weer genoeg van ons. Enfin, als het niet gaat dacht ik, gaan we maar weer evenals laatst in de openlucht slapen, want het weer was mooi en vrij warm en wind stond er niet. Om 5 uur waren wij weer op de terugtocht en zaten wat aan de kant van de weg bij een sloot uit te rusten en met een paar mensen te praten die daar ook zaten, toen er opeens een hulpagent van politie per fiets langs kwam. Hij stapte af en vroeg die mensen naar hun persoonsbewijs. Zij konden het tonen, en toen kwamen wij aan bod en wij konden hieraan helaas niet voldoen. Daar zaten wij nu. Wij werden ingepikt en moesten met hem mee.
Mijn kameraad die dat vrijbuitersleventje wel was bevallen was erg in de put, ik helemaal niet. "Het kan me geen lor schelen wat ze met me uithalen", dacht ik, beroerder dan nu kan het ook al niet. Als een paar landlopers gingen wij met de Hermandad mee, een heel eind. Eindelijk stopten wij bij een school waarin wij werden ondergebracht.

Er zaten zeker wel 30 van die "boeven" evenals wij, waaronder ook een jongedame uit Rotterdam en die evenals wij onderweg waren opgepikt. Om aan de geachte lezer het geval even uiteen te zetten moet ik verklaren, dat het allemaal mensen betroffen van onbesproken (en misschien sommige ook wel van besproken in politiek opzicht !) gedrag, maar het was nu eenmaal van het Militair Gezag verboden om te zwerven en het leverde voor de zuivering en repatriëring op de duur ook bezwaren op, want er was heden aangeplakt, dat er voorlopig niemand naar huis mocht, want het gehele westen van ons land moest nog gezuiverd worden en bovendien moest ook nog de distributie zodanig worden geregeld, dat de honger daar eerst was uitgebannen en eerst dan konden wij van het M.G. een reispas krijgen om huiswaarts te gaan. Dat zag er niet mooi uit, al was deze maatregel alleszins prijzenswaardig te noemen. Ik had de laatste dagen ook al weinig schik, daar ik evenals zovele mensen al in geen weken taal nog teken van huis had vernomen. Hoe zou het daar zijn ? En nu keer ik tot mijn verhaal terug. In die school hadden wij het niet slecht. Wij mochten buiten op een stoel zitten, roken en genieten van de schone lenteavond.

De conciërge en zijn vrouw waren heel aardige en bovendien zeer godsdienstige mensen. Wij kregen een paar kommem melk en van hun zoon een sigaret.
In de school zaten achter een tafel een paar B.S.mannen … brrr, lezer. Denk aan onze kameraad ! Wij zaten zo'n beetje in het hol van de leeuw. Ze vroegen ons enige dingen, maar veel bijzonders was het niet. Later zouden we nog wel verder aan de tand worden gevoeld. Om half 9 moesten wij plotseling opbreken en onder politiegeleide werden wij gelijk met een stal andere "misdadigers" naar Nijkerk gebracht. Het was een eigenaardige optocht. Om ruim 10 uur werden wij in Nijkerk ondergebracht in een soort kunstgebouw "Volksheil" geheten. Er zaten van allerlei slag mensen in zoals teenagers, lieden die uit Duitsland kwamen en ook mensen die helemaal van een hongertocht uit Friesland waren gekomen enz. enz. alle met hun vrouwen en kinderen, een echt asiel voor daklozen. Om de haverklap ging er een naar de W.C. en dan rook het er allesbehalve gezellig, maar enfin wij waren tenminste onder dak.

9 Mei. Vannacht hebben wij nogal goed geslapen in ons nieuwe verblijf. Om 8 uur kregen wij een heel bruinbrood en een flink bord pap, dus de dag begon al goed. Na het eten werden wij door de baas van het gebouw aan het werk gezet. Al het oude stro moest eruit en door nieuw worden vervangen. Het was niet wat men noemt een prettig baantje, want het weer was knap warm. De hele strorommel moest naar de gemeentelijke vuilnisbelt worden gereden met een handkar, terwijl een andere ploeg weer voor nieuw stro zorgde.

10 Mei. HEMELVAARTSDAG. Evenmin als op dezelfde beruchte datum van 1940 kon ik deze dag in huiselijke kring vieren, erg vervelend. Het weer was prachtig evenals 5 jaar geleden en wij hebben samen een mooie wandeling gemaakt om de plaats heen. Buiten dit dorp is de natuur wel mooi, hoewel erg vlak, maar aan Nijkerk zelf is kraak nog smaak aan, een naar gat. 's Avonds zijn we naar de haven geweest. Met het eten gaat het wel, maar het menu is uitermate eentonig. Alle dagen brood en pap, soms zuurkool, maar die is hard als ijzerdraad, geen vet en bijna geen aardappelen. Gelukkig hebben we vandaag wat warm eten bij een burger gehad al was het niet veel.

11 Mei. Opnieuw een pracht van een dag, maar behoorlijk warm. Wij moesten weer strorijden, maar het werk was gauwer klaar dan de eerste keer. 's Middags heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben naar het B.S.bureau, gevestigd in de Bagijnenschool gegaan, want wij mochten feitelijk niet in de plaats rondlopen zonder vergunning van de B.S. en bovendien kon men op deze vergunning etenskaartjes krijgen en anders kreeg je niets. Toen ik op het bureau kwam stond er al een hele troep mensen vóór mij, allen nieuwkomers. De Bagijnenschool was tevens een strafkolonie voor N.S.B.ers, Landwachters en S.S.ers. Toevallig was ik getuige van zo'n strafoefening. Op het plein liepen wel een 40 tal kaalgeschoren mannen in het rond onder aanvoering van een B.S.man met een band om zijn arm, waarop het woord "Oranje" stond. Hij had een Engels geweer aan de schouder, een z.g. "stengun", een automatisch wapen. Die mensen waren z.g. "zware jongens". Ze moesten achter elkaar hardlopen, liggen, opstaan enz. en dat alles op een kaal plein, waarop de zon onbarmhartig fel scheen. Het zweet liep hen bij stralen van het gezicht. Ja, lezer, boontje komt om zijn loontje. Nu wordt hen vergolden, wat ze ons hebben aangedaan en dan worden ze later voor het gerecht gedaagd. Eén voor één werden wij binnengeroepen.

Toen ik bijna aan de beurt was, werd er juist een persoon onderhanden genomen die er keurig verzorgd uitzag. Toen hij op het bureau was moest hij de handen vouwen en zijn armen achter in de nek leggen, want mijnheer was daar door de politie heengebracht en bleek een Hollandse S.S.er te zijn. Wat ze allemaal tegen hem gezegd hebben kon ik niet verstaan, maar toen hij er weer uitkwam stond het huilen hem nader dan het lachen. Hij mocht natuurlijk de school niet meer verlaten, en ongetwijfeld is bij hem later ook de tang in het haar gezet. Op het bureau zat ook een Bussummer, een boekhouder van de Buss. Waterleiding, waarmee ik vroeger wel eens kennis had gemaakt op de vergadering van de Chr. Handels- en Kantoorbedienden. Toen hij mij zag, zeide hij al meteen tegen zijn chef "Deze persoon is absoluut safe (zuiver op de graat). Dan hebben wij niet veel meer te vragen, zeide hij. Ik werd natuurlijk wel aan een kort politiek examen onderworpen maar promoveerde "cum laude" (met lof). Hij schreef een vergunning uit, dat ik mij vrij in Nijkerk mocht bewegen en overhandigde mij dit. Dit briefje gold tevens als een bewijs van politieke betrouwbaarheid, en kon ik dus bij eventuele contrôle van het M.G., B.S., Canadese of Engelse of Hollandse politie tonen, wanneer zulks voorkwam. Ziezo, die was voor de bakker !
Ik had het er heel wat beter afgebracht dan die S.S.er die de eed van trouw aan een vreemde overheerser had afgelegd. Mijn kameraad was op geen velden of wegen te bekennen, want hoe moeilijk het hem overigens ook was om

Einde schrift 5 en begin schrift 6.

aan eten te komen, voor geen geld van de wereld waagde hij zich in het hol van de leeuw. Ons logement schold hij uit voor een luizentroep en ging hij maar zwerven en 's nachts bij een of andere boer slapen om de B.S. maar te ontwijken.

12 Mei. Over deze dag heb ik heel weinig te zeggen. Het weer was prachtig, maar smoorheet (27° C). Vandaag hadden wij niets te doen. Mijn kameraad was er in geslaagd een bewijs van de B.S. (een klein bureautje, niet het politieke bureau in de Machinestraat !) te krijgen, dat hij naar huis mocht gaan. Misschien zal de lezer wel denken "Was jij ook maar zo goochem geweest", maar de zaak zat bij hem wel even anders. Er was n.l. een verordening afgekomen, dat niemand huiswaarts mocht keren of hij moest een kennis of familielid hebben, die voor hem borg stond. Nu had hij een kennis, zoals ik al eens eerder had gezegd, die kleermaker was en deze wilde voor hem borg zijn. Triomfantelijk liet hij mij dat bewijsje zien. Ik beschouwde het zo'n beetje als ogenuitstekerij en zeide kortaf: "Nu, gefeliciteerd hoor, maar het interesseert me niks". Ik was misschien wel wat onvriendelijk, maar de lezer moet ook in ogenschouw nemen, dat ik onder enorme psychische spanning stond. In de eerste plaats was ik in meer dan een half jaar niet thuis geweest. Ten tweede had ik geen teken van leven sinds 6 weken meer vernomen en ten derde voelde ik mij de laatste tijd niet lekker. Vooral vandaag had ik ook al ten gevolge van de warmte weer dikke benen en had het gevoel alsof mijn hele lichaam van lood was gemaakt zo zwaar.
Ik leed aan oedeem (waterzucht) tengevolge van de abnormale leefwijze. Ik was zeer overgeprikkeld en dit werd er niet minder op, als men ziet dat hij zo'n "mazzeltje" heeft. Maar wie het laatst lacht, lacht het best, en hij heeft van zijn vrijheid bitter weinig lol gehad. Hij is kort na zijn thuiskomst door de P.O.D. (politieke opsporingsdienst) gearresteerd wegens collaboratie (samenwerking met de vijand). Hij heeft een hele tijd gezeten, vermoedelijk in het kamp van Laren, want hij was op 1 november nog steeds niet vrij. 's Middags heb ik nog wat rondgewandeld, maar ik heb maar meest in het gras gezeten, daar ik geen 100 meter kon lopen zonder te pauzeren. De grote hitte werkte zeer slecht op mijn gestel. Ik heb overigens nogal aardig wat brood bij elkaar gescharreld. Om 4 uur kregen wij soep, maar ze was van buitengewoon slechte kwaliteit. Het was warm weer waarin een stuk of wat tuinbonen dreven. Het zaakje schuimde als bier.

13 Mei. Zondag. Ik had echter niet de moed om naar de kerk te gaan, daar ik zo'n beetje voor schandaal liep in mijn oude plunje, dat er na meer dan een half jaar niet mooier op geworden was door werken in weer en wind en de zwerftochten. Het weer was opnieuw mooi, maar nog heter dan de vorige dag (30° C is tropisch !). Ik heb 's middags zo goed en zo kwaad als het ging een wandeling gemaakt in mijn eentje, want mijn kameraad was zoals de lezer weet vertrokken. Ik heb gelopen tot de z.g. "Stenen Kamer" halverwege Putten en ben vervolgens bij een boerderij aangelopen om wat te bikken te krijgen. Ik trof het daar best, want ik kreeg een bord aardappelen met spinazie en nogal tamelijk vet. 's Middags was het in "Volksheil" maar weer pap eten, maar op het laatst kreeg ik er toch schoon genoeg van. Ze was wel niet slecht, maar toch te waterig. Op de duur kon ik het niet meer verdragen en brandde ze me de keel uit. Ik had haast uitsluitend brood dat ook al van zeer slechte kwaliteit was. Het was duf en bovendien niet half gaar, precies stopverf van binnen. Dat zulk een leefwijze zich zou wreken behoeft geen verwondering te baren. Toen ik het eten (de spinazie)op had, heb ik nog lekker languit in het gras gelegen en in gezelschap van een Canadees. Hij deelde mij zijn levensgeschiedenis mee en ik aan hem op mijn beurt de mijne, natuurlijk alles in het Engels. Tenslotte kreeg ik nog een fijne SWEET CAPORAL (sigaret) van hem. Het kwam goed van pas, want ik had niets meer te roken. Toen ben ik maar weer opgekrast, terwijl ik onderweg zat te broeien op welke manier ik weer wat te roken zou krijgen. Bij de burgerij viel niets meer te halen, want ze had zelf niet. Ik kwam langs een Canadees autopark en vroeg aan de man, die daar de wacht hield: "PLEAS SIR, HAVE YOU TOMORROW SOME WORK FOR ME, FOR I AM ANNOYING ME TERRIBLY". (Zeg eens, waarde heer, heeft U morgen ook wat voor me te doen, want ik verveel me verschrikkelijk). "O YES, zei hij "YOU CAN COME TOMORROW AT 9 O' CLOCK FOR CLEANING THIS CAR" (O, ja, je kunt morgenochtend om 9 uur komen om deze vrachtauto schoon te maken). "ALLRIGHT" zei ik, en ik blij. Ik heb als kantoorbediende nog nooit zulke rare zaakjes opgeknapt, maar wat kon het mij schelen. Niemand die mij kent en dat leeglopen met je ziel onder de arm zinde me al helemaal niet en bovendien viel er wat mee te verdienen.

14 Mei. Het weer is plotseling omgeslagen en donker, koel en winderig geworden, maar best weer om te werken. Om 9 uur was ik present bij het wagenpark van de Canadezen en kreeg ik om te beginnen een doosje met 20 sigaretten. Toen kreeg ik een stuk ijzer om de harde stukken opgedroogde modder van de spatborden af te kloppen en een harde kwast om het zand eraf te poetsen. Het ging gesmeerd. Het leek wel of ik het al jaren had gedaan inplaats van voor het eerst. Het was een heel karwei, maar toen ik dan ook eindelijk klaar was, was de "BOSS" tevreden, en kreeg ik 40 sigaretten, in totaal 60 stuks. Daar ik die pap echter niet best meer kon verdragen, heb ik wat sigaretten omgeruild voor een stuk brood. 's Middags kregen wij echter een flink stuk koek van uitstekende kwaliteit, maar overigens liet het eten veel te wensen over. 's Avonds moesten wij weer stro halen in een school en naar ons logement brengen op een handkar. Het was nogal niet zo'n groot werk, hoogstens een uurtje.

16 Mei. Vanmorgen zijn we naar een badhuis geweest hetwelk in een gebouw van een stoomwasserij aan de Barneveldseweg was gevestigd. Het was tussen twee haakjes geen overbodige luxe. Het weer was donker en vrij kil.

17 Mei. Een prachtige dag brak aan, maar het was erg warm. Reeds in de morgenuren was het drukkend en benauwd en was het zeer de vraag of het wel zo mooi zou blijven. Ik heb aan de kant van de weg lekker in het gras gezeten. Er kwam een heel stelletje zware 4-motorige geallieerde vliegtuigen over en maakten een rondje boven Nijkerk. Ze vlogen zeer laag en het was een fraai gezicht. Ik zat onderwijl maar in de Nijkerker Courant te lezen en intussen snorden tal van Canadese vrachtwagens langs me heen. Tegen 11 uur ben ik weer opgestapt en heb een wandeling gemaakt achter het kerkhof. Hier was ik getuige van een wonderlijk schouwspel. Bij dit kerkhof bevindt zich de gemeentelijke vuilnisbelt. Er waren daar ongeveer 30 mensen druk aan het vuilnis storten en blikken sorteren … allemaal N.S.B.ers lezer, onder commando van een B.S.man. Misschien waren het wel dezelfde lui die als gestraften op het plein van de Bagijnenschool de vorige week aan het "sporten" waren. Er was zelfs elite onder, de rijkste ingezetene van Nijkerk, een halve miljonair, een zekere v. Leeuwen Boomkamp was ook, evenals de anderen, druk bezig met oude rommel uitzoeken. Hij droeg een blauwe kiel en een oude broek. Ja, ja, 't is je wat ! Ze lopen nu niet meer te paraderen en langs de straat te zingen van: "Wij zijn de zwarte soldaten". DAS WAR EINMAL (Dat is gebeurd).

Om kwart voor 12 heb ik op het Verlaat de radio beluisterd, maar de uitzending was slecht te verstaan, zulk kraken. Er zat onweer in de lucht. Toen de uitzending ten einde was, was ook het mooie weer opeens verdwenen. Een vaalgrauwe lucht kwam opzetten en in de verte rommelde de donder. Dat zag er niet mooi uit. Ik had nog wel met een boer afgesproken dat ik vandaag een "muisje" zou komen halen (Muisje is een Veluws dialect voor kliekje). Maar ik liet mij niet weerhouden. Als het onweer erger wordt, zal ik wel weer zien. Men kon tenslotte overal schuilen in de huizen. Onderweg werd het donkerder en begon het te regenen. Na een half uurtje was ik bij de boer en kreeg ik een flink maal aardappelen met erwten. Onderwijl begon het te gieten, maar ik was gelukkig onder dak. Het onweer duurde niet lang en was ook niet erg zwaar. De bui trok spoedig in de richting Zwolle. Toen ik wegging scheen de zon weer. Het was er niets van opgefrist, waaruit men kon opmaken dat er nog meer onweer in aantocht was. Ik had door het warme weer veel last van mijn benen en ben heel langzaam lopend naar mijn logement gegaan.

's Middags heb ik een paar uur geslapen, wat voor mij al heel abnormaal is, daar ik overdag anders nooit slaap. Een gezond mens heeft daar geen behoefte aan. Om 5 uur ben ik naar de kleuterschool gegaan om pap te eten. Ook kregen wij snert, maar het leek ook wel snert. Ze was veel te waterig. Opeens begon het erg donker te worden. Een felle bliksemstraal schoot door de wolken, gevolgd door een daverende donderslag. Het onweer barstte vlak boven Nijkerk los. Het begon eerst flink te hagelen alsof het winter was inplaats van drukkend warm weer en toen te stortregenen. De donderslagen rolden aan één stuk door. Wij hebben de bui daar afgewacht. Na een kwartier bedaarde het onweer en werd het droog. Toen we buiten kwamen was het heerlijk opgefrist. Ik heb maar weer en korte wandeling gemaakt naar het wagenpark van onze vrienden de Canadezen. Een der mannen vroeg mij het volgende: "CAN YOU TRY TO GET FOR ME A MOTORCYCLE FOR TOMORROW MORNING WITH A CAN OF PETROL"? I NEED THIS FOR 6 HOURS. I MUST GO TO HILVERSUM" Ik zei: "I SHALLDO MY UTMOST FOR IT". (Kun je proberen om voor mij een motorfiets en een kan benzine te krijgen ? Ik heb hem voor 6 uren nodig. Ik moet er mee naar Hilversum. Ik zal mijn best doen).

Ik dacht: tjonge dat is niet gek, daar zal wel weer wat voor mij aan vast zitten, een rokertje of zoiets.
Ik ging met bekwame spoed naar de A.B.D. (Autobevrachtingsdienst) en vroeg aan de chef of hij voor een Canadees militair zolang een motorfiets plus benzine over had, en wij samen op stap naar een garage. Wij hadden geluk. De motorfiets werd gevorderd en het zaakje was beklonken. Ik naar de Canadees. "NOW, I HAVE SUCCEEDED TO GET A MOTORCYCLE" (Nu, ik ben erin geslaagd een motorfiets te pakken te krijgen) zei ik. " AH, THAT'S VERY NICE" (Ha, dat is heel mooi). Het wordt uitgesproken als Ah, zets verrie naais. Trouwens alles wordt heel anders uitgesproken dan het er staat. Hij riep mij bij zich in een steegje, opdat geen kwajongens het zouden zien en duwde mij een doos sigaretten van 25 stuks in mijn handen. "THANK YOU VERY MUCH" (Dank U zeer) spreek uit: Zenk joe verrie mutsj zei ik en ik weer blij. Helemaal zuiver kan ik op papier niet aan de lezer duidelijk maken hoe de TH wordt uitgesproken van "thank you". Het wordt met de tong tegen de tanden gezegd, dus ZENK YOU is niet precies juist, doch wel ten naaste bij. Ziezo, dat was al weer verdiend.

Dat hele Engelse verhaal wat ik tot nog toe steeds in mijn dagboeken heb gezegd was maar voor de aardigheid, want het valt voor de lezer niet uit te spreken als je er geen jaren lang les in hebt gehad. Spreek het dus maar niet op zijn Hollands uit, want dat is glad verkeerd. Ook het Fransch en Duits is heel anders dan het er staat, hoewel Duits soms tamelijk dicht onze taal nabij komt. De woorden zijn wel goed, en worden ook zo geschreven, maar de uitspraak is gans anders.

20 Mei. 1e PINKSTERDAG. Evenals in 1940 maak ik het ten tweeden male mee, dat ik geen Pinksteren in huiselijke kring kan vieren, maar er zijn toch 2 lichtpunten. Er is geen oorlog meer en wij zitten niet meer onder de Mof. Het weer was prachtig, maar nogal fris en ik besloot nu om eens te gaan kerken. Het was meteen een mooie gelegenheid om de jas aan te trekken, zodat ik niet teveel bij de toehoorders afstak. De voorganger was Ds. Luteyn. Hij had meteen een gedachtenispreek ter gelegenheid van zijn 40 jarig ambtsjubileum. Hij somde o.a. al de plaatsen op waar hij zoal gestaan had zoals Hasselt, Muiden, Vlaardingen en tenslotte Nijkerk. Over Hasselt had hij niet bepaald veel moois te zeggen. Het scheen een lastige gemeente te zijn met veel onderling gekrakeel. Het is van binnen een mooie kerk, maar ook van buiten oogt hij wel. De toren ziet er sierlijk uit en heeft een prachtig carillon. Elke avond werd dit haast bespeeld en hoorde men o.a. vaderlandse liederen, maar ook wel andere zoals Sarie Marijs, dan lachte de tortel haar na enz. Toen de kerkdienst was afgelopen en ik weer buiten was, was het weer opeens warm geworden.
Dat was geen doen om met zulk weer met een jas aan te lopen. Ik heb hem uitgetrokken en ben aan de wandel gegaan.

In de Veenstraat stonden 3 zware vrachtauto's en voor het eerst van mijn leven zag ik ook Engelsen (Tommies). Ze zijn iets lichter gekleed dan de Canadezen en hebben een vierkant rood lapje op hun mouw. Ik maakte kennis met hen en spoedig waren we in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Ze kwamen uit Apeldoorn. Bij een huis dat vlak in de buurt was vroeg ik aan de bewoners of ze nog wat te eten hadden, maar veel hadden ze niet. Ik kreeg echter een schoteltje gebakken baarsjes. De Engelse militairen waren aardige lui. Ik mocht achter in de tuin zitten aan een tafeltje. Er kwam tevens een Tommy bij me zitten die mij een sigaret presenteerde. Hij stak er ook een op en wij zaten heel genoeglijk te bomen en onze rookwolken uit te blazen. Ik zei: "CAN I SERVE YOU ON FISHES, DO YOU LIKE THEM ?" (Kan ik U dienen met visjes, houdt U ervan ?). Maar hij zeide: "NO, THANK YOU, I DON'T LIKE THEM" (Neen, dank U, ik houd er niet zo erg van). Wij praatten maar over koetjes en kalfjes dat het een lust was. Dat had de Lagerf(hrer uit Arnhem eens moeten zien, dat ik hier met zijn aartsvijand aan ((n tafel visjes zat te eten en sigaretten zat te roken !

Mijn tafelgenoot zei o.a. nog tegen mij: "IN THE STREET IN ONE OF THE CARS IS A COMRADE WHO CAN SPEAK FRENCH TOO" (In de straat verderop in ((n van de auto's zit een kameraad die ook Frans spreekt). Wij gaven elkaar de hand en ik bedankte de dames voor de lekkere visjes, waarna ik op zoek ging naar die geleerde Tommy. Eindelijk had ik hem gevonden. Het was een vriendelijke Engelsman evenals die andere. "AH, MONSIEUR, COMMENT VOUS PORTEZ - VOUS ?" (Ha, geachte heer, hoe gaat het ermee ?). Vroeg ik. "TR(S BIEN" (heel goed) zei hij. Merkwaardig was het, dat het dit keer geen Frans Canadees was, maar een doodgewone Engelsman die Frans geleerd had. Wij zaten een poosje Frans te bomen over alles en nog wat. Tot slot vroeg ik: "QUAND REVENEZ - VOUS?" 9spreek uit: kan revenee voe, het eerste woord met een neusklank)(Wanneer komt U weer ?). "NOUS VENONS ICI TROIS FOIS PAR SEMAINE, MARDI, JEUDI ET SAMEDI" (Wij komen hier driemaal per week, Dinsdags, Donderdags en Zaterdags).

Hij gaf me nog een sigaret en met een stevige handdruk en een "AU REVOIR" (tot ziens) namen wij afscheid. Er stonden ook een paar burgers uit het logement te kijken en waren verbaasd. Ze keken of ze het in Keulen hoorden donderen.
"Dat is toch verdraaid (ze zeiden een ander bekend grof woord lezer) gemakkelijk dat jullie met elkaar zo kunnen praten". Tegen de avond ben ik maar weer een hoekje omgelopen. Van de Canadezen kreeg ik onderweg een krant en deze heb ik in het gras langs de weg gelezen. Ik had het weer knap in mijn benen met die warmte. De lucht zag er wat nevelig uit, maar toch scheen de zon nog. Ik had echter niet gedacht, dat het mooie weer zo gauw over zou zijn. Toen ik weer goed en wel binnen was, was opeens de lucht betrokken en de zon weg. Ik moest toch nog even de deur uit. Als het zou gaan regenen zou ik wel weer ergens zien onder te duiken. Ik had "dringende zaken", want ik moest voor morgen weer zien dat ik een "muisje" kreeg. Toen ik onderweg was, hoorde ik op grote afstand af en toe een zeer zwak en nauwelijks hoorbaar gerommel. Dat wordt onweer, niet zo mooi, dacht ik. Het weer was doodstil, plechtig stil zou ik haast zeggen en drukkend. Geen zuchtje wind was er waar te nemen en geen blaadje verroerde zich.

Ik was al een mooi eindje buiten de dorpskom bij de z.g. "Holkermolen". Bij de molenaar vroeg ik om wat eten voor de volgende dag, maar mis poes. "Dan heb je pech gehad", zou men tegenwoordig zeggen, maar bij een volgende boerderij had ik meer succes. Ik kon morgen komen. Ziezo, mijn tocht was dan toch niet vergeefs geweest. Toen ik weer op de terugtocht was begon het lelijk donker te worden. Opeens weerklonk een harde krakende donderslag. Dat wordt "poten" om binnen te zijn. Ik zette de pas er flink in en net was ik binnen, toen het begon te stort regenen, en de wind opstak. Toen nog een paar klappen en het onweer was voorbij. Het had niet lang geduurd en het was buiten wel wat opgefrist. Om ongeveer 9 uur ging ik weer een hoekje om, maar de lucht haalde opnieuw aan. Het begon ook alweer te regenen. In de verte lichtte het fel en een tweede onweer naderde. Nee, dat wordt niets en ik weer terug. Toen ik weer binnen was werd het haast duister, gewoon angstaanjagend. Een zwaar onweer ontlastte zich boven de plaats en wijde omtrek. Herhaaldelijk schoten de bliksemflitsen door de lucht, gevolgd door zware donderslagen. De regen viel in stromen neer en het water spoot vanuit de dakgoten met een dikke straal op straat.
De riolen konden de enorme watermassa niet verwerken. Het was gewoonweg een wolkbreuk.
Ik dacht nog "hoe zou moeder het in Bussum maken met dit zware weer", maar naderhand hoorde ik dat het daar nogal meegevallen was, al had het ook daar enorm geregend. Wij hadden 's avonds nog een meevallertje. Wij kregen zeker omdat het Pinksteren was een extra stuk brood van 300 gram.
Om 10 uur was het onweer dat tamelijk lang had geduurd over en konden wij rustig onder zeil gaan.

21 Mei. De hele lieve dag heeft het zonder ophouden geregend en het was nog tamelijk koud bovendien. Wat een verschil met gisteren. Ik heb weer gekerkt (het was Tweede Pinksterdag). Er trad nu een dominee uit Bunschoten op, Ds. Schipper, een vlotte spreker met een goede preek. Na kerktijd heb ik mijn "muisje" gehaald. Het bestond uit een bord aardappelen met sperziebonen en het smaakte best.

22 Mei. Vandaag is het goed weer geweest, wel een beetje fris maar droog en dat was het voornaamste. Ik heb vanmorgen met een nieuw opgedoken kameraad een flinke wandeling gemaakt, eerst naar de haven langs de gasfabriek en vervolgens langs de meubelfabrieken van Tijsseling en verder de polder langs in de richting Putten. Het was een hele bedrijvigheid van vogels zoals kievieten enz. echt voorjaar. 's Middags heb ik alleen een hoekje omgewandeld en natuurlijk geprobeerd een "muisje" op de kop te tikken, maar het zat me niet erg mee. Bij ((n boer had ik in zoverre succes, dat ik a.s. Vrijdag, dus pas over 3 dagen kon komen.

24 Mei. Weinig bijzonders te vermelden. 's Morgens kwamen er 2 grote vrachtauto's vol aardappelen door Nijkerk, bestuurd door Tommies (Engelsen) en hielden stil voor een pakhuis. Daar werd de hele zaak uitgeschept door gemeentewerklieden. Ik vroeg waar ze deze aardappelen vandaan gehaald hadden. FROM MUSSELKANAAL (Groningen) zeiden de Tommies. Ze spraken dit woord eigenaardig uit, want ze kenden natuurlijk geen Hollands. Het was 12000KG, een mooi beetje en bestemd voor de bevolking, omdat er nog steeds geen treinverkeer was.

27 Mei. Alweer Zondag en tevens regenachtig weer, maar het zou de laatste Zondag zijn, dat ik althans hier in Nijkerk zou zitten. Ik was het hier meer dan zat, dat doelloos heen en weerslenteren en maar steeds geen vooruitzicht hebben, wanneer wij nu eindelijk eens in vrijheid zouden worden gesteld. Dit alles werkte verlammend op lichaam en geest. 's Morgens ben ik weer naar de kerk geweest, waar thans Ds. v.d. Graaf voorging. Hij haalde in zijn preek o.a. aan, dat wij 5 jaar lang onderdrukt waren geweest door de moderne Farao Hitler. Na kerktijd ben ik weer buiten Nijkerk geweest want … ik kon weer een muisje halen bij de boer, waar ik ook 10 dagen geleden heb gegeten. Het weer was opgeklaard en de zon scheen, maar er stond een flinke bries. Onderweg sprak ik een vrouw die beweerde dat op 1 juni het westen van ons land zou worden vrijgegeven. "Was het maar waar" dacht ik want er was overigens nog niets bekend wat in die richting wees. Het eten smaakte best bij de boer. Op de terugweg gevoelde ik mij weer wat men noemt lamlendig. Het was net alsof ik een zwaarbeladen kar achter mij aan zat te slepen. Ik heb in het logement een gat in de middag geslapen. Hoe moet men hier anders zijn tijd zoekbrengen.


29 Mei. Ik heb een nieuwe kameraad opgelopen, n.l. een gepensioneerde onderwijzer van een Chr. School in Utrecht. Hij had in het oosten van ons land eten gehaald, maar kon evenals wij allen niet meer terug en zat dus ook gevangen. Wij waren goede maatjes en gingen vaak wat men noemt "de boer op". Hij heeft jaren geleden ook in Nijkerk gestaan en had hier tal van vrienden en kennissen. Vandaag ben ik met hem een heel eind de polder in geweest onder Nijkerkerveen. Wij hebben heel wat brood opgescharreld, want schooien kon hij prima, nog beter dan ik. Het waren meest bekende relaties van hem waar hij kwam. Wij gingen tegen 7 uur 's avonds nog eens op stap, de natuur in. Het weer was overdag niet zo erg mooi geweest, af en toe regen, maar in de namiddag en avond was het overheerlijk, zelfs opvallend warm. In de verte trok een onweersbuitje voorbij, maar wij hadden er geen last van. Het bleef bij een paar slagen, en toen de wind wat begon op te steken, was de bui spoedig uit het gezicht. Wij hebben een heerlijke wandeling gemaakt en tot slot nog pap gegeten bij een boer. Het was zeer laat geworden, half 11 en het was 11 uur toen wij binnen waren.

30 Mei. Om 1 uur 's nachts werden wij allen wakker. De lucht was een en al vuur en vlam. Het leek wel of alles buiten in brand stond. Het was geen oorlog maar er woedde een verschrikkelijk onweer boven Nijkerk. Ik heb van mijn hele leven tot dusverre behalve op 9 en 10 augustus 1925 zo'n onweer nog nooit meegemaakt. Het licht was geen seconde van de lucht en de donder rolde met woest geweld achter en door elkaar. De ene slag rolde en daverde over de andere heen. Ik heb later in meteorologische boekjes iets over dit onweer gelezen en daarbij stond dat het niet meer was uit te maken bij welke bliksems de donderslagen thuishoorden. Alles liep door elkaar. Commentaar overbodig, de lezer oordele zelf. Wat een noodweer ! De regen viel als met bakken uit de hemel. Tot 2 x toe volgde een oorverdovende slag tegelijk met het licht zonder dat deze uitrolde. Het leken wel bomaanvallen ! De bliksem was achter ons logement ingeslagen in een pakhuis en 1 x vermoedelijk op de bliksemafleider van de kerktoren ook vlak in de buurt. Brand werd gelukkig niet veroorzaakt.

De bliksemstralen vlogen kris en kras met allerlei zijtakken door de lucht, ik denk zo'n 100 in een minuut, want dit komt bij hoge uitzondering inderdaad voor. Alles was in rep en roer. De nachtwaker kwam met een lantaarn de zaak inspecteren, doch alles was in goede orde bevonden. Bommen en granaten is heel erg, maar zoiets valt toch ook niet mee. Je knijpt hem behoorlijk. Na een half uur bedaarde het noodweer en hield de regen op, hoewel het weerlichten nog de hele nacht aanhield zonder donder, dat toch erg hinderlijk was, ook al was de bui afgezakt. Om half 3 ben ik nog even buiten gaan kijken en scheen de maan in volle glorie, maar de lucht zat nog vol woeste donderkoppen. Om 4 uur kwam alweer een onweer opzetten. Het lichtte hevig en het begon opnieuw te stortregenen, maar het licht was niet zo kort achter en door elkaar als bij de eerste bui, en het was ook gauw over. Wij hebben met dat al slecht geslapen. Overdag was het weer wat somber, maar toch zwoel gebleven en af en toe brak de zon door. Er stonden groepjes mensen op straat samengedromd die het noodweer van de afgelopen nacht zaten te bespreken.

Om 2 uur 's middags zijn wij weer op stap gegaan en hebben onze kost al weer aardig opgescharreld. Tegen 3 uur begon het weer te regenen. Wij zaten in Nijkerkerveen en hadden geen jas bij ons. Wij hebben onze intrek genomen bij een boer en kregen daar een muisje dat klonk als een klok. Wij kregen een groot bord spinazie met aardappelen. Buiten was het erg donker geworden. Het begon geducht te waaien en de regen viel bij stromen. Toen het na het eten nog niet geheel droog was, mochten wij in de huiskamer komen. De hele familie zat daar, n.l. de boer, zijn vrouw en zoons en dochters. Er stond een huisorgel. De schoolmeester begon het instrument te bespelen en samen hebben we met het boerengezin Christelijke liederen gezongen. Het was heerlijk en hartverheffend. Tenslotte namen wij hartelijk afscheid en gingen weer op ons logement aan. Daar het nog steeds niet helemaal droog was, zijn we nog even bij een burger gaan schuilen. Wij kregen 2 koppen koffiesurrogaat. Welvoldaan keerden wij toen huiswaarts. Het was inmiddels droog geworden.

31 Mei. Vanmiddag zijn we weer samen op stap geweest, niet zo heel erg ver. Het weer was wel zonnig, maar droeg toch een onzeker karakter. Het was ook niet bepaald warm te noemen. Wij liepen over weilanden en hebben heel wat planten en bloemen aan de slootkant bewonderd. Hij schijnt erg van plantkunde te houden. Heel in de verte zag ik de toren van Amersfoort, de "Lange Jan" in de volksmond geheten. "Zat ik daar maar vast" dacht ik, maar liever niet meer in het concentratiekamp zoals op 24 okt.

Einde schrift 6 en begin schrift 7.

Dit beruchte kamp bestaat thans gelukkig niet meer en nu huizen er Hollandse, Engelse en Canadese militairen in. Eindelijk kwamen wij aan een boerderij en kregen daar een paar snee brood. Een eindje verder was een nog grotere boerderij en daar troffen we het reusachtig. Wij kregen en bord havermout en een paar snee brood met kaas en goed kaas hoor ! Ze was in heel Holland niet van dergelijke kwaliteit te krijgen.
Het was eigengemaakte boerenkaas en volvet. Daarna ging mijn kameraad met de boer naar buiten en maakte een praatje over alles en nog wat. Daar het gesprek mij persoonlijk niet raakte bleef ik zolang binnen in de deel in gezelschap van een paar katten. Ik was erg slaperig en zat zelfs te dromen, terwijl ik nog wakker was, een raar verschijnsel, dat wellicht aan uitputting moet worden toegeschreven na al dat gezwerf en die buitengewone leefwijze. Het regende er buiten weer stevig op los, en wij hebben gewacht totdat de bui over was. Toen zijn we weer opgekrast en hebben de terugtocht aanvaard. Onderweg vertelde iemand ons, dat morgen 1 juni het westen van ons land zou worden vrijgegeven. Het bericht was zo juist door de radio gekomen. Ik bleef maar nuchter en dacht "Er zullen wel weer de nodige voetangels en klemmen aan verbonden zijn". In het logement gekomen hoorden wij opnieuw dat het bericht waarheid bevatte, maar er kwam van hogerhand geen enkele instructie binnen wat wij feitelijk moesten doen. Wij bleven hier maar hangen en alles bleef bij het oude.

's Avonds hebben wij in de plaats nog een ommetje gemaakt en bij een kennis van mijn kameraad koffiesurrogaat met lekkere zelfgebakken koekjes gehad. Toen wij 's avonds laat terug waren, hoorden wij, dat wij morgenochtend een bewijsje bij de B.S. konden halen voor vrije doortocht. Ik kreeg nu wel wat weer moed, maar het was naar mijn idee lang niet officie(l genoeg, want dergelijke dingen worden door het Militair Gezag (M.G.) of door de CHIEF COMMANDER (een Engelse instantie) uitgereikt, maar enfin ik zou er eerst maar eens een nacht over slapen.

1 Juni 1945. Een stralende morgen brak aan. Vrolijk scheen de zon en alles beloofde een mooie dag, hetgeen echter niet in vervulling is gegaan. Ik was al om half 8 aan het B.S.bureau en kreeg mijn bewijsje. Het was lang geen gekheid om van hier naar Bussum te wandelen, want treinen reden er nog niet. Het zou echter wel een hele dag duren eer ik thuis was en hoe zou het gaan, ik met mijn dikke benen. Maar ik speculeerde in mijn gedachten maar op boeren waar ik eventueel kon overnachten of wagens die ik onderweg aan kon schieten om mee te rijden. Ik pakte mijn gedeeltelijke bagage bij elkaar, want een ander gedeelte had ik nog bij een boer onder Putten staan waar ik een maand geleden heb overnacht, omdat ik alles niet kon meenemen. Dit zou ik later wel eens komen ophalen. Ik nam van mijn kameraad, de schoolmeester en de overige zaalgenoten afscheid en welgemoed ging ik op stap. Ik liep de lange Holkerweg af naar Bunschoten, 7KM hier vandaan, gepakt en gezakt. Ik was nogal fit voor mijn doen. Nadat ik ongeveer 800 meter had gelopen en Nijkerk uit was, werd ik aangehouden door een B.S.post. Ik liet hem het bewijsje zien en mocht erdoor. "Ziezo, dat was al ((n bezwaar uit de weg.
Een kleine boerenwagen met paard bespannen en op 2 wielen kwam mij achterop. Die doet vaak dienst om hooi of gras in te laden. Ik vroeg aan de voerman of ik een eind mee mocht rijden. "Welja" zei hij, stap maar op. Wel, wel, wat een boffer was dat. Het paard liep met gestrekte draf en het was een mooi ritje langs al die boerderijen. Hij had mij zeker wel 5KM meegenomen, toen hij moest stoppen aan de buurtschap Holk. Ik moest er nu weer af en verder de reis te voet afleggen. Ik had nog een paar honderd meter gelopen, toen ik langs de kant van de weg ging zitten. De lucht begon te betrekken en in de verte zag ik alweer rechte strepen uit de wolken vallen. Alweer regen dus ! Het zag er niet fraai uit. Vanuit de richting Bunschoten kwamen mij een paar fietsende vrouwen tegemoet. "Ga maar weer terug" zeiden ze, geen mens mag er door. De B.S.posten sturen iedereen terug. "Asjemenou", zei ik, zijn ze gek ? Waarom mag dat niet ? "Dat weet ik niet" en verder gingen ze. Geheel ontmoedigd en hevig teleurgesteld in de hoogste graad dacht ik: "Wat nu, dat hele eind weer teruglopen, dat is me ook wat". Ik ga eerst maar weer verder tot Bunschoten en dan zal ik wel weer zien.

Er kwam een grote tankauto van de melkfabriek "Eemlandia" uit Bunschoten aanrijden vol mensen die ook huiswaarts wilden. Ik vroeg aan de chauffeur of ik nog mee kon. "Ja hoor, stap maar op", zei hij en daar ging het met vliegende vaart op Bunschoten aan. Onderwijl deelde ik het sombere nieuws aan mijn medepassagiers mee. Ze schrokken ervan, maar enfin toch maar doorrijden. We reden over een druk weg van 150M lang dat men druk bezig was te repareren. Dit weggedeelte was door de Duitsers opgeblazen geweest. Na nog een minuut of 5 gereden te hebben stopte de auto eindelijk vlak voor de melkfabriek te Bunschoten. Daar had je het lieve leven gaande ! Er stond een hele troep B.S.ers die ons de doortocht beletten. "Wat is de reden hiervan", vroegen wij. "Ja", zeiden ze, vanmorgen om 5 uur kregen wij opeens instructies, dat wij niemand mochten doorlaten, want er schenen een paar S.S.ers ontsnapt te zijn en deze moesten eerst worden opgespoord. Het verhaal leek vrij onwaarschijnlijk. Gesteld dat ze die lui nooit te pakken krijgen of in het gunstigste geval een hele tijd zou duren, wat moet er dan van ons worden ? Enfin, we zijn er nooit achter gekomen. Het deed er ook minder toe, maar wij zaten er maar mee.

Wat hadden we gruwelijk de smoor in, geen wonder ook. Er zat voor ons niets anders op dan maar weer rechtsomkeert te maken. Met al die narigheid had ik toch al weer geluk. Er kwam weer een 2 wielig boerenwagentje aan en weer mocht ik meerijden. Hoe die andere mensen het "versierd" hebben is mij niet bekend. Ze zullen wellicht ook een wagentje of vrachtauto hebben aangeschoten, wie zal het zeggen. Het ging met bekwame spoed op Nijkerk aan. Het weer was intussen helemaal opgeknapt en de zon scheen vrolijk. Mijn dag was echter grondig bedorven. Misschien was het van achteren wel goed geweest, want wie garandeert mij of ik het er wel goed zou hebben afgebracht in verband met mijn zwakke gestel. Het heeft blijkbaar zo moeten zijn en dan is het in dit geval niet verstandig om kwaad te zijn, maar ja, de eerste reactie is menselijk en het kwam hard aan. Een geluk was het echter dat men thuis niets van mijn komst afwist, dus was er ook niemand teleurgesteld. Om half 12 was ik weer in Nijkerk en de boer zette mij vlak bij de kerk af. Na 3 minuten nam ik weer mijn intrek in het logement, genaamd "Volksheil". De schoolmeester keek verwonderd op en zei "Zo, ben je er al weer, wat is er aan de hand"?
Ik vertelde hem het hele relaas. Het trof al erg ongunstig voor mij persoonlijk, dat ik zo'n pech had, want ik had morgen graag mijn verjaardag in Bussum willen vieren. Maar enfin, niets aan te doen. 's Middags heb ik met mijn kameraad een korte wandeling door de plaats gemaakt. Tegen de avond heb ik nog een paar briefkaarten geschreven naar mijn (thans voormalige baas) en een naar huis. Het was natuurlijk ((nrichtingsverkeer, want antwoord kreeg je uiteraard niet terug, ook al omdat de posterijen nog zeer slecht functioneerden. Toen ik naar het postkantoor ging begon het weer donker te worden. Er kwam een onweersbui opsteken en hals over kop heb ik nog gauw de kaarten gepost. Het begon op de terugweg te regenen en nauwelijks was ik binnen of het goor dat het zo'n aard had, terwijl het onweer nu boven de plaats woedde, dat deze keer nogal niet van zo'n zwaar kaliber was. Een half uur later was de bui overgedreven. Voor de zoveelste maal liep ik 's avonds door Nijkerk te slenteren, toen ik opeens een ingeving kreeg.

Ik dacht "Ik ga eens naar het B.S.bureau waar ik laatst mijn politiek examen moest afleggen en daar de situatie eens uiteen te zetten en eens om advies te vragen, hoe ik het moet aanleggen om thuis te komen, want je blijft hier maar hangen en je wordt geen cent wijzer. Ik dus naar de B.S. Ik zeg:"ziet eens heren, de zaak is zogenaamd vrij, maar vanmorgen hebben wij een lelijke tegenvaller gehad. Ze lieten ons niet door. Welke weg moet ik nu bewandelen ? "Ja", zeiden ze, wij weten er alles van, maar wij kunnen er weinig aan doen. Ik zou U aanraden naar Harderwijk te gaan, daar gaat U in een kamp en hebt daar nog kans om weg te komen, want alles moet ordelijk geregistreerd worden en de mensen worden dan plaatsgewijze afgevoerd. Alleen mag men van de Canadese autoriteiten niet op eigen gelegenheid gaan, zoals vanmorgen menigeen, waaronder ook ik deed. "Naar Harderwijk", herhaalde ik bij mijzelf, weer wat anders, maar enfin niets bindt mij aan dit nare gat, waar ik nu zit.

Het kan er voor mij nooit slechter op worden. "En hoe gaat dat nu", vroeg ik. Vanavond of morgenochtend komt er een vrachtauto en dan kunt U mee. Ik bedankte de heren voor het advies en ik weer weg. Mijn besluit stond vast; ik wilde nu naar Harderwijk, wat er ook mocht gebeuren. Velen gaven er de voorkeur aan in Nijkerk te blijven, want dat kampleven stond hen maar matig aan. Ik zeg: "mensen doe nu wijs en ga mee, want je kunt hier wel 100 jaar worden. Je komt hier niet weg.

2 Juni. Ik heb vannacht geslapen als een os, zeker tengevolge mijn slechte humeur. Ik vierde hier tevens mijn 41e verjaardag in "Volksheil" nota bene. Hoe bestaat het ! Maar er zijn wel door anderen ellendiger verjaardagen beleefd in de Duitse en Japanse concentratiekampen, dus veel reden tot klagen had ik nog niet. De mensen in het logement waren wel hartelijk, want ze feliciteerden mij alle. De schoolmeester had inderhaast een groot veldbouquet bij elkaar gescharreld en zette dit in een vaas, terwijl ik van een ander een stevige "ouwe taaie" (borrel) kreeg. De pret zou echter niet lang duren, want de mensen vertelden mij, dat er gisteravond om half 12 een vrachtauto was geweest. De chauffeur had de boodschap meegekregen, dat wij allen hier vandaan moesten naar Harderwijk. Er was haast bij. Wie geen zin had mocht hier blijven, dat moest hij zelf maar weten. Hij zou vanmorgen om half 8 terugkomen. Hij had woord gehouden al kwam hij iets later, want ongeveer kwart voor 8 kwam hij met zijn wagen voor. Haastig nam ik afscheid en stapte in gelijk met de meeste onzer. De schoolmeester bleef achter.

Ik heb verder nooit meer iets van hem vernomen, daar ik nooit op het idee ben gekomen naar zijn adres te vragen. Daar zette de wagen zich in beweging. "Vaarwel Volksheil", ik hoop hier nooit meer te komen, te zien is wat anders en dan alleen van buiten in de vakantietijd. Plotseling stopte de wagen nog even voor het bureau van de B.S. om even later opnieuw te starten. Nu werd het menens. Met flinke vaart reden wij over de Rijksweg. Het weer was niet mooi. Het regende al weer voor de zoveelste maal en het was bovendien kil. Wij kwamen langs Putten en zagen een stel afgebrande huizen, een trieste herinnering aan hetgeen zich op 2 oktober van het vorige jaar heeft afgespeeld en waarvan generaal Christiansen de schuld draagt, maar enfin … eerstdaags wordt hij in Duitsland aan ons uitgeleverd en moet de schurk op het matje komen. Het zal hem de kraag wel kosten. Daarna ging het door Ermelo, een fraai dorp. Er kwam ons van de andere kant een vrachtauto vol mensen tegemoet, alle op weg naar Utrecht en afkomstig uit kamp Harderwijk. Ze werden AFGEVOERD, een hopvol teken. Met een grote zwaai ging het nu langs een weg die een hele kromming maakte. Wij gingen langs een kazerne die vol N.S.B.ers zat.

Er voor stond een wacht van de B.S. Daarna reden wij door een groot hek en kwamen op een uitgestrekt terrein vol gebouwen en barakken. Het hoofdgebouw droeg de naam van "Margrietkazerne". De wagen stopte en bijsleepten onze bagage eruit. Het leek precies een concentratiekamp. Ondanks de regen bewogen zich meer dan 1200 personen over het terrein als mieren. Het was daar strenge discipline. Men werd terdege onderzocht of je handel en wandel in politiek opzicht zuiver was, en zo niet, dan ging men naar de afdeling landverraders. Geen wonder dat mijn vroegere kameraad (ik bedoel niet de schoolmeester, lezer, want dat was een fidele kerel, maar de eerste), het land aan Harderwijk had. Overigens zag het hier niet naar uit, dat wij een behandeling ( la Bergen Belsen of Buchenwald zouden krijgen, want er reden wagens van de Canadezen af en aan. Als het Moffen waren geweest zou ik me minder behagelijk hebben gevoeld. Eerst moesten wij ons melden in het gebouw van de administratie en stonden wij in een lange rij. Het duurde wel een half uur voordat ik aan de beurt was. Toen kwam ik dan evenals mijn voorgangers eindelijk binnen. Er zaten heel wat administrateurs achter de tafel.
Ze namen ons echt wat men noemt de biecht af als een pastoor in de Roomse Kerk. Wij moesten verslag uitbrengen hoe wij hier waren gekomen, wat men alzo had uitgevoerd en waarom o.a. ik geen persoonsbewijs had. Eindelijk werd mij gevraagd of ik een bewijs van de B.S. kon tonen betreffende politieke betrouwbaarheid. Gelukkig kon ik dit tonen. Nu werd mijn naam gelijk met de anderen geschiedde in een register gezet met woonplaats, straat en huisnummer erbij. Aan het eind van deze formaliteiten vroeg ik:"En wanneer is Bussum nu aan de beurt om te vertrekken ?" "Dat weet ik niet" zei hij,"maar ik hoop zo gauw mogelijk" "Vanmorgen vroeg is er al een auto die richting uitgegaan en nu gaan eerst de andere plaatsen weer voor". Jammer was dat. Pech gehad, lezer ! Ik had hier dus vroeger moeten zijn, maar wist ik dat ? Maar aan de andere kant was dit toch ook weer niet mogelijk geweest, omdat er geen vrachtwagen vanaf Nijkerk was geweest. De mensen wie dit meevallertje ten deel viel, zaten hier al 6 weken.

Elke keer kwamen er weer nieuwe ladingen mensen binnen die onderweg waren opgepikt, maar niet naar huis mochten, precies als de Moffen pleegden te doen, maar met een hemelsbreed verschil. Men werd hier niet mishandeld zoals in Amersfoort, Vught enz, en ook niet vergast en verbrand zoals in die Duitse gruwelkampen. De behandeling was hier door en door fatsoenlijk op zijn Hollands. De regen had inmiddels opgehouden. De zon kwam erdoor en het werd nog een mooie namiddag en avond. Om half 11 moesten we naar de afdeling van het Rode Kruis om door een doktersassistent te worden onderzocht of zich geen gevallen van scabi(s (schurft) hadden voorgedaan, want dit scheen nogal eens voor te komen. Verder moesten al onze dekens en kleren in de tijd dat wij onderzocht werden in een hete-luchtoven ter voorkoming van eventuele verspreiding van kleerluis. U ziet wel lezer, aan de hygi(ne werd veel zorg besteed. Nadat al deze poespas was vervuld konden wij onze intrek nemen in de diverse paviljoens om in te slapen of te schrijven, want men mocht er niet eerder in alvorens men was onderzocht. 's Middags konden wij doen en laten wat wij wilden.
Tot mijn verbazing was het zelfs toegestaan om heel Harderwijk rond te lopen en dus het kamp te verlaten, maar men moest dan zijn etenskaartje bij de portier inleveren en dan kreeg men een bewijsje, dat men vrij mocht wandelen. Men was toch van armoei wel genoodzaakt om terug te komen als de maag begon op te spelen, dat wisten ze ook wel, want waar moest men hier overigens heen. Muisjes halen was er niet meer bij. Men kan en mag toch niet naar huis of familie en dan een afstand van 70KM afleggen naar Bussum of 150KM naar Rotterdam, aangenomen dat er geen B.S.posten zouden zijn (maar die waren er wel degelijk) haalt niemand in zijn hoofd. Om een uur of twee ben ik in mijn eentje de omgeving eens gaan verkennen. Het is er wel mooi met al die bossen en graanvelden. Na een half uur gelopen te hebben kwam ik aan de grote weg naar Zwolle, waar ik 10 jaar geleden eens met mijn broer heb gefietst. Ik had toen niet kunnen vermoeden, dat ik daar 10 jaar later nog eens in mijn entje zou rondzwerven. Het was een mooie wandeling en weer eens iets anders dan dat vervelende Nijkerk.

Ik heb lekker aan de weg in het gras gezeten en tal van Canadese- en andere vrachtauto's vol burgers die onderweg waren opgepikt en naar ons kamp gingen nageoogd. Daarna heb ik de terugtocht maar weer aanvaard. Op het terrein bevindt zich een grote grasvlakte. Ik ging maar plat op mijn buik liggen en doodde de tijd maar met sprietjes kauwen en bomen opzetten met de andere lotgenoten. Om 6 uur moesten wij naar de keuken en kregen daar een grote schaal roggebloempap. Ik ontmoette in de rij weer een stel Rotterdammers, waarmee ik in Arnhem had gewerkt. Deze zaten hier al vanaf half april. Ik zag nu wel, dat het met het "muisjes" halenafgelopen was en moest ik mij wel vergenoegen met hetgeen ik hier onder de tanden kreeg. Het was zaak om het grote publicatiebord in de hal in de gaten te houden, want daarop werd steeds vermeld welke ploeg er wegging. In de militaire dienst zouden ze zeggen afzwaaide. Zo(ven zijn een heel stel Rotterdammers weggegaan, maar daarentegen kwamen er weer andere voor in de plaats. Het was een onafgebroken komen en gaan.

's Avonds om 7 uur kwam weer een vrachtauto vol mannen en vrouwen het terrein op en werden daar als vrachtgoed uitgeladen. Ik was wel nieuwsgierig wie er morgen weer aan de beurt waren om afgevoerd te worden. Om ongeveer 10 uur ben ik gelijk met de anderen onder zeil gegaan. De ligging is er goed, net als in Arnhem, allemaal bedden met matrassen.

3 Juni. Zondag. Ik heb best geslapen in mijn nieuwe verblijf. Er is een prachtige wasgelegenheid, zodat wij ons heerlijk konden verfrissen. Verder staan er over het gehele terrein ventilatoren om lucht aan te blazen als het warm is. Tevens staat er een houten gebouwtje voor het houden van R. Kath. En prot. Godsdienstoefeningen. Voor ons was er geen dienst vandaag. De reden hiervan was onduidelijk, wel vreemd. Mijn eerste werk was om te zien wat er voor vandaag op het publicatiebord stond. Ik las dat Rotterdam weer een de beurt was plus de plaatsen Haarlem, Alkmaar, Uitgeest, Hoorn, Schagen enz. Er was dus weer geen Gooi bij. Enfin, maar niet wanhopen, mijn tijd zou ook wel eens komen. Het was hier overigens best om uit te houden. Alleen had ik af en toe vlagen van kiespijn, wat minder aangenaam was. Van een kameraad kreeg ik een paar aspirine welke goed geholpen hebben. Ik heb in mijn eentje het terrein eens rondgelopen en brood aan de keuken gehaald. Wij kregen er flink boter bij plus 1 biskwie. Daarna heb ik na het eten languit in het gras gelegen in de zon, want het was heerlijk warm weer. Daarna liep ik maar weer eens rond. Opeens werd mijn aandacht gevestigd door een potsierlijke vertoning. Er kwamen een 60 tal dames en heren van allerlei leeftijd, ook vrij oude mensen van 60 jaar b.v. erbij, netjes 4 aan 4 achter elkaar als een groep soldaten het terrein opmarcheren. Opzij liep een B.S.man met een geweer op zijn nek maar te commanderen: ((n, twee, ((n, twee, ((n, twee, rechtsom, hoofd der colonne rechts, mars, precies militairen onder aanvoering van een korporaal of sergeant. Het was een clubje N.S.B.ers, dat afgedrild werd. Een wonderlijke strafoefening. Om 2 uur heb ik mijn etenskaartje weer bij de portier afgegeven en een flinke wandeling gemaakt, verder dan gisteren. Het was verrukkelijk weer. Ik ben helemaal naar het station gewandeld. Er lagen daar een paar huizen totaal in puin geschoten. Ook deze plaats is er niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen, maar vergeleken met andere plaatsen is de schade gering. Vervolgens ben ik het hele stadje rondgewandeld en heb een poosje op een bank in een mooi park gezeten. Het was erg druk, vooral van Canadese vrachtauto's. Ze rijden maar raak of het Zondag is of door de week. Daarna ben ik weer opgestapt en naar het Zuiderzee of IJselmeerstrand zoals U het noemen wilt geweest. Wat was het daar heerlijk.

Wat een mooi gezicht over die watervlakte. Ik heb lekker pootje gebaad. In de verte zag ik op enorme afstand een paar rechtopstaande zwarte stokjes zo dun als een garendraadje. Alleen bij zeer helder weer zoals vandaag kon men ze zien. Ik kon niet gissen wat dat voor dingen waren zo middenin het water, maar ik zou er wel spoedig achterkomen. Om half 4 heb ik de terugtocht aanvaard en ben onder de monumentale Vispoort doorgelopen. Wat een oude buurtjes kwam ik door. Het is een echte oude vissersplaats, zoiets als Vollenhove. Om 4 uur bevond ik mij weer temidden van graanvelden en klaprozen. "Als het weer Zondag is zou ik dan nog hier zitten of thuis ?" dacht ik bij mijzelven, en hoe zou het thuis toch zijn ? Zou moeder nog in leven zijn, want sinds 2 april heb ik niets meer gehoord. Hoe zou de bevolking het eraf gebracht hebben tijdens de bevrijding en vooral erv((r met die vreselijke hongersnood ? Allemaal gedachten lezer die mij meer dan eens neerslachtig maakten. Maar zolang ik niets wist, hield ik er de moed maar in. Onderweg heb ik nog een kwartiertje uitgerust aan een bosrand. Om ongeveer 5 uur ben ik weer opgestapt en was even later weer in het kamp.

Er kwam een Rotterdammer naar me toe en zeide: "Je staat er goed op". "Hoe dat zo ?" zei ik. Wel, morgenochtend gaat Bussum weg. Alle Bussummers en Hilversummers, zomede Amsterdammers en enige Rotterdammers moeten zich vanavond om 7 uur melden aan het administratiegebouw. "Is het echt waar"? vroeg ik. "Ja zeker", zei hij, ga maar naar het publicatiebord, dan kan je het zien. Ik liep er zo vlug mogelijk heen als mijn benen me konden dragen en ja, de man had gelijk. De Bussummers en Hilversummers moesten naar Amsterdam, dus vanuit Harderwijk met de zeeboot. "Dat is verdraaid leuk", dacht ik. Ik heb nog nooit een zeereisje gemaakt. Veronderstel dat het morgen ook zulk mooi weer is als vandaag, dan zal het een waar genot zijn. Er stond echter bij dat de Bussummers en Hilversummers op eigen gelegenheid vanuit Amsterdam moesten zien hoe ze thuiskwamen. Lollig vond ik dit laatste nu niet bepaald, niet zozeer om dit eind te lopen, want het is toch tenslotte heel wat korter dan vanaf Nijkerk en dat had ik toch ook geprobeerd, maar die B.S.contrôle onderweg. Verbeeld je, dat ze je weer niet doorlaten, dan zat je lelijk met je gebakken peren.
Maar enfin, dat zullen we maar afwachten, maar geen verdere zorgen maken. Een wonderlijke mengelmoes van gevoelens bekropen mij. Ik was aan de ene kant ontzaggelijk blij, dat ik naar huis mocht en aan de andere kant zag ik er tegenop, want wat zal in Bussum mijn deel zijn ? Zou moeder het nog goed maken ? Zou ze zich niet al te zeer van streek hebben gemaakt dat ik nog maar steeds niet kwam opdagen ? Zou ze nog wel leven ? Vragen en nog eens vragen, waarop het antwoord op heden in het duister lag. Om 6 uur kregen wij een schaal biscuitpap, heerlijk. Eindelijk was dan om 7 uur het gewichtige moment aangebroken en stonden wij voor het bureau. Ieder werd ((n voor ((n binnengelaten. In de rij stond nog een zwartgallige pessimist, die beweerde dat de boot Dinsdag pas ging. Hij meende zoiets vernomen te hebben, dat de boot morgen andere karweitjes had op te knappen. Ik trok er mij niet zoveel van aan, want 1 dag langer zou me toch ook niet de dood aandoen. Ten langen leste was ik dan ook aan de beurt.

Ik kreeg een kaartje evenals de anderen waarop vermeld stond: "Repatrieering kamp Harderwijk" met op de achterzijde een stempel van het Rode Kruis. Wat was ik blij, dat ik de troeven in handen had. Niemand ter wereld kon mij nu beletten verderop te gaan, althans van menselijke zijde gezien, want ook in schijnbaar voorspoedige gebeurtenissen heeft men de Zegen van Boven nodig, wil alles vlot verlopen. Kwam ik al niet direct in Bussum, dan toch in Mokum (Amsterdam) en dat was ook al weer iets anders. Ik had van dat afgebrande Arnhem en die kale Veluwe schoon genoeg, of op zijn plat Amsterdams gezegd: "Ik had er tabak van". Ik wilde ook wel weer eens leven zien. Ik heb nog even op deze wonderschone avond in het gras gelegen en praatjes gemaakt met Jan en alleman. In het westen kwam een donkere wolkenbank opzetten. "'t Is maar te hopen, dat het weer morgen goed is", dacht ik, want het zou erg jammer zijn als er regen kwam. Om 10 uur ben ik naar bed gegaan. Het was de laatste keer in dit kamp. Waar zou ik morgenavond zitten ?

4 Juni. Er kwam van slapen haast niets terecht, enkel en alleen door opwinding. Om 6 uur moesten wij al aan de keuken zijn was ons gezegd en om 7 uur afmarcheren naar de haven waar de boot gered lag. Om 1 uur 's nachts kwam iemand van de administratie ons nog etenskaartjes brengen. Die had men met al die drukte nog vergeten aan ons uit te delen. Om 2 uur weerlichtte het een beetje in de verte en de lucht was geheel betrokken. Dit kon men goed zien, want nacht wordt het haast niet om deze tijd van het jaar. Even later begon het een beetje te regenen. H(, wat jammer, dacht ik. Als het nog harder gaat regenen moeten wij onze reis in de kajuit zitten. Tegen 4 uur begonnen de vogeltjes te zingen, afgewisseld door het minder fraaie geluid van kraaien, die in de bomen zaten. Een zacht windje deed de hoge toppen van de dennenbomen heen en weer wiegelen. Eindelijk kon ik mijn ongeduld niet langer verbergen. De spanning was te groot geworden. Ik kleedde mij haastig aan en heb aan de uitgang van het gebouw de lucht eens bestudeerd. Het was nu droog, zodat dat beetje regen niet veel om het lijf heeft gehad. In het oosten kondigden purperen wolkjes de zonsopgang aan.
De lucht was helaas overwegend betrokken en af en toe viel er weer een spatje regen, terwijl het er ook onmiskenbaar onweersachtig uitzag. Een politieagent liep met zijn spuit (geweer) op zijn nek over het kampterrein, dat doodstil was in de vroege morgen. Het was pas half 5 en 1200 mensen

Einde schrift 7 en begin schrift 8 (einde).

lagen nog te pitten (slapen). Wij zeiden elkander goeie morgen. Ik ging vervolgens het gebouw weer in naar het waslokaal en heb me netjes gewassen en geschoren en verder opgedoft. Na een half uurtje was er overal leven in de brouwerij. Het hele kamp was ontwaakt. Om 6 uur degenen die met de boot mee moesten, waaronder ook ik naar de keuken om brood te halen. De overigen die achterbleven en dat waren er meer dan 1000, moesten om 7 uur komen. Ik schatte ons aantal op ongeveer 200.

Wij moesten erg lang wachten eer de zaak voor elkaar was, zeker wel een half uur. Toen kregen we ons broodje van 400 gram met boter. Het was niet teveel als men daar de gehele dag op moet leven, want op zee kon men zijn kost niet opscharrelen en in de hongerstad Amsterdam evenmin. Enfin, maar geen zorgen maken, wie weet wat de dag nog zou opleveren. Voorlopig konden wij het er wel mee stellen. Wij hebben haastig een paar snee opgegeten en onze bagage gepakt. Het overige gedeelte van het brood was voor de gehele dag. Tegen half 8 vertrokken wij vanaf het administratiegebouw. Aan de uitgang stonden kruiers met bakfietsen hun diensten aan te bieden betreffende het vervoer van onze bagage. Ik maakte er natuurlijk een dankbaar gebruik van en had zodoende niets te torsen. Het weer begon er niet mooier op te worden. Het begon te stormen en er brak een fikse regenbui los, terwijl tevens de zon scheen, een eigenaardig gezicht. Ik trok vanzelfsprekend mijn jas aan. Je kon hem best hebben, want het was knap fris. Om 8 uur waren wij eindelijk aan de haven. De pessimist had ongelijk gehad, want de boot lag daar netjes op ons te wachten. Het was een reuzen kast.

De boot was van de voormalige Duitse Weermacht en door het Rode Kruis in beslag genomen. Ze bood plaats aan 500 personen. De hele santenkraam kon er met gemak op. Ziezo, ik had al een mooi plaatsje op het dek veroverd. De regen had inmiddels opgehouden. Wat een leuk zitje was dat en wat een mooi gezicht op het stadje. Het was een hele bedrijvigheid met het laden en lossen van kisten, pakken en vaten. Het duurde tot half 9 eer de boot vertrok, maar toen zette de machinist de motoren aan en daar gingen we. Vaarwel Harderwijk met je kamp, nu gaat het op moeder de vrouw aan ! De zee was zeer woest, maar het weer is droog gebleven. Er stond een complete storm en af en toe vlogen stortzee(n over het dek. Toen de boot een half uurtje had gevaren keek ik eens rond. Harderwijk verdween al meer en meer uit het gezicht, maar daarvoor kwamen nieuwe dingen in de plaats. Men kon de volgende plaatsen op grote afstand onderscheiden, zoals Elburg, de Veluwekust, de torens van Nijkerk, Bunschoten, Spakenburg en de Utrechtse heuvelrug, doch in hoofdzaak was alles om ons heen water en nog eens water.
In de verte dreef een pikzwarte lucht op Elburg aan en zag men zich een zeer zware regenbui ontlasten. Wild vlogen de wolkenflarden langs de lucht, af en toe afgewisseld door een paar minuten zonneschijn. Er was op zee nogal wat vertier van botters en tjalken. Ze dobberden op en neer over de woeste golven met schuimkoppen. Deze schepen kwamen meest uit Volendam, Bunschoten en Harderwijk. Na ongeveer 3 uren gevaren te hebben (het was nu half 12) waren al deze plaatsjes uit het gezicht verdwenen, maar weer werd onze blik bekoord door nieuwe zaken welke aan de gezichtseinder opdoemden. Ik zag de toren van Eemnes, voorts 6 radiomasten van de Indi( zender aan de haven van Huizen, elk 120M hoog. Dit waren nu die rechtopstaande garendraadjes welke ik gisteren middag helemaal in Harderwijk kon zien, en voorts de lange fabrieksschoorsteen van de stoomwasserij te Naarden en het rode dak van de R.K. koepelkerk van … Bussum. Het was alles een ontzaggelijk eind weg, want van de grote St. Vitustoren in Bussum was niets te zien. Een vreemd gevoel maakte zich van me meester toen ik al deze welbekende uitsteeksels zag.

Tegen 12 uur waren ook deze dingen weg en zag ik de torens van de Grote Kerk van Naarden en Muiderberg en de verkeers- en spoorbruggen bij Weesp, allemaal kinderspeelgoed door de grote afstand, maar al deze dingen vervaagden weer om tenslotte te verdwijnen. Om 12 uur zagen wij het volgende: De toren van de Majellakerk in de Indische buurt te … Amsterdam, de gashouders van de Ooster Gasfabriek bij de Muiderpoort en een rij huizen ter grootte van blokjes uit een bouwdoos en verder alles niets dan water om ons heen. Ik sprak aan boord een Hilversummer en wij waren spoedig de zaak eens, dat wij vanmiddag samen naar Bussum zouden lopen en hij natuurlijk verder, maar het pakte toch alles anders uit dan wij dachten, maar daarover later. Tegen half 1 kwamen er al meer dingen los die wij zagen. Rechts van ons dook Ransdorp op met zijn plompe hoekige toren, verder Durgerdam en het eiland Marken met zijn fel rode dakpannen op de huisjes en nog verder zagen we Volendam. V((r ons werden de huizen te Amsterdam gaandeweg groter. We zagen de schoorstenen van het gemeentelijke vuilverbrandingbedrijf bij het Oostzanergat en de lange overkapping van het Centraalstation, alles nog heel ver weg.

Toen zagen wij links fort Campus, nogal dichtbij. Van veel strategische waarde is dat fort niet meer, want het is tijdens de oorlog niet eens gebruikt. Eindelijk … eindelijk stopte de boot. Wij lagen voor anker aan de Oranjesluizen te Schellingwoude. Toen kwamen de Rijksveldwachters (thans Rijkspolitie te water) en B.S.mannen aan boord om ons te visiteren en de persoonsbewijzen te controleren. Och arme, ik bezat er geen. Zou ik nu in het gezicht van het eindpunt nog pech hebben ? Ik heb een van die B.S.mannen tijdens de contr(le de situatie uitgelegd en liet hem mijn bewijsje zien. Gelukkig nam hij er genoegen mee. Al weer een pak van mijn hart. Eindelijk om half 2 gingen de sluizen open en kon de boot er door. Nu werd de laatste (tappe aangesneden. Wij voeren langs de grote havenwerken en scheepswerven. Eerst langs Verschure en toen langs de pakhuizen. Wij waren nu op het IJ. Wat was alles doods en verlaten. Geen enkel schip was er te zien. Tientallen verwoeste kranen lagen er als een bundeltje oudroest bij elkaar. Als men nagaat dat elke kraan een ton (F 100.000,-) kost, dan kan men zich enig idee vormen wat een ontzaggelijke schade er aan die havenwerken door de Moffen is aangericht.
Trouwens in Rotterdam en Cherbourg (Frankrijk) was het dito. Het was onderwijl schitterend weer geworden en de wind was aanzienlijk geluwd. Eindelijk meerde de boot aan de De Ruyterkade te Amsterdam aan de steiger van de Holland-Veluwelijn. Ziezo, de reis was tot een voorspoedig einde gebracht en niemand had ondanks het stormachtige weer last van zeeziekte gehad. Daar waren wij dan in Mokum. Wij mochten er nog niet af, want er werd ons eerst nog een plezierige mededeling gedaan. Allen moesten zich melden aan het repatrie(ringsbureau van het Rode Kruis in de benedenhallen van het Centraalstation. Daar zou men voor verder vervoer zorgdragen. Dus niet lopen naar Bussum zoals ik me had ingebeeld, lezer ! "Zouden we per spoor gaan" dacht ik ? Enfin, afwachten maar. Daar stroomde de hele boot leeg en wij met z'n allen naar het station. Het was maar een paar minuten lopen. Toen wij erin kwamen stonden wij sprakeloos van verbazing. Alles was versierd met rood-wit-blauwe en oranjevlaggen. Het krioelde er van politieagenten, Rode Kruis zusters en Rode Kruis soldaten. Er stonden zeker wel 40 tafels. Wij moesten eerst aan tafel aanzitten en pap eten.

Wat had ik me dus onnodig zorgen gemaakt over dat broodje van vanmorgen en ziehier nu eens ! Het was biscuitpap net als in Harderwijk, erg lekker maar machtig. Toen het op was deelde een zuster een grote hoeveelheid biscuit uit voor de avond. Daarna moesten wij ons melden bij de distributieambtenaar die achter een tafel zaten in dezelfde hal en alle bescheiden voor ons in orde maakten voor de thuiskomst en voor eventuele B.S.contr(le onderweg. Toen dat afgelopen was, moesten wij naar de afdeling "vervoer". Hier werden wij bij groepen ingedeeld. Ik werd b.v. ingedeeld bij de afdeling "Utrecht". Allen werden we in clubjes apart gezet, zodat er een behoorlijk overzicht was. Wij waren vol lof over de gehele behandeling. Wat een verschil met 24 oktober l.l. Toen was het voor ons allen een in-droevige dag met die Moffen-razzia en thans 4 juni 1945 was het een glorieuze terugkomst onder de geallieerden. Om 4 uur marcheerden wij af naar het perron, de trappen op. Wat een verbazende drukte was het daar ! Uit alle hoeken en gaten des lands kwamen mensen toegestroomd, waaronder ook heel wat die in Duitsland hadden gewerkt of gevangen hadden gezeten.
Ik zag zelfs een persoon die een lapje op zijn arm had, waarop stond:"Buchenwald". Die kwam dus uit dat verschrikkelijke concentratiekamp, maar had het gelukkig toch nog overleefd. Hoewel het met het treinverkeer zeer stil was, kwam er toch af en toe nog een trein binnenrollen. Er stonden mannen op het perron met banden om de arm waarop stond "Oranje". Ze riepen de gehele middag maar plaatsnamen af. Eerst kwam Rotterdam aan de beurt, waarop de hele schare zich in beweging zette. V((r het Centraalstation wemelde het van grote autobussen, luxe auto's en vrachtauto's en daar moest de hele ratteplan ingewerkt worden. Het hele gevalletje werd omstuwd door een talrijk publiek. Daar zette een grote zwarte autobus zich in beweging en daar ging het eerste clubje op Rotterdam aan. Ik had mijn zakken vol biskwie en heb de gehele middag maar zitten knabbelen. Op het laatst kreeg ik zo'n dorst, dat ik wel 10 keer naar de kraan ben gelopen om de dorst te lessen. Als nummer 2 riep de "Oranjeman" af "Haarlem en omstreken", en weer begon het verschuivingproces, zodat onze gehele troep gestadig aan inslonk. Ze werden weer in auto's geladen en dat ging zo maar voort.

"Ik weet niet, of er vandaag nog wel een auto naar het Gooi disponibel is" zei de "Oranjeman", want het is al vrij laat (half 5)". "Dan maar een nacht in Mokum logeren", dacht ik. Het was tussen al die bedrijven door al zo zoetjes aan half 6 geworden, en nog stonden wij daar op het perron. Na veel heen- en weer gepraat met de "Oranjeman" zeide hij eindelijk: "Ja, ik geloof dat dat vrachtwagentje, een oud "Fordje" daarginds nog vrij is. Ik zal eens even informeren." Hij stuurde gauw een padvinder naar de chauffeur toe. Deze kwam terug met de blijde mededeling, dat de wagen nog vrij was. Wij werden nu als een klein clubje verzameld. Het bestond uit 1 persoon voor Utrecht, 2 voor Abcoude, 3 voor Hilversum en 1 voor Bussum n.l. mijn persoon. Wij slingerden onze bagage in de wagen en na enige tijd wachten kwam de chauffeur. Hij zette de motor aan en daar gingen we. Tegen de verwachting in gingen we niet rechtstreeks naar huis, maar maakt hij eerst nog een geducht "ommetje". De reden was ons niet bekend, maar we waren toch blij, dat dit de laatste reis voor ons betekende.

De route ging als volgt: Langs het gebouw van de Kon. Holl. Lloyd a/d Martelaarsgracht, NZ. Voorburgwal, Spui, Singel, Leidseplein, de Clerqstraat, Bilderdijkstraat. Hier stopte de auto om benzine in te nemen. We reden een plein op waar tal van Engelse auto's stonden. Een Tommy was druk aan het repareren. Wat een vreemde verschijningen in de hoofdstad van al die geallieerden zoals Engelsen en Canadezen, die door de stad trokken, terwijl hier kortgeleden nog Duitse laarzen marcheerden. Vreemd was het evenzeer, dat er geen enkele tram reed wegens gebrek aan elektrische energie. Na een kwartier (het was toen 6 uur) startten wij opnieuw. "Als alles goed gaat, ben ik tegen 7 uur thuis", dacht ik. Wij reden nu door de 1e en 2e Const. Huygensstraat, Overtoom, Koningsplein, Stadhouderskade, Weteringschans, de lange Amsteldijk af (nu ging het de goede kant op !), langs de Weesperzijde naar het Amstelstation. Het was prachtig weer en de auto had een behoorlijk vaartje. Bij dit station (hij had alweer een ommetje gemaakt) stopte de wagen opnieuw om een paar Hollandse soldaten bestemd voor Hilversum en gekleed als Tommies in te laden.
Tientallen geallieerden vrachtauto's stoven ons voorbij, naar en van Amsterdam. Weer startten wij en spoedig waren wij Mokum uit. Nu ging het door Diemen, maar naarmate ik dicht op mijn doel aanging, des te onbehaaglijker en nerveuzer ik mij begon te voelen. Wat zal het over 3 kwartier zijn, vreugde of verdriet ? Spoedig waren wij ook door Diemen heen en reden wij over de grote verkeersbrug over het Merwedekanaal. Links lag Weesp met zijn artistieke kerktoren in het felle zonlicht te baden. De spoorbrug kwam ook in zicht en zo ontrolde zich alles als een film (die gaandeweg korter werd en opraakte) aan onze ogen voorbij. Al nader en nader ging het op het doel aan. Het ging nu langs de springstoffenfabriek van Muiden en nu lag Weesp al precies tegenover ons. Op straat waren B.S.mannen druk aan het controleren. Maar goed dat we niet gelopen hebben. Het ging dus precies zoals ik had gedacht. Wie weet wat voor onaangename verrassingen we nog zouden hebben beleefd. Nu stoven wij er voorbij zonder enig stopteken hunnerzijds.

Wij gingen langs Muiden en zagen de lange schoorstenen van de zoutkeet van de firma Bouvy, en weldra lieten wij ook dit stadje achter ons. Nu werd het landschap eentonig, niets dan weilanden die zeer drassig waren, want deze hadden de Duitsers ook al onder water gezet, uit pure baldadigheid. De Hakkelaarsbrug werd nu gepasseerd met de straatweg naar Muiderberg. Wat een drukte op de weg van al die Canadese wagens. Nu ging het langs de "Chemische fabriek" de Toren op de grens van Muiden en Naarden en waren links ter hoogte van Weesperkarspel. Het "Fordje" had er wat men noemt de sokken in. De film begon aardig op te raken. De Grote Kerk van Naarden kwam in zicht. Na ook deze op een afstand gepasseerd te hebben hadden wij de Rijksweg spoedig verlaten en maakte de auto een fikse bocht, waarna wij de Lambertus Hortensiuslaan te Naarden inschoten. Nog een goede 2KM en dan … ja, wat dan. De spanning werd ondragelijk. Na deze weg afgelegd te hebben, hadden wij het einde van de Brinklaan te pakken op de grens van Bussum en Naarden. Nog even verder en toen stopte het "Fordje" opeens bij de Brediusbrug te Bussum.

Nu waren de buitenwijken van de plaats mijner inwoning bereikt. De wagen scheen pech te hebben. "Nu zal ik zeker nog een half uur moeten lopen", dacht ik en wat moet er dan van mijn medepassagiers die nog verderop moeten, terechtkomen ? Maar neen, het viel al weer mee. Het euvel was nogal spoedig verholpen en voort ging het weer. Wij reden door Bussum's straten en op het kruispunt bij de Havenstraat liepen zowaar een paar Canadezen parmantig te stappen. Toen ik verleden jaar wegging waren alle straten door de Moffen afgezet en stikte het van Duitsers in heel Bussum, doch gelijk na de vossenplaag in de dagen van Farao was er nu "NIET ((N DUITSER MEER OVERIG GEBLEVEN", evenals met dat ongedierte het geval was in Egypte. Thans nu ik terugkom is er wederom een bezetting, maar nu van de Canadezen en Tommies (2600 Canadezen en 400 Tommies), dus nog iets meer dan van de Duitsers, die 2500 man sterk waren. 't Kan verkeren ! Toen Duitse vrachtwagens, thans Canadese en Engelse. Weldra was de Brink bereikt en reden wij de St. Vituskerk voorbij. Ik waarschuwde de chauffeur dat ik er direct op de hoek bij het Singel uit moest stappen. Even later stopte de wagen.
Ik gaf mijn medepassagiers een hand en wij wensten elkander een behouden thuiskomst. Ik haalde mijn bagage van de wagen en drukte mijn eerste voetstappen op Bussum's grond. Het "Fordje" startte opnieuw en ging op Hilversum aan. Daar stond ik dan en wat nu ? Nog 300 meter lopen. De eerste 200 meter gingen nog, maar de laatste 100 meter … Ja, lezer, het spreekwoord zegt: "De laatste loodjes wegen het zwaarst". Zo ook hier. Opeens was mijn vrolijke gevoel weg en ik had zo ongeveer het gevoel of ik naar de galg ging. De spanning had het kookpunt bereikt. Je weet toch maar nooit hoe de stand van zaken thuis zou wezen. Het kwam me al te rauw op mijn dak. Ik had haast niet de moed meer om verder te gaan, want wat zou mij te wachten staan ? Ik schoot de Torenlaan in … nog 50 meter. Het werd 40, 30, 20, 10 en eindelijk stond ik voor mijn huis. Ik ging er nog niet in. Ik nam eerst het laantje eens in ogenschouw. Het was er tijdens mijn aanwezigheid niet mooier op geworden. Alle bomen waren gerooid en in de afgelopen winter aan brandhout gezaagd. Ik slofte nu de tuin in, daarna de steeg door en wierp als een dief en vol achterdocht en onzekerheid een steelsgewijze blik in de achtertuin.

Deze zag er ietwat verwilderd uit, net of iemand er in geen weken geweest was. Zou er iemand thuis zijn, of niet ? Zowaar ik hoorde praten. Met een schuwe blik keek ik opzij door de ramen en … alles was safe ! Moeder stond bij de tafel te babbelen met de juffrouw die boven ons woont en toevallig ook op dit moment in de kamer was. H(, zei ze opeens, wie is dat ? Ik zag er niet bepaald als een heer uit lezer, maar leek het meest op de verloren zoon uit de Gelijkenis. Geen wonder dat ze me niet direct herkende en mijn komst haar dan ook volledig verraste. Wij omhelsden elkaar stevig na zulk een langdurige scheiding. De oorlog had voor mij persoonlijk geen jaar langer moeten duren, want dan had ik haar niet meer in leven gezien. Ze is n.l. in de loop van 1946 aan een nare ziekte overleden waar ze al jarenlang mee had rondgelopen, zonder dat ik het wist en maar gelukkig ook. Stel je voor, dat ik het wel had geweten, dan had het leven dat ik nu had geleid ondragelijk geweest. Wat waren Gods leidingen in mijn leven toch wonderlijk geweest en van achteren bezien toch wijs.

Toen ik wegging was het op het kantoor waar ik werkte een formeel gekkenhuis en kon ik het werk haast niet meer voor elkaar krijgen vanwege de spoorwegstaking, en zie plotseling wordt van Hogerhand de vijand gebruikt en moest ik weg. Naderhand vernam ik, dat de chaos er gewoonweg onbeschrijfelijk was. En dan ten tweede de hongersnood. Wat zou er van ons (mij en mijn lotgenoten en mijn moeder) zijn geworden als ik hier was gebleven ? Nu had moeder mijn distributiekaart nog. Waar zo'n razzia al niet goed voor was. Het is bepaald wel Gods weg geweest, dat er zoveel mensen uit onze plaats en omgeving weg moesten. Van achteren blijkt het nu, dat ze voor de honger zijn gespaard. Ik kan met recht met Josef zeggen, "Gij" hebt het ten kwade gedacht (in dit geval de vijand), maar God heeft het ten goede gedacht. En wat ben ik er toch wonderlijk dankzij 's Heren goedheid doorheen gekomen. De gevaren die ons omringden waren niet te tellen en toch zijn we op een enkele na gespaard gebleven. Er is mij goed beschouwd noch in 1940, noch in 1944/45 een haar gekrenkt.

Ik heb veel geschreven in mijn dagboeken over mijn ervaringen in de mobilisatie van 1939 en de oorlog in 1940, maar wat ik toen als SOLDAAT heb beleefd was nog maar kinderspel, vergeleken wat ik als BURGER in Arnhem heb bijgewoond. Ik heb (en ik niet alleen natuurlijk) op een hardhandige wijze met de oorlog kennis gemaakt, want wij zaten vlak achter het front, en toch zijn we gespaard. Weliswaar is het nu vrede, maar een GEWAPENDE vrede helaas. Rusland en Engeland plus Amerika zijn de zaken soms onderling met elkaar niet eens. De Rus gaat eigengereid te werk, terwijl de andere geallieerden het geheim van de atoombom niet wensen te onthullen. Ze vertrouwen de Rus niet. Voeg daarbij de verwarde situatie in Indi( en de ellende in Duitsland, waar 25 miljoen mensen lopen te zwerven zonder een dak boven hun hoofd, en de moeilijkheden in eigen land, dan vraagt men zich af: "Waar moet dat heen ?" Ik eindig, in de hoop dat het de geachte lezer belang zal inboezemen over hetgeen ik hier uit mijn hoofd heb weergegeven, zonder er ooit van tevoren aantekeningen van te hebben gehouden.

 

-------------0------------
Laatste bladzijde schrift 8.

Ik heb "Oom Jan" (hij was getrouwd met het zusje van mijn schoonvader) verschillende keren ontmoet tussen 1971 en 1980 (het jaar waarin hij stierf). Hij was een wat autistische persoon met een fabuleus geheugen betreffende het weer. Hij wist b.v. uit zijn hoofd dat het 15 jaar geleden op die en die datum zoveel graden was, dat het regende in de middag en dat het's nachts ongewoon koud was. Dat hield hij ook allemaal bij in tabellen, boekjes en schriftjes. Of hij daartoe in de oorlogsjaren ook in de gelegenheid voor was is mij niet bekend. Dat hij na de oorlog, uit zijn herinnering, alles heeft opgeschreven in dit dagboek komt mij echter zeer geloofwaardig voor. Ik heb dit dagboek "gedigitaliseerd" omdat ik het jammer zou vinden als het ergens middels een "zolderopruiming" teloor zou gaan. De foto's in het dagboek heb ik later toegevoegd ter illustratie maar maakten uiteraard geen deel uit van het origineel. De tekeningen komen wel uit het dagboek. "Ondertusschen" veel leesplezier. Eric Tiethoff – 20 feb 2008.